proces-verbaal van de mondelinge behandeling
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraken van de meervoudige burgerlijke kamer van het gerechtshof Amsterdam op maandag 19 mei 2025,
inzake
[appellant 1] ,
wonende te [plaats 1] ,
[appellant 2] ,
wonende te [plaats 1] ,
appellanten,
advocaat: mr. N.E. Reijnen te Hoorn,
tegen
[geïntimeerde] B.V.,
gevestigd te [plaats 2] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. A. Vaandering-Hoekstra te Alkmaar.
Partijen worden hierna [appellanten] en [geïntimeerde] genoemd.
Tegenwoordig zijn:
mr. H.T. van der Meer - voorzitter
mr. J.F. Aalders - raadsheer
mr. J.E. van der Werff - raadsheer
mr. B. Schogt - griffier
Na het uitroepen van de zaak zijn verschenen:
aan de zijde van [appellanten] :
- [appellant 1] en [appellant 2] , bijgestaan door mr. Reijnen en mr. J.P. Groen, advocaat te Alkmaar,
aan de zijde van [geïntimeerde] :
- [geïntimeerde] , bestuurder van [geïntimeerde] B.V., bijgestaan door mr. Vaandering-Hoekstra.
Het geding in hoger beroep
in de zaak 200.354.616/01
Bij vonnis van 22 april 2025 (hierna: het bestreden vonnis), onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellanten] als eisers en [geïntimeerde] als gedaagde, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, de vorderingen van [appellanten] afgewezen en [appellanten] in de proceskosten veroordeeld.
[appellanten] zijn bij dagvaarding, tevens houdende grieven, van 16 mei 2025 in hoger beroep gekomen van het bestreden vonnis. [appellanten] hebben geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en toewijzing van hun vorderingen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties.
[geïntimeerde] heeft een memorie van antwoord ingediend. [geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van [appellanten] in de kosten van het geding in hoger beroep.
in de zaak 200.354.761/01
Bij beschikking van 22 april 2025 (hierna: de bestreden beschikking), onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [geïntimeerde] als verzoekster en [appellanten] als gerekwestreerden, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, het verzoek van [geïntimeerde] toegewezen en [appellanten] in de proceskosten veroordeeld.
[appellanten] zijn bij beroepschrift van 14 mei 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. [appellanten] hebben – samengevat – het hof verzocht om:
met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties.
[geïntimeerde] heeft een verweerschrift ingediend en het hof verzocht om [appellanten] niet-ontvankelijk te verklaren, althans de bestreden beschikking te bekrachtigen met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [appellanten] in de kosten van het geding in beide instanties.
Tijdens de mondelinge behandeling van 19 mei 2025 hebben mr. Reijnen en mr. Vaandering-Hoekstra het woord gevoerd, mr. Reijnen aan de hand van spreekaantekeningen die aan het hof zijn overgelegd. Partijen hebben hun standpunten toegelicht en vragen van het hof beantwoord.
Van het verhandelde op de zitting zijn zittingsaantekeningen gemaakt, die zo nodig in een apart proces-verbaal worden uitgewerkt.
Na een schorsing en hervatting van de zitting heeft het hof in beide zaken mondeling uitspraak gedaan, die in dit proces-verbaal schriftelijk worden weergeven.
Beoordeling
in de zaak 200.354.761/01
in het incident ex artikel 351 Rv
1. [appellanten] hebben incidentele verzoeken als bedoeld in artikel 351 Rv ingediend. Deze verzoeken wordt afgewezen, omdat het hof vandaag uitspraak doet in de hoofdzaak en er daarom geen belang meer bestaat voor [appellanten] bij haar verzoeken in het incident.
in de hoofdzaak
2. Het hof vernietigt de bestreden beschikking waarbij de voorzieningenrechter koopovereenkomst tussen [geïntimeerde] en [bedrijf] met betrekking tot onderhandse verkoop van de woning voor een bedrag van € 462.750,00 heeft goedgekeurd. Daartoe is redengevend dat de rechtbank bij de behandeling van de zaak een zodanig fundamenteel rechtsbeginsel heeft veronachtzaamd dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken doordat niet alle beslagleggers op de woning, die op grond van artikel 3:268 BW als belanghebbenden moeten worden aangemerkt, zijn opgeroepen. Dit is door [appellanten] gesteld en door [geïntimeerde] onvoldoende betwist. In de bestreden beschikking is vermeld dat alleen de belanghebbenden die te kennen hebben gegeven gehoord te willen worden, zijn opgeroepen. Het hof zal om die reden het beroep in de hoofdzaak in behandeling nemen, omdat onder deze omstandigheden het wettelijk appelverbod wordt doorbroken.
3. Het hof wijst, opnieuw rechtdoende, alsnog het verzoek van [geïntimeerde] tot goedkeuring van de onderhandse verkoop van de woning voor een bedrag van € 462.750,00 aan [bedrijf] af. [geïntimeerde] heeft onvoldoende aangetoond dat de overeengekomen onderhandse verkoopprijs hoger is dan de te verwachten opbrengst via een executieveiling.
4. Op de verzoeken in hoger beroep van [appellanten] onder II en III wordt als volgt beslist.
5. De onder II verzochte staking van de executie wordt in deze procedure afgewezen omdat op dat verzoek (als vordering) wordt beslist in het spoedkort geding waarin het hof ook vandaag uitspraak doet, zodat geen belang bestaat bij een aparte beslissing in de onderhavige verzoekschriftprocedure.
6. Het hof begrijpt de gevorderde verklaring voor recht van [appellanten] onder III aldus dat deze vordering ziet op de situatie waarin de onderhandse verkoop doorgang zou vinden. Nu de beschikking van de voorzieningenrechter wordt vernietigd en de goedkeuring van de onderhandse verkoop alsnog is geweigerd, is er voor [appellanten] onvoldoende belang bij die vordering.
7. In het inleidend verzoekschrift heeft [geïntimeerde] subsidiair verzocht om een nieuwe veilingdatum vast te stellen. Het hof wijst dit verzoek toe, met verwijzing naar hetgeen hieronder is overwogen in het spoed kort geding en bepaalt de nieuwe veilingdatum op de eerste dag na 15 juni 2025 die is opgenomen in het veilingrooster van Randstad-Noord, zodat de veiling op behoorlijke wijze kan worden voorbereid en voldoende mogelijkheid bestaat voor een tussentijdse onderhandse verkoop.
Slotsom en proceskosten
8. De slotsom is dat grief 2 doel treft. De bestreden beschikking zal worden vernietigd. Nu het hof de bestreden beschikking vernietigt vanwege een omstandigheid die niet voor rekening van [geïntimeerde] komt, ziet het hof aanleiding om de proceskosten van de procedure in eerste aanleg te compenseren. [geïntimeerde] is in het hoger beroep in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep, waarbij geen punten worden berekend voor het incident. Het hof stelt deze kosten als volgt vast:
- griffierecht € 362,00
- salaris advocaat € 2.428,00 (tarief II, 2 punten)
Totaal € 2.790,00
in de zaak 200.354.616/01
9. Het hof ziet geen grond voor vernietiging van het bestreden vonnis. [geïntimeerde] heeft rechtmatig gehandeld bij de uitoefening van zijn bevoegdheid tot executie van de woning, omdat zij als hypotheekhouder recht heeft op terugbetaling van het door haar aan [appellanten] uitgeleende en door deze nog niet terugbetaalde bedrag.
10. Het hof weegt daarbij mee dat voorafgaand aan de executie ruimschoots overleg is geweest tussen partijen, zodat [appellanten] niet kunnen zijn overvallen door de executie van de woning. De tijd voor overleg is voldoende geweest, nu [geïntimeerde] op 24 mei 2024 kenbaar heeft gemaakt dat de looptijd van de lening op 4 december 2024 afliep en [geïntimeerde] de lening per die datum terugbetaald wenste te zien. Het hof heeft niet vast kunnen stellen dat sprake zou zijn van een (toegezegde) verlenging van de leningovereenkomst, zodat grief 2 faalt.
11. Bij gebrek aan een koopovereenkomst voor de woning voor de door [appellanten] gestelde taxatiewaarde en het ontbreken van een offerte tot herfinanciering ziet het hof – in de belangenafweging tussen het belang van [geïntimeerde] om zijn geld terug te krijgen en het belang van [appellanten] om hun woning te kunnen behouden – onvoldoende reden voor [geïntimeerde] om de executie te moeten staken. Ook de overige omstandigheden die [appellanten] hebben aangevoerd leiden niet tot een ander oordeel, zodat ook grief 3 niet slaagt.
12. Uit het voorgaande volgt dat grief 4, waarin [appellanten] opkomen tegen de proceskostenveroordeling in eerste aanleg, ook geen succes heeft. Grief 5 is een veeggrief en heeft geen zelfstandige betekenis. Nu het hof vandaag ook uitspraak doet in het hoger beroep van de verzoekschriftprocedure, wordt niet aan de voorwaarden voldaan waaronder de met grief 6 beoogde eiswijziging is ingesteld zodat ook deze grief niet slaagt.
13. Aan het door [appellanten] in hoger geroep gedane bewijsaanbod gaat het hof voorbij nu een kort geding zich niet leent voor nadere bewijslevering.
Slotsom en proceskosten
14. De slotsom is dat de grieven geen doel treffen. De primaire vordering van [appellanten] moet worden afgewezen. Nu het hof in het hoger beroep in de verzoekschriftprocedure eveneens vandaag uitspraak doet, hebben [appellanten] geen belang meer bij hun subsidiaire vordering zodat ook die zal worden afgewezen.
15. [appellanten] zijn in het hoger beroep in het ongelijk gesteld en zullen daarom worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep. Het hof stelt deze kosten als volgt vast:
- griffierecht € 827,00
- salaris advocaat € 2.428,00 (tarief II, 2 punten)
Totaal € 3.255,00
Beslissing
Het hof:
in de zaak 200.354.761/01
in het incident ex artikel 351 Rv
wijst af de verzoeken van [appellanten] ;
in de hoofdzaak
1. vernietigt de bestreden beschikking:
2. opnieuw rechtdoende:
a. wijst af het verzoek van [geïntimeerde] tot goedkeuring van de onderhandse verkoop van de woning;
b. bepaalt op grond van artikel 548 lid 4 Rv dat de nieuwe datum voor de veiling wordt vastgesteld op de eerste dag na 15 juni 2025 rekening houdend met het veilingschema voor de regio Randstad-Noord en de wettelijke termijnen;
c. compenseert de proceskosten van de procedure in eerste aanleg in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
3. wijst af de overige verzoeken van [appellanten] in hoger beroep;
4. veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [appellanten] begroot op € 2.790,00;
5. verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
in de zaak 200.354.616/01
1. bekrachtigt het bestreden vonnis;
2. veroordeelt [appellanten] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 3.255,00;
3. verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal dat conform artikel 29a lid 3 Rv is ondertekend door de voorzitter.
--------------------------------
voorzitter