ECLI:NL:GHAMS:2025:3763

ECLI:NL:GHAMS:2025:3763

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 23-12-2025
Datum publicatie 24-02-2026
Zaaknummer 24/3535
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBNHO:2024:8777

Samenvatting

Het Hof vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep niet-ontvankelijk; geen sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 24/3535

23 december 2025

uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,

alsmede

op het incidenteel hoger beroep van

[X] B.V., gevestigd te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: mr. J.D. Roeland)

tegen de uitspraak van 11 juli 2024 in de zaak met kenmerk HAA 23/2239 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur.

1. Procesverloop

In de bestreden uitspraak heeft de rechtbank als volgt beslist op het beroep over de aan belanghebbende opgelegde aanslag vennootschapsbelasting (Vpb) en de gelijktijdig gegeven verliesvaststellingsbeschikking in de zin van artikel 20b Wet Vpb (de verliesbeschikking) voor het jaar 2015 (in de uitspraak van de rechtbank wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiseres’ en de inspecteur als ‘verweerder’):

“De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de uitspraak op bezwaar;

stelt de aanslag Vpb 2015 vast naar een belastbare winst van € -/- 1.364.682 en stelt de verliesbeschikking Vpb 2015 vast op een verlies van € 1.364.682;

bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.370, en

draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 365 aan eiseres te vergoeden.”

De inspecteur heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft incidenteel hoger beroep ingesteld. De inspecteur heeft een zienswijze omtrent het incidenteel hoger beroep naar voren gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 november 2025. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt die met deze uitspraak wordt meegezonden.

2. Feiten

De inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 16 november 2019 voor het jaar 2015 een aanslag Vpb naar een belastbaar bedrag van € 0 opgelegd (de aanslag). Op hetzelfde biljet is bij de verliesbeschikking het verlies over het jaar 2015 op € 0 vastgesteld.

Belanghebbendes gemachtigde (hierna ook: de gemachtigde) heeft op 2 december 2019 een bezwaarschrift ingediend. In het bezwaarschrift staat onder meer het volgende:

“Hierbij maak ik namens [belanghebbende] (…), bezwaar tegen de aanslag vennootschapsbelasting 2015, (…), en de verliesbeschikking van € 0.

(…)

Verlies over die periode dient te worden vastgesteld conform de aangifte, € 6.881.548.”

De inspecteur heeft uitspraak op het bezwaar gedaan. De uitspraak is gedagtekend 16 december 2022 en is op 19 december 2022 per post en op 20 december 2022 per e-mail aan de gemachtigde verzonden. In de uitspraak op bezwaar is als volgt beslist:

“Gegeven het hiervoor vermelde, kom ik gedeeltelijk aan uw bezwaar tegemoet.

Zoals reeds in mijn brief van 10 juni 2022 vermeld, volg ik de in de aangifte vennootschapsbelasting 2015 verantwoorde kosten schulden groepsmaatschappijen ad EUR 1.249.000.

Ik handhaaf echter de door de inspecteur aangebrachte correctie van EUR 5.561.000 betreffende de in de aangifte vennootschapsbelasting 2015 verantwoorde contractual termination fees. Zoals hiervoor betoogd, leidt het hoorgesprek van 1 juli 2022 niet tot een andere conclusie en blijf ik van mening dat de contractual termination fees ad EUR 5.561.000 niet tot een aftrekbare last leiden op het niveau van de tot de fiscale eenheid [X] BV behorende [A] noch op het niveau van de fiscale eenheid-moeder [X] BV.

Dit betekent dat de nieuwe belastbare winst c.q. het nieuwe belastbare bedrag als volgt wordt vastgesteld:

Boekjaar 2015 EUR

Belastbare winst aangifte vpb -/- 6.881.548

Correctie:Bij: correctie contractual termination fees 5.561.000

Nieuw vastgestelde belastbare winst -/- 1.320.548

Het verzoek om vergoeding van de proceskosten wordt afgewezen.

U kunt tegen de beslissing op het bezwaar en de afwijzing van de proceskostenvergoeding in beroep gaan bij de rechtbank, In de bijgevoegde toelichting leest u hoe u dit kunt doen.”

In de e-mail van de inspecteur van 20 december 2022 aan de gemachtigde staat:

“Bijgevoegd treft u aan mijn brief inzake het bezwaar tegen de aanslag vpb 2015 ten name van [belanghebbende].De brief is ook reeds per reguliere post verstuurd.”

De gemachtigde heeft op 10 januari 2023 op deze e-mail als volgt geantwoord:

“Dank voor uw mail, heb met cliënt besproken dat de belastingdienst van mening is dat de termination fees niet aftrekbaar zijn. Client zal hiertegen in beroep gaan bij de rechtbank.”

Met dagtekening 7 januari 2023 heeft de inspecteur aan belanghebbende de brief “Vermindering aanslag” verzonden. Op de voorzijde staat:

“Te verrekenen / terug te geven € 0

Berekening vermindering definitieve aanslag

Vastgestelde belastbare winst € - 1.320.548

Vastgesteld belastbaar bedrag € - 1.320.548

(…)

Nieuw vastgesteld te betalen € 0

Eerder vastgesteld te betalen af € 0

Te verrekenen /terug te geven € 0

Deze belastingaanslag is vastgesteld namens de inspecteur van uw belastingkantoor.”

Op de achterzijde staat:

“Uitspraak op bezwaarschrift

U heeft een bezwaarschrift ingediend tegen de beschikking vaststelling verlies vennootschapsbelasting van dit boekjaar, nummer 8554.04.656.V.56.0706. Indien u naar aanleiding van dit bezwaar bent gehoord, is u hiervan afzonderlijk een verslag gestuurd.

De vaststelling verlies vennootschapsbelasting van dit boekjaar wordt hierbij gewijzigd. De nieuwe berekening staat elders op dit formulier.

Mededeling nog verrekenbare verliezen:

Het totaalbedrag van de niet verrekende verliezen bedraagt thans € 6.430.986. Dit is het totaalbedrag van de niet verrekende verliezen waarvoor de verrekeningstermijn nog niet is verstreken in het eerstvolgende jaar waarover u een aanslag of navorderingsaanslag zult ontvangen.

Let op: De verrekening van verliezen is gebonden aan wettelijke termijnen en voorwaarden. Deze mededeling is geen voor bezwaar vatbare beschikking.

Als het gaat om een kennisgeving Een kennisgeving brengt u op de hoogte van een verleende (ambtshalve) vermindering of (ambtshalve) teruggaaf. Tegen deze kennisgeving kunt u geen bezwaar maken. Als u het niet eens bent met het terug te geven bedrag, kunt u ons schriftelijk verzoeken dit bedrag te wijzigen. (…)

Als het gaat om een beschikking

Bent u het niet eens met deze beschikking, dan kunt u bezwaar maken. (…) Bent u het niet eens met een voorlopige aanslag, vraag ons dan om deze te wijzigen. Meer informatie leest u op belastingdienst.nl.

Als het gaat om een uitspraak op een bezwaar

Tegen een uitspraak op een bezwaar kunt u bij de rechtbank in beroep gaan. Dat moet u binnen zes weken na de datum van de dagtekening van deze uitspraak doen. Hoe u in beroep kunt gaan en bij welke rechtbank leest u op belastingdienst.nl.”

Op 13 februari 2023 stuurt belanghebbende de volgende brief aan de inspecteur:

“Bezwaar tegen (vermindering) aanslag vennootschapsbelasting 2015

Geachte heer/mevrouw,

Namens onze client [belanghebbende], maak ik onder nader aan te voeren gronden bezwaar tegen (de vermindering van) de aanslag vennootschapsbelasting 2015 d.d. 7 januari 2023 met aanslagnummer (…). Omdat de belastbare winst te hoog (c.q. verlies te laag) is vastgesteld, welke belastbare winst (c.q. verlies) dient te worden vastgesteld overeenkomstig de ingediende aangifte vennootschapsbelasting 2015.”

De inspecteur ontvangt deze brief op 15 februari 2023 en stuurt de brief na overleg met de gemachtigde als beroepschrift door aan de rechtbank.

Met dagtekening 15 mei 2023 heeft de gemachtigde het beroepschrift nader gemotiveerd. Onder “Inleiding en procesgang” schrijft hij:

“1.3. Op 29 november 2019 heeft [belanghebbende] bezwaar gemaakt tegen de Aanslag, zowel tegen het vastgestelde belastbare bedrag van nihil als de verliesbeschikking van nihil (het “Bezwaar”). (…)

(…)1.6. Op 16 december 2022 heeft de Belastingdienst uitspraak op bezwaar gedaan (de “Uitspraak op Bezwaar”). (…)(…)1.7. Bij Vermindering Aanslag d.d. 7 januari 2023 heeft de Belastingdienst het belastbare bedrag van [belanghebbende] over het tijdvak van 1 juli tot en met 31 december 20215 conform de Uitspraak op Bezwaar bij aanslag verminderd van nihil naar -/- EUR 1.320.548 (“Vermindering Aanslag”) (Bijlage 2). De Aanslag bevat tevens een voor bezwaar vatbare verliesbeschikking naar een bedrag van nihil.

Op 13 februari 2023 heeft [belanghebbende] onder nader aan te voeren gronden bezwaar gemaakt tegen het Vermindering Aanslag (“Bezwaar 2”). (Bijlage 8).”

3. Geschil in principaal en incidenteel hoger beroep

In het principale hoger beroep is primair in geschil de ontvankelijkheid van het beroep.

Indien het beroep ontvankelijk is, is zowel in het principale als het incidentele hoger beroep in geschil of de verliesbeschikking voor het jaar 2015 tot het juiste bedrag is vastgesteld.

4. Overwegingen van de rechtbank

De rechtbank heeft over de ontvankelijkheid van het beroep het volgende overwogen:

“Ontvankelijkheid van het beroep

52. Verweerder stelt dat het beroep, als niet tijdig ingediend, niet ontvankelijk dient te worden verklaard. De uitspraak op bezwaar is gedagtekend 16 december 2022 en bevat een juiste rechtsmiddelenverwijzing. Daarmee is de bezwaarfase geëindigd. De vermindering van de aanslag, gedagtekend 7 januari 2023, kan dan ook niet worden aangemerkt als een tweede uitspraak op bezwaar, aldus verweerder. Nu de uitspraak op bezwaar is verzonden op 19 december 2022 is de eerst op 15 februari 2023 ingediende, 13 februari 2023 gedagtekende, brief van verweerder buiten de wettelijke termijn, die eindigde op 31 januari 2023, ingediend.

53. De rechtbank overweegt als volgt. Voor het indienen van een beroepschrift geldt een termijn van zes weken (artikel 6:7 van de Awb). Deze termijn begint op de dag na de dagtekening van de uitspraak op bezwaar dan wel de dag van verzending indien dit later is (artikel 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen). De uitspraak op bezwaar is gedagtekend 16 december 2022 en verzonden op 19 december 2022. Het stelsel van wettelijke bepalingen die het beroep in belastingzaken regelt, brengt mee dat met het doen van uitspraak op bezwaar de bezwaarfase eindigt (HR 20 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT1516 en HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ3875). De vermindering van de aanslag gedagtekend 7 januari 2023 kan daarom niet worden aangemerkt als (tweede) uitspraak op bezwaar.

54. De mededeling van 7 januari 2023 kan ook niet als de (eerste) verliesbeschikking voor het jaar 2015 worden aangemerkt zoals eiseres betoogt. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag Vpb 2015. In zijn arrest van 15 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU8169 heeft de Hoge Raad het volgende overwogen:

“In een geval waarin de inspecteur een aanslag oplegt naar een positief belastbaar bedrag, ligt in die aanslag besloten de beschikking dat het verlies van dat jaar nihil bedraagt. Wordt tegen een dergelijke aanslag bezwaar gemaakt en wordt die aanslag bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd of verminderd tot een lager positief bedrag, dan ligt in die uitspraak op dat bezwaar ook de beslissing besloten om de in de aanslag besloten liggende beschikking inzake het verlies te handhaven.”

Bij de aanslag Vpb 2015 was de belastbare winst op nihil vastgesteld. In de uitspraak op bezwaar van 16 december 2022 zijn de belastbare winst en het belastbaar bedrag voor het jaar 2015 vastgesteld op € -/- 1.320.548. Hierin ligt, gelet op het hiervoor aangehaalde arrest, besloten een uitspraak op het bezwaar tegen de oorspronkelijke verliesbeschikking waarin het verrekenbare verlies op nihil was bepaald. De mededeling vermindering aanslag van 7 januari 2023 bevat daarom (ook gelet op hetgeen is overwogen in 53) geen verliesbeschikking waartegen bezwaar of beroep openstaat.

55. Een beroepschrift is tijdig ingediend wanneer het voor het einde van de termijn door de rechtbank is ontvangen. Dat is hier dus niet het geval zoals uit hetgeen hiervoor is weergegeven volgt. Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift de niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2663 het volgende overwogen:

“2.4.2. De aard van de beroepstermijn, die meebrengt dat deze op straffe van niet-ontvankelijkverklaring in acht behoort te worden genomen, staat eraan in de weg dat het betrokken bestuursorgaan van een beroep op overschrijding van die termijn afstand zou kunnen doen of de duur van de termijn zou kunnen wijzigen (zie HR 20 november 1996, nr. 31827, ECLI:NL:HR:1996:AA1755, BNB 1997/23). Dat sluit echter niet uit dat zich de situatie voordoet dat een belanghebbende aan een uitlating van het bestuursorgaan het vertrouwen mag ontlenen dat hij zijn beroepschrift nog na afloop van de wettelijke beroepstermijn kan indienen, zodat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat hij in verzuim is geweest en niet-ontvankelijkverklaring achterwege moet blijven. Daartoe is vereist dat de belanghebbende van die uitlating kennis neemt binnen de wettelijke beroepstermijn (vgl. 22 november 2000, nr. 35601 , ECLI:NL:HR:2000:AA8419, BNB 2001/28).

2.4.3. De uitspraak van 18 februari 2013, waarbij het door belanghebbende gemaakte bezwaar (ten onrechte) niet-ontvankelijk werd verklaard, heeft te gelden als de uitspraak op bezwaar waartegen beroep openstond gedurende zes weken.

Gelet op de dagtekening van het geschrift van de Inspecteur van 4 maart 2013 moet het ervoor worden gehouden dat belanghebbende binnen voormelde beroepstermijn van dat geschrift heeft kennisgenomen. Aan dat geschrift mocht hij – mede gelet op de daarin opgenomen rechtsmiddelverwijzing met een nieuwe termijn van zes weken - het vertrouwen ontlenen dat hij tot zes weken na de toezending van dat geschrift beroep bij de Rechtbank kon instellen. Onder deze omstandigheden kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat belanghebbende in verzuim is geweest, aangezien zijn beroepschrift binnen de laatstvermelde termijn door de Rechtbank is ontvangen.”

56. De rechtbank is van oordeel dat ook in het onderhavige geval sprake is van een dergelijke verschoonbare termijnoverschrijding. Vaststaat immers dat de uitspraak op het bezwaar van 16 december 2022 – waarvan de beroepstermijn eindigde op 31 januari 2023 – binnen de beroepstermijn is gevolgd door een brief vermindering aanslag, gedagtekend 7 januari 2023, waarop op de achterzijde is vermeld ‘uitspraak op bezwaarschrift’. De rechtbank acht het aannemelijk dat het aldus vóór de afloop van de beroepstermijn toezenden van een brief door verweerder met wederom de vermelding ‘uitspraak op bezwaarschrift’ bij gemachtigde het vertrouwen heeft gewekt dat de beroepstermijn is gaan lopen op 7 januari 2023. Dit temeer nu ook in de toelichting op deze beschikking is opgenomen dat ‘tegen deze uitspraak op bezwaarschrift’ binnen zes weken na dagtekening van de uitspraak tijdig een beroepschrift bij de rechtbank kan worden ingediend. Aangezien het terecht als beroepschrift aangemerkte stuk van eiseres op 15 februari 2023 is ingekomen bij verweerder, derhalve binnen zes weken na de dagtekening van de mededeling van 7 januari 2023, is de rechtbank van oordeel dat redelijkerwijs niet kan worden gesteld dat eiseres in verzuim is geweest, waardoor op grond van artikel 6:11 van de Awb niet-ontvankelijkverklaring achterwege dient te blijven (vgl. gerechtshof Amsterdam, 25 juni 2002, ECLI:NL:GHAMS:2002:AE5167). Dat gemachtigde een professionele procespartij is, zoals verweerder betoogt, maakt het vorenstaande niet anders.”

5. Beoordeling van het geschil

In hoger beroep zijn partijen het erover eens dat de inspecteur op 16 december 2022 uitspraak op bezwaar inzake de verliesbeschikking voor het jaar 2015 heeft gedaan, dat daarmee de bezwaarfase is geëindigd en dat belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar niet tijdig beroep bij de rechtbank heeft ingesteld. Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of de rechtbank de termijnoverschrijding terecht verschoonbaar heeft geacht.

Volgens artikel 6:11 Algemene wet bestuursrecht (Awb) blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op die grond achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

Per geval moet worden beoordeeld of van deze belanghebbende onder de gegeven omstandigheden in redelijkheid kon worden gevergd om tijdig beroep in te stellen. De bestuursrechter heeft enige ruimte om in gevallen waarin de verwijtbaarheid met betrekking tot de niet-tijdige indiening van het beroepschrift gering is, die termijnoverschrijding niet aan de indiener toe te rekenen. Of sprake is van geringe verwijtbaarheid is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij kunnen factoren zoals de hoedanigheid en de mate van deskundigheid van de indiener een rol spelen, en kan ook betekenis toekomen aan andere factoren zoals de informatie die het bestuursorgaan aan de indiener heeft verstrekt en de voortvarendheid waarmee de betrokkene alsnog bezwaar of beroep heeft ingesteld (Hoge Raad 19 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:625).

Het Hof volgt niet het oordeel van de rechtbank (r.o. 56) dat de termijnoverschrijding in dit geval verschoonbaar is, en overweegt daartoe als volgt.

Gelijktijdig met het opleggen van de aanslag heeft de inspecteur de verliesbeschikking vastgesteld. De gemachtigde heeft namens belanghebbende daartegen bezwaar gemaakt en heeft bij het instellen van dat bezwaar expliciet “de verliesbeschikking” als onderdeel van dat bezwaar genoemd (zie 2.2).

Op 16 december 2022 doet de inspecteur uitspraak op dit bezwaar, stelt het verlies vast op het nieuwe bedrag en vermeldt daarbij correct dat belanghebbende tegen die beslissing in beroep kan gaan bij de rechtbank (zie 2.3). De gemachtigde van belanghebbende heeft op het e-mailbericht van de inspecteur met deze uitspraak ook nog geantwoord dat zijn cliënt hiertegen in beroep zou gaan bij de rechtbank (zie 2.5). Dit bericht is gesteld in de toekomstige tijd, zodat er geen misverstand over kan bestaan dat niet dit antwoord zelf het beroepschrift inhield, maar dat een beroep nog zou volgen. Een tijdig beroep is echter uitgebleven.

De brief “Vermindering aanslag” van 7 januari 2023 (zie 2.6) kon naar het oordeel van het Hof bij (de gemachtigde van) belanghebbende redelijkerwijs niet het vertrouwen wekken dat hiertegen beroep open stond en dat daarom tegen de “echte” uitspraak op bezwaar geen beroep hoefde te worden ingesteld. De tekst op de voorzijde van de brief vermeldt nergens en geeft ook anderszins niet de indruk van een uitspraak op bezwaar. Mede gelet op de voorzijde, kon de tekst op de achterzijde van het biljet die is bedoeld om informatie te geven over aan te wenden rechtsmiddelen in een veelheid aan situaties, redelijkerwijs niet zo worden opgevat dat het in dit geval toch om een uitspraak op bezwaar gaat, waartegen beroep open stond. Een professioneel handelende rechtsbijstandsverlener als de gemachtigde moet ook weten dat het niet mogelijk is om – na een op het bezwaar gedane uitspraak – nogmaals uitspraak op bezwaar te doen (Hoge Raad 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1132).

Bovendien volgt uit de feiten dat (de gemachtigde van) belanghebbende niet in de veronderstelling verkeerde dat tegen de “Vermindering aanslag” van 7 januari 2023 beroep open stond. Hij heeft immers geen beroep ingesteld, maar een “tweede bezwaarschrift” bij de inspecteur ingediend (zie 2.7 en 2.9). De inspecteur heeft het bezwaarschrift vervolgens aan de rechtbank doorgezonden om het als beroepschrift in behandeling te nemen.

Gelet op het in 5.4.1 tot en met 5.4.5 overwogene, acht het Hof de termijnoverschrijding bij het – via het doorzenden van het bezwaarschrift door de inspecteur – instellen van beroep in meer dan geringe mate verwijtbaar aan de indiener daarvan. Aangezien de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is had de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk moeten verklaren.

Slotsom

Het hoger beroep van de inspecteur is reeds hierom gegrond. Aan de overige gronden van het principale en het incidentele hoger beroep komt het Hof bij deze stand niet toe. Het Hof zal de uitspraak van de rechtbank vernietigen en het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

6. Kosten

Het Hof vindt geen aanleiding voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Awb in verbinding met artikel 8:108 van die wet.

7. Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank, en

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

De uitspraak is gedaan door mrs. J-P.R. van den Berg, voorzitter, W.J. Blokland en M. Ferrier, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. J.H.E. Breman als griffier. De beslissing is op 23 december 2025 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Toelichting rechtsmiddelverwijzing

Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.

Digitaal procederen

Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.

Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.

Per post procederen

Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl V-N Vandaag 2026/1800
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand