Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 14 juli 2022, 9 juli 2024 en 9 september 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft op 28 juli 2022 tussenarrest gewezen.
Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en haar raadsvrouw naar voren hebben gebracht.
Tenlastelegging
Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank en in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijzigingen is aan de verdachte tenlastegelegd dat:
primair
zij in of omstreeks de periode 7 mei 2018 tot en met 11 mei 2018 te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, een voorwerp, te weten een geldbedrag (27.649,81 euro) heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet en/of van een voorwerp, te weten een geldbedrag van (27.649,81 euro), gebruik heeft gemaakt en/of de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende was en/of wie dit voorwerp voorhanden had, terwijl zij wist en/of haar mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat dit voorwerp - onmiddellijk of middellijk - (mede) afkomstig was uit enig (eigen) misdrijf
subsidiair
althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat:
[persoon 1] en/of [persoon 2] en/of een of meer andere (onbekend gebleven) pers(o)on(en) in of omstreeks de periode 7 mei 2018 tot en met 11 mei 2018 te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, een voorwerp, te weten een geldbedrag (27.649,81 euro) heeft/hebben verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet en/of van een voorwerp, te weten een geldbedrag van (27.649,81 euro)d gebruik heeft/hebben gemaakt en/of de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft/hebben verborgen en/of verhuld en/of heeft/hebben verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende was en/of wie dit voorwerp voorhanden had, terwijl zij wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat dit voorwerp - onmiddellijk of middellijk - (mede) afkomstig was uit enig (eigen) misdrijf,
bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode 7 mei 2018 tot en met 11 mei 2018 te Amsterdam, althans in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, immers heeft verdachte opzettelijk (zonder enige reserve en/of gedurende langere tijd) aan/ten behoeve van die [persoon 1] en/of [persoon 2] en/of een of meer andere (onbekend gebleven) perso(o)n(en) een of meerdere van haar bankrekeningen (met bijbehorende pinpas en/of pincode en/of gegevens t.b.v. online bankieren met die bankrekeningen) ter beschikking gesteld.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de politierechter.
Bewijsoverweging
Standpunten van de advocaat-generaal en de verdediging
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het primair tenlastegelegde witwassen wordt bewezenverklaard.
De raadsvrouw van de verdachte heeft vrijspraak bepleit. Zij heeft daartoe aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat de verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat het geldbedrag van € 27.649,81 uit misdrijf afkomstig was. In dit verband heeft de raadsvrouw in het bijzonder verwezen naar de verklaringen van de verdachte en de getuige [persoon 2] over het gebruik van hun bankrekeningen door de getuige [persoon 1] .
Oordeel van het hof
Uit het dossier blijkt dat het geldbedrag van € 27.649,81 afkomstig is uit misdrijf, namelijk uit de oplichting van een Italiaans bedrijf door één of meer onbekend gebleven daders. Het geldbedrag is door dit bedrijf overgemaakt naar een bankrekening van de verdachte bij Bunq bank in plaats van een bankrekening van een leverancier van dit bedrijf.
De verdachte heeft verklaard dat [persoon 1] met haar toestemming gebruik heeft gemaakt van haar bankrekening om geld op te nemen. [persoon 1] zou een bedrag van ongeveer € 4.000,00 van haar oom ontvangen en zij zou op dat moment geen gebruik kunnen maken van haar eigen bankrekening. De verdachte heeft daarom op 11 mei 2018 haar portemonnee met bankpassen van haar rekeningen bij Bunq bank en Rabobank en de bijbehorende codes aan [persoon 1] gegeven. Op 12 of 13 mei 2018 heeft [persoon 1] de portemonnee teruggegeven. De verdachte beschikte niet over andere bankpassen dan die in haar portemonnee. Later kwam de verdachte erachter dat een veel groter bedrag dan € 4.000,00 op haar rekening bij Bunq bank was overgemaakt en dat een gedeelte van dat bedrag was overgemaakt naar [persoon 2] , een vriendin van de verdachte. Met het bedrag van € 2.649,81 dat [persoon 1] niet van de bankrekening bij Bunq bank had opgenomen, heeft de verdachte spullen gekocht voor [persoon 1] , aldus de verdachte.
Uit de bankafschriften van de rekening van de verdachte bij Bunq bank en Rabobank en van de rekening van [persoon 2] bij ING en SNS bank blijkt het volgende:
Hieruit volgt dat in de periode dat [persoon 1] in het bezit zou zijn geweest van de bankpassen van de verdachte een bedrag van € 2.649,81 en € 180,00, afkomstig van de oplichting, is achtergebleven op de rekeningen van de verdachte bij Bunq bank en Rabobank. Ook volgt hieruit dat van die bankrekeningen van de verdachte in die periode niet alleen geld is opgenomen, maar ook betalingen zijn gedaan bij het GVB Amsterdam en kledingwinkel [winkel] . Verder volgt hieruit dat, anders dan de verklaring van [persoon 2] dat het op haar bankrekening(en) overgemaakte geldbedrag is opgenomen (door [persoon 1] ), dit bedrag deels is overgemaakt naar een ander, deels is opgenomen (kort) nadat het is overgemaakt en deels op een bankrekening is blijven staan en pas later, verspreid over meerdere dagen, is opgenomen. [persoon 1] heeft als getuige de door de verdachte geschetste gang van zaken ontkend.
Het hof acht gelet op bovenstaande de verklaringen van de verdachte ongeloofwaardig en schuift deze terzijde. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat het, zonder nadere toelichting, niet aannemelijk is dat [persoon 1] , terwijl zij over de bankpassen van de verdachte zou hebben beschikt, niet al het geld naar andere rekeningen heeft overgeboekt maar een deel bij de verdachte laat die daar dan voor haar spullen van zou hebben gekocht. Verder neemt het hof in aanmerking dat er in de periode dat [persoon 1] over de bankpassen zou hebben beschikt niet alleen geldbedragen zijn overgeboekt maar ook als huishoudelijk aan te merken betalingen bij GVB en [winkel] zijn verricht, hetgeen er, nu de verdachte niet over andere bankpassen beschikte, op wijst dat de verdachte in die periode zelf in het bezit was van de bankpassen.
Het hof komt gelet op voorgaande tot het oordeel dat de verdachte wist dat het geld dat op haar rekening is gestort van misdrijf afkomst was. Dat brengt met zich dat het primair tenlastegelegde kan worden bewezenverklaard.
Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat uit het dossier onvoldoende blijkt dat sprake is van medeplegen, zodat de verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
zij op 11 mei 2018 te Amsterdam, een voorwerp, te weten een geldbedrag van 27.649,81 euro heeft verworven, voorhanden gehad en overgedragen, terwijl zij wist dat dit geldbedrag - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.
Hetgeen primair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het primair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het primair bewezenverklaarde levert op:
witwassen.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het primair bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
De politierechter heeft de verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde vrijgesproken.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 dagen hechtenis.
De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht om in de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het witwassen van € 27.649,81. Zij heeft dit geldbedrag, dat afkomstig was uit oplichting, op haar rekening ontvangen. Vervolgens zijn er vanaf die rekening betalingen gedaan, geldbedragen overgemaakt naar andere rekeningen en geldbedragen contant opgenomen. Niet is komen vast te staan dat de verdachte zelf bij de oplichting betrokken is geweest, maar desondanks is de verdachte door haar rekening ter beschikking te stellen een onmisbare schakel geweest in de oplichting. Het hof rekent dit de verdachte aan. Witwassen vormt een ernstige bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan.
Het feit is in 2018 gepleegd en blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 27 augustus 2025 is de verdachte niet eerder strafrechtelijk veroordeeld. Gelet hierop is het hof, met de advocaat-generaal, van oordeel dat het opleggen van een gevangenisstraf niet passend is. In beginsel acht het hof een taakstraf voor de duur van 140 uren passend en geboden.
Het hof stelt evenwel vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in hoger beroep is overschreden. Het openbaar ministerie heeft op 26 juli 2021 hoger beroep ingesteld en het hof spreekt dit arrest uit op 23 september 2025. Het gaat daarmee om een overschrijding van twee jaar en twee maanden. Vanwege de overschrijding ziet het hof aanleiding de straf te matigen, in die zin dat aan de verdachte zal worden opgelegd een taakstraf voor de duur van 120 uren.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C. Beuze, mr. A.P.M. van Rijn en mr. A.M. Koolen - Zwijnenburg, in tegenwoordigheid van mr. S. Geensen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 23 september 2025.
mr. S. Geensen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]