GERECHTSHOF AMSTERDAM
zaaknummer : 200.355.591/01
zaaknummer wrakingsverzoek : 200.354.928/01
Beslissing van de wrakingskamer van 24 juni 2025
op het verzoek tot verschoning van
mr. H.A. van Eijk,
raadsheer in het gerechtshof Amsterdam,
hierna: de raadsheer,
belast met de behandeling van het wrakingsverzoek met bovengemeld zaaknummer ingediend door:
[verzoekster] ,
wonende te [woonplaats] ,
gemachtigde: mevrouw [gemachtigde] ,
verzoekster,
tegen
mr. E. de Greeve, raadsheer in het gerechtshof Amsterdam.
1. Het verschoningsverzoek
De raadsheer heeft op 2 juni 2025 een verschoningsverzoek ingediend.
De tekst van het verschoningsverzoek luidt:
Bij de voorbereiding van voornoemd wrakingsverzoek is mij gebleken dat ik in een aanverwant wrakingsverzoek van deze verzoeker deel heb uitgemaakt van de zittingscombinatie, die op 31 juli 2024 het tegen voorzitter mr. Mooy ingediende wrakingsverzoek ongegrond heeft verklaard (zaaknummer 200.343.174/01, zaaknummer hoofdzaak K23/230386).
Gelet op het voorgaande en ook de verwevenheid van dat verzoek met het verzoek dat op 3 juni 2025 zal worden behandeld, ben ik naar mijn oordeel ten onrechte als raadsheer ingedeeld in laatstgenoemde zittingscombinatie. Ik voel mij niet vrij om (mede) te oordelen over dit nieuwe wrakingsverzoek, omdat sprake is van zodanige feiten en omstandigheden dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden (artikelen 40 Rv, 517 Sv en 8:19 Awb).
De wrakingskamer heeft de raadsheer op 18 juni 2025 om een nadere toelichting op zijn verzoek gevraagd.
De raadsheer heeft op 20 juni 2025 meegedeeld te volstaan met zijn eerder gegeven motivering.
2. De beoordeling
Verschoning is een middel ter verzekering van de onafhankelijkheid en onpartijdigheid
van de rechter. Voorop dient te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die
zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij een
vooringenomenheid koestert, althans dat de bij deze partij dienaangaande bestaande vrees
objectief gerechtvaardigd is.
Uit de door de raadsheer gegeven onderbouwing van zijn verzoek valt geen duidelijke aanwijzing te ontlenen voor het oordeel dat hij niet onpartijdig is in de behandeling van het wrakingsverzoek. Daarbij is meegewogen dat de enkele omstandigheid dat een rechter betrokken is geweest bij een eerdere, soortgelijke zaak waarin verzoeker partij is, niet volstaat.
Het verzoek zal worden afgewezen, nu het onvoldoende onderbouwd is.
4. De beslissing
De wrakingskamer wijst het verzoek van de raadsheer zich mogen te verschonen van de behandeling van het wrakingsverzoek met zaaknummer 200.354.928/01 af.
Deze beslissing is op 24 juni 2025 gegeven door mr. A.R. Sturhoofd, mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en mr. P.F.E. Geerlings, in tegenwoordigheid van de griffier, en is ondertekend door de voorzitter en de griffier.