ECLI:NL:GHAMS:2025:3790

ECLI:NL:GHAMS:2025:3790

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 20-11-2025
Datum publicatie 03-03-2026
Zaaknummer 23-002409-23
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBNHO:2023:9967

Samenvatting

Ontneming hennepteelt.

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 23-002409-23 (ontneming)

Datum uitspraak: 20 november 2025

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 29 augustus 2023 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) in de ontnemingszaak met parketnummer 15-098562-21 tegen de betrokkene:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1981,

adres: [adres] .

Procesgang

Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat, wordt vastgesteld op € 264.273,00 en aan de betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag.

De rechtbank Noord-Holland heeft bij vonnis van 29 augustus 2023 het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 248.076,21 en aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van € 235.672,40.

Namens de betrokkene is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 6 november 2025 en het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de betrokkene en zijn raadsman naar voren hebben gebracht.

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.

Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat op een bedrag van € 248.076,21. Daartoe heeft hij aangevoerd dat voldoende aanwijzingen bestaan dat de betrokkene voordeel heeft verkregen uit twaalf hennepoogsten in de periode van 1 juli 2016 tot 10 september 2020. Hierbij heeft de advocaat-generaal het door de betrokkene aan energieleverancier/netwerkbeheerder [bedrijf] N.V. betaalde bedrag van € 16.196,79 afgetrokken van het door de betrokkene verkregen voordeel.

Standpunt van de verdediging

De raadsman van de betrokkene heeft zich primair op het standpunt gesteld dat geen sprake is van wederrechtelijk verkregen voordeel en subsidiair dat dit voordeel moet worden geschat op een bedrag van € 10.511,56. Daartoe heeft hij het volgende aangevoerd. Er bestaan voldoende aanwijzingen voor niet meer dan drie oogsten in de periode van oktober 2019 tot 10 september 2020. Daarvan heeft één oogst voordeel opgeleverd. Het door de betrokkene aan [bedrijf] betaalde bedrag van € 16.196,79 moet geheel dan wel gedeeltelijk worden afgetrokken van dat voordeel. Meer subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat op een bedrag van € 164.478,41 op basis van tien oogsten in de periode van 22 maart 2018 en 10 september 2020. Deze periode komt overeen met de in de strafzaak door de rechtbank bewezenverklaarde periode van diefstal van elektriciteit.

Oordeel van het hof

Grondslag

De betrokkene is bij vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 29 augustus 2023 onherroepelijk veroordeeld voor onder meer het telen van 202 hennepplanten op 10 september 2020. Daarnaast is hij veroordeeld voor diefstal van elektriciteit in de periode van 22 maart 2018 tot 10 september 2020.

Op grond van artikel 36e, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht kan de verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel worden opgelegd aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit en voordeel door dat feit of uit de baten daarvan heeft verkregen. Ook kan wederrechtelijk voordeel verkregen uit andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de betrokkene zijn begaan, worden ontnomen.

Het hof is van oordeel dat voldoende aanwijzingen bestaan dat de betrokkene andere strafbare feiten heeft begaan, namelijk het telen van hennepplanten in de periode van twee jaar vóór 10 september 2020. Dat blijkt uit de volgende feiten en omstandigheden:

Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat de stelling in de Meld Misdaad Anoniem melding van 21 augustus 2020 dat de kwekerij op dat moment al meer dan vier jaar bestond, onvoldoende steun vindt in de andere in het dossier genoemde indicatoren van eerdere oogsten. Weliswaar heeft een aantal van de in de kwekerij gebruikte (bouw)materialen een productiedatum uit 2015, maar daaruit volgt niet zonder meer dat de kwekerij toen is opgebouwd. Anders dan de verdediging, acht het hof het onaannemelijk dat de verdachte (pas) in oktober 2019 is begonnen met het telen van hennep, gelet in het bijzonder op de hiervoor beschreven vervuiling van de kwekerij en de verklaringen van buurtbewoners.

Berekening wederrechtelijk verkregen voordeel

Het hof is verder van oordeel dat voldoende aanwijzingen bestaan dat in de periode van twee jaar vóór 10 september 2020 acht kweken hebben plaatsgevonden, waarvan de laatste kweek niet tot een oogst heeft geleid doordat de politie de hennepkwekerij heeft ontdekt. Hierbij gaat het hof uit van tien weken per oogst en van vier oogsten per jaar. Dat brengt mee dat de betrokkene voordeel heeft verkregen uit zeven oogsten.

Bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel per oogst sluit het hof aan bij de berekening in het ontnemingsrapport.

De opbrengst kan worden geschat op € 23.776,29 per oogst. De berekening is als volgt: 202 hennepplanten x 24,1 gram hennep per plant x 1,2 (20% meeropbrengst) x € 4,07 per gram hennep (op basis van 23 planten per vierkante meter en toevoeging van CO2). De opbrengst van zeven oogsten bedraagt dan € 166.434,03 (€ 23.776,29 x 7).

De kosten kunnen worden geschat op € 1.753,38 per oogst. De berekening is als volgt: € 200,00 afschrijvingskosten + € 769,62 hennepstekken + € 783,76 variabele kosten. De kosten van zeven oogsten bedragen dan € 12.273,66 (€ 1.753,38 x 7).

Daarnaast zal het hof een deel van het door de betrokkene aan [bedrijf] betaalde bedrag van € 16.196,79 aftrekken van de opbrengst, namelijk een bedrag van € 8.552,37. De berekening is als volgt:

191.036 kWh : 12 oogsten x € 0,04999 per kWh = € 795,82 per oogst;

2. € 795,82 € 795,82 x 7 oogsten = € 5.570,74;

2. € 795,82 € 5.570,74 + € 2.981,63 capaciteitstarief E = € 8.552,37.

Het restant van het door de betrokkene aan [bedrijf] betaalde bedrag, waaronder het bedrag van € 2.949,01 aan herstelkosten, komt naar het oordeel van het hof niet in aanmerking voor aftrek. Dat bedrag bestaat immers niet uit kosten die rechtstreeks in verband staan met het begaan van de strafbare feiten die ten grondslag liggen aan de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Het wederrechtelijk verkregen voordeel kan dan worden geschat op € 145.608,00 (€ 166.434,03 –

€ 12.273,66 – € 8.552,37).

Verplichting tot betaling aan de Staat

Het hof stelt vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden met ongeveer vier maanden in eerste aanleg en ongeveer drie maanden in hoger beroep. Het hof zal daarom een bedrag van € 5.000,00 in mindering brengen op het hiervoor genoemde bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel.

Aan de betrokkene dient, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 140.608,00 (€ 145.608,00 - € 5.000,00).

Toepasselijk wettelijk voorschrift

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 145.608,00 (honderdvijfenveertig duizend zeshonderdacht euro).

Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 140.608,00 (honderdveertig duizend zeshonderdacht euro).

Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C. Beuze, mr. J.L. Bruinsma en mr. H.A. Stalenhoef, in tegenwoordigheid van mr. G.G. Gielen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 20 november 2025.

Mrs. Gielen en Stalenhoef zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. G.G. Gielen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand