GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
zaaknummer : 200.357.809/01
zaaknummer rechtbank : C/13/731810 / HA RK 23-108
beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 29 oktober 2025
inzake
1. [appellant 1] ,
wonende te [plaats 1] ,
2. [appellant 2],
wonende te [plaats 2] ,
3. [appellant 3],
gevestigd te [plaats 3] ,
appellanten tevens eisers in de incidenten,
advocaat: mr. G.C. Endedijk te Amsterdam,
tegen
1. [geïntimeerde] ,
wonende te [plaats 4] ,
geïntimeerde, tevens verweerster in de incidenten,
advocaat: mr. S. Knottnerus te Amsterdam,
belanghebbenden:
1. [belanghebbende 1] ,
gevestigd te [plaats 3] ,
advocaat: mr. M.P.H. Sanders te Amsterdam,
2. [belanghebbende 2],
gevestigd te [plaats 5] ,
advocaat: mr. J Stikkelbroeck te Amsterdam,
3. [belanghebbende 3],
wonende te [plaats 1] ,
advocaat: mr. S. Knottnerus te Amsterdam,
4. [belanghebbende 4],
wonende te [plaats 7] ,
advocaat: mr. A.M. van Riemsdijk te Bilthoven,
5. [belanghebbende 5],
wonende te [plaats 6] ,
advocaat: mr. J Stikkelbroeck te [plaats 3] ,
6. [belanghebbende 6],
kantoorhoudende te [plaats 3] .
Partijen worden hierna als volgt aangeduid:
- appellanten, tevens eisers in de incidenten, als respectievelijk [appellanten] , [appellant 2] en [geïntimeerde] en tezamen als [appellanten] ;
- geïntimeerde, tevens verweerster in de incidenten als [naam] ;
- de belanghebbenden als [belanghebbende 1] , [belanghebbende 2] , [belanghebbende 3] , [belanghebbende 4] , [belanghebbende 5] en [belanghebbende 6] ;
- [naam] , [belanghebbende 2] , [belanghebbende 3] en [belanghebbende 5] tezamen als [belanghebbenden]
1. Het geding in hoger beroep
[appellanten] zijn bij beroepschrift tevens houdende verzoek (1) tot voeging en (2) incidentele verzoeken strekkende tot het treffen van voorzieningen (met producties), ontvangen ter griffie van het hof op 5 augustus 2025, in hoger beroep gekomen van de beschikking die de rechtbank Amsterdam op 15 mei 2025 onder bovenvermeld zaaknummer heeft gegeven.
[naam] en [belanghebbende 3] , [belanghebbende 2] en [belanghebbende 5] , en [belanghebbende 1] hebben verweerschriften (met producties) ingediend inzake het verzoek tot voeging en de incidentele verzoeken.
Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling van 22 oktober 2025 hun standpunten inzake het verzoek tot voeging en de incidentele verzoeken laten toelichten door hun advocaten, aan de hand van spreekaantekeningen die zijn overgelegd. Bij die gelegenheid hebben [naam] en [belanghebbende 3] een aanvullende productie overgelegd en hebben [belanghebbende 2] en [belanghebbende 5] twee aanvullende producties overgelegd.
Tijdens de mondelinge behandeling hebben [appellanten] hun verzoek tot voeging ingetrokken.
Ten slotte is uitspraak bepaald.
[appellanten] verzoeken voor zover nog van belang bij wijze van voorlopige voorziening (art. 223 Rv):
(1) [belanghebbenden] voor de duur van het geding, te verbieden in de vergadering van certificaathouders te besluiten tot decertificering en ontbinding van [geïntimeerde] ;
(2) [naam] voor de duur van het geding te schorsen als bestuurder van [geïntimeerde] , voor zover het hof zou menen dat zij thans nog [geïntimeerde] -bestuurder is.
Wat betreft de incidentele verzoeken concluderen [belanghebbenden] tot afwijzing daarvan en concluderen [belanghebbende 1] en [belanghebbende 4] tot toewijzing daarvan.
2. Feiten
Het hof gaat voor de beoordeling van de incidentele verzoeken uit van de volgende feiten.
[geïntimeerde] houdt de aandelen in het kapitaal van [belanghebbende 1] . [geïntimeerde] heeft 3.200 certificaten van deze aandelen uitgegeven, die in gelijke delen worden gehouden door [belanghebbende 2] en de familie [belanghebbende 3] . [belanghebbende 2] houdt 1.600 certificaten, [naam] houdt 1.596 certificaten, en [belanghebbende 3] en [belanghebbende 4] houden ieder twee certificaten.
[appellanten] , [appellant 2] en [naam] zijn de bestuurders van [geïntimeerde] . [belanghebbende 5] is bestuurder van [belanghebbende 2] .
Binnen het bestuur van [geïntimeerde] en tussen de houders van de certificaten die [geïntimeerde] heeft uitgegeven onderling, bestaan al geruime tijd grote verschillen van mening. Hierover zijn onder meer de onder 2.3.1 en 2.3.2 bedoelde procedures aanhangig.
Het onderhavige hoger beroep tegen de bestreden beschikking van 15 mei 2025. In eerste aanleg hebben [appellanten] en [appellant 2] enerzijds en [naam] anderzijds over en weer elkaars ontslag verzocht op grond van artikel 2:298 BW. In een tussenbeschikking van 20 juli 2023 heeft de rechtbank bij wijze van voorlopige voorziening, voor de duur van het geding, [belanghebbende 6] benoemd als onafhankelijke bestuurder van [geïntimeerde] . In de beschikking van 15 mei 2025 heeft de rechtbank alle bestuurders van [geïntimeerde] ontslagen en een andere bestuurder, niet zijnde [belanghebbende 6] , benoemd.
In deze procedure waren verder verzoeken tot wijziging van de statuten van [geïntimeerde] op de voet van artikel 2:294 BW aan de orde. In een tussenbeschikking van 10 oktober 2024 heeft de rechtbank op verzoek van [belanghebbende 6] [belanghebbenden] voor de duur van het geding verboden in de vergadering van certificaathouders tot decertificering en ontbinding van [geïntimeerde] te besluiten. In de beschikking van 15 mei 2025 heeft de rechtbank de verzoeken tot wijziging van de statuten afgewezen. De rechtbank heeft haar beschikking niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
In een enquêteprocedure bij de Ondernemingskamer van dit hof, bekend onder zaaknummer 200.325.125, is een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van [belanghebbende 1] over de periode vanaf 1 januari 2021. De Ondernemingskamer heeft bij wijze van onmiddellijke voorziening en vooralsnog voor de duur van het geding alle aandelen in [belanghebbende 1] ten titel van beheer overgedragen aan [belanghebbende 6] .
Tijdens een zitting van de Ondernemingskamer op 4 juli 2024 zijn uitgangspunten voor een aanpassing van de governance van [geïntimeerde] besproken (hierna: de Uitgangspunten). Die aanpassing zou moeten worden vormgegeven door een wijziging van de statuten van [geïntimeerde] , met name op het punt van de samenstelling en benoeming van het bestuur. Een door de voorzitter van de Ondernemingskamer opgesteld document waarin de Uitgangspunten zijn verwoord, vermeldt onder meer dat alle betrokkenen het erover eens zijn dat indien de wijziging van de statuten wordt doorgevoerd, er vervolgens op zo kort mogelijke termijn een nieuw bestuur van [geïntimeerde] benoemd moet worden. Partijen zijn er niet in geslaagd uitvoering aan de Uitgangspunten te geven; een nieuw bestuur van [geïntimeerde] is nog steeds niet benoemd.
Op 2 oktober 2025 heeft een vergadering plaatsgevonden van de certificaathouders van [geïntimeerde] . Op de agenda stonden onder meer voorstellen van [belanghebbende 2] tot decertificering van aandelen en tot ontbinding van [geïntimeerde] als bedoeld in respectievelijk artikel 18 lid 1 sub a en sub d van de statuten van [geïntimeerde] . Tijdens deze vergadering is geconstateerd dat besluitvorming niet kon plaatsvinden omdat het hiervoor volgens de statuten vereiste quorum (alle certificaathouders aanwezig of vertegenwoordigd) niet was behaald.
Er bestaat verschil van mening over de vraag wanneer de statuten van [geïntimeerde] laatstelijk rechtsgeldig zijn gewijzigd, op 7 februari 2017 of op 13 september 2024. In beide versies luidt artikel 18 voor zover relevant als volgt:
(…)
Het in artikel 18 lid 2 van de statuten genoemde artikel 13 lid 9 luidt in de versie van 13 september 2024 als volgt:
In de versie van de statuten van 7 februari 2017 komt het zinsdeel “met dien verstande dat ten minste één bestuurder C vóór het betrokken voorstel heeft gestemd” niet voor.
Bij brief van 1 oktober 2025 heeft [appellant 2] als voorzitter van [geïntimeerde] de certificaathouders opgeroepen voor een vergadering van certificaathouders op 30 oktober 2025. Op verzoek van [belanghebbende 2] zijn haar voorstellen tot decertificering en ontbinding van [geïntimeerde] opnieuw geagendeerd, waarbij volgens [belanghebbenden] op grond van de door hen voorgestane uitleg van de statuten van [geïntimeerde] geen quorum zal gelden en kan worden besloten met een meerderheid van twee/derde van de uitgebrachte stemmen.
3. Beoordeling
[appellanten] baseren hun incidentele verzoeken op, onder meer, artikel 223 Rv. Anders dan [belanghebbenden] betogen kan de in artikel 2:298 lid 2 BW genoemde mogelijkheid om voorlopige voorzieningen in het bestuur te treffen, niet worden beschouwd als een lex specialis die de mogelijkheid uitsluit om op artikel 223 Rv gebaseerde verzoeken in een zaak als deze te doen.
[belanghebbenden] voeren tevergeefs aan dat [appellanten] niet-ontvankelijk zijn in hun hoger beroep omdat het beroepschrift niet is ondertekend door hun advocaat. Mr. Endedijk heeft ter zitting verklaard dat het beroepschrift is ondertekend door een (door hem gemachtigde) advocaat- kantoorgenoot omdat hij wegens vakantie afwezig was. Daarmee is voldaan aan de eis van artikel 83 lid 2 Rv.
Ook de omstandigheid dat [appellanten] aanvankelijk niet het volledige procesdossier hebben overgelegd leidt niet tot hun niet-ontvankelijkheid. Niet ter discussie staat dat zij dit inmiddels wel hebben gedaan.
Het hof verwerpt verder het betoog van [belanghebbenden] dat mr. Endedijk niet bevoegd zou zijn [geïntimeerde] te vertegenwoordigen omdat [naam] als bestuurder van [geïntimeerde] daartoe geen opdracht heeft gegeven. [appellanten] voeren onbetwist aan dat er op 23 juni 2025, na behoorlijke oproeping van alle bestuurders, een bestuursbesluit is genomen om hoger beroep in te stellen van de beschikking van 15 mei 2025. Mr. Endedijk heeft daarop mogen afgaan.
Verbod decertificering en ontbinding [geïntimeerde]
De gevraagde voorziening heeft voldoende samenhang met de hoofdzaak. Dit staat tussen partijen ook niet ter discussie. Het hof acht deze voorziening toewijsbaar en overweegt daartoe als volgt.
De tweede vergadering van de certificaathouders van [geïntimeerde] vindt plaats op 30 oktober 2025. [naam] en [belanghebbende 2] houden samen meer dan twee/derde van de certificaten en gelet op hun proceshouding is er een reële mogelijkheid dat zij op de vergadering voor decertificering en ontbinding van [geïntimeerde] zullen stemmen. Een dergelijk besluit zal mogelijk ingrijpende gevolgen hebben voor alle betrokkenen in deze procedure omdat dit kan leiden tot een vergaande wijziging van de governance van [belanghebbende 1] . Het besluit kan ook grote gevolgen hebben voor deze procedure zelf, waarin onder meer de vraag naar de uitleg van de statuten van [geïntimeerde] op het punt van de voor de vergadering van certificaathouders geldende quorum- en unanimiteitsvereisten voor decertificering en statutenwijziging een rol speelt, en mogelijk ook voor andere procedures. Verder is ter zitting gebleken dat dit besluit vermoedelijk tot nieuwe procedures tussen partijen zal leiden. Tegelijkertijd zal dit besluit niet onmiddellijk het door [belanghebbenden] gewenste effect kunnen hebben dat zij rechtstreekse zeggenschap over [belanghebbende 1] verkrijgen omdat de aandelen in [belanghebbende 1] onder beheer zijn gesteld (zie 2.3.2) en niet valt te verwachten dat hierin op korte termijn verandering komt.
Onder deze omstandigheden weegt het belang van [appellanten] bij het behoud van de bestaande toestand zwaarder dan het belang van [belanghebbenden] om hun rechten om te vergaderen en besluiten te nemen op basis van de door hen voorgestane uitleg van de statuten van [geïntimeerde] nu al uit te oefenen. [belanghebbenden] hebben in dit verband terecht verwezen naar de norm van artikel 2:8 BW. Onder de hiervoor genoemde omstandigheden brengen redelijkheid en billijkheid mee dat [belanghebbenden] op dit moment pas op de plaats maken. Bij dit alles weegt mee dat het uit te spreken verbod naar verwachting beperkt in tijd zal zijn gezien het in de hoofdzaak te bepalen verdere verloop van de procedure.
Schorsing [naam]
Voorshands moet ervan uit worden gegaan dat [appellanten] , [appellant 2] en [naam] op dit moment bestuurders zijn van [geïntimeerde] . De rechtbank heeft hen weliswaar ontslagen maar dit hoger beroep schorst de werking van die beslissing, die niet uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. [appellanten] voeren aan dat [naam] zichzelf als ontslagen beschouwt en vrijwillig als bestuurder is terug getreden De mededeling waarop zij dit baseren moet echter worden gezien in het licht van de (tot nu toe: vergeefse) pogingen om de impasse in het bestuur van [geïntimeerde] te doorbreken. [appellanten] hebben dit in die zin ook zo begrepen, aangezien [naam] zonder enig voorbehoud door de advocaat van [appellanten] is opgeroepen voor een bestuursvergadering van [geïntimeerde] op 29 oktober 2025.
[appellanten] leggen aan hun incidentele verzoek tot schorsing van [naam] als bestuurder van [geïntimeerde] ten grondslag dat zij hangende het hoger beroep niet als [geïntimeerde] -bestuurder kan worden geduld omdat zij stelselmatig weigert haar bestuurstaken uit te voeren en dat zij niet is verschenen bij een bestuursvergadering over de statutenwijziging. [appellanten] , [appellant 2] en [naam] zijn nog altijd de bestuurders van de [geïntimeerde] omdat de bestreden beschikking waarin zij zijn ontslagen niet uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. [appellanten] bestrijden hun ontslag in het door hen ingesteld hoger beroep en [naam] heeft aangekondigd dat ook zij in incidenteel hoger beroep zal opkomen tegen haar ontslag. In de gegeven omstandigheden legt het belang van [appellanten] bij de gevraagde voorziening minder gewicht in de schaal dan het belang van [naam] bij behoud van de bestaande toestand terwijl het hoger beroep wordt behandeld. Dit incidentele verzoek zal dan ook worden afgewezen.
De slotsom is de volgende. [belanghebbenden] zullen worden verboden, voor de duur van het geding, om in de vergadering van certificaathouders te besluiten tot decertificering en ontbinding van [geïntimeerde] . Het verzoek tot schorsing, voor de duur van het geding, van [naam] als bestuurder van [geïntimeerde] zal worden afgewezen.
Een beslissing over de proceskosten in het incident wordt aangehouden tot de eindbeschikking.
In de hoofdzaak
Het hof zal bepalen dat op 21 januari 2026 een mondelinge behandeling in de hoofdzaak zal plaatsvinden, een en ander op de wijze als hierna verwoord. Het hof zal verder bepalen dat een verweerschrift in de hoofdzaak tot 26 november 2025 kan worden ingediend. Indien, zoals aangekondigd, partijen incidenteel hoger beroep instellen, kan een verweerschrift in incidenteel hoger beroep tot 24 december 2025 worden ingediend.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
4. Beslissing
Het hof:
in de incidenten
verbiedt voor de duur van het geding in hoger beroep, [belanghebbenden] in de vergadering van certificaathouders te besluiten tot decertificering en ontbinding van [geïntimeerde] ;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af wat meer of anders is gevorderd bij wijze van voorlopige voorziening voor de duur van het geding;
houdt de beslissing over de proceskosten aan tot de eindbeschikking in de hoofdzaak;
in de hoofdzaak
bepaalt dat tot uiterlijk 26 november 2025 een verweerschrift kan worden ingediend;
bepaalt dat, indien incidenteel hoger beroep wordt ingesteld, tot uiterlijk 24 december 2025 een verweerschrift in incidenteel hoger beroep kan worden ingediend;
bepaalt dat op 21 januari 2026 een mondelinge behandeling zal plaatsvinden;
bepaalt dat indien een partij op deze datum verhinderd is, deze dit uiterlijk 6 november 2025 schriftelijk aan de griffie moet laten weten onder opgave van de verhinderdata van alle partijen en belanghebbenden in januari en februari 2026;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mrs. K.A.J. Bisschop, A.W.H. Vink en L. Alwin en door de voorzitter in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2025.