ECLI:NL:GHAMS:2025:3795

ECLI:NL:GHAMS:2025:3795

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 11-12-2025
Datum publicatie 17-03-2026
Zaaknummer 23-000016-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Rijden zonder rijbewijs; bevestiging met uitzondering van de strafoplegging. Overweging met betrekking tot de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vorderingen tot tenuitvoerlegging. Het ontbreken van een dagbepaling bij een vordering tot tenuitvoerlegging vanwege het overtreden van de algemene voorwaarden staat niet in de weg aan de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vordering tot tenuitvoerlegging die tegelijk met de nieuwe strafzaak aan de orde is. Daarnaast is ook niet vereist dat deze vordering is ondertekend door een officier van justitie. In geval van een vordering tot tenuitvoerlegging gebaseerd op het overtreden van een algemene voorwaarde kan de officier van justitie hiervoor mandaat verlenen aan een andere medewerker van het openbaar ministerie.

Uitspraak

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 11 december 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de strafoplegging – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd, en dat is inclusief de beslissingen op de vorderingen tot tenuitvoerlegging – en met dien verstande dat dat de bewijsmiddelen waarop de bewezenverklaring is gegrond na het eventueel instellen van beroep in cassatie in een aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen en met dien verstande dat de gronden worden aangevuld met een bespreking van de ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweren.

In hoger beroep gevoerd verweer

De raadsman van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde rijden zonder geldig rijbewijs, wegens het ontbreken van stukken van het CBR waaruit blijkt dat het rijbewijs van de verdachte ongeldig is verklaard.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld voor (ook) het onder 1 tenlastegelegde.

Het hof overweegt als volgt.

Onder de inleidende dagvaarding in de zaak met parketnummer 96-060831-23 (TUL) stond dat het rijbewijs van de verdachte automatisch ongeldig zou worden indien hij in die zaak onherroepelijk zou worden veroordeeld. Hieruit leidt het hof af dat de verdachte redelijkerwijs moest weten dat de ongeldigheid van zijn rijbewijs van rechtswege was ingegaan vanaf het moment van het onherroepelijk worden van het op tegenspraak gewezen vonnis. Het hof verwerpt het verweer van de raadsman.

Oplegging van straffen en maatregelen

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 en 2 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier weken, waarvan drie weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf voor de duur van 50 uren, subsidiair 25 dagen hechtenis. Voor het onder 2 bewezenverklaarde heeft de politierechter de verdachte tevens veroordeeld tot een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van acht maanden.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier weken, waarvan één week voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf voor de duur van 50 uren subsidiair 25 dagen hechtenis en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zeven maanden.

De raadsman van de verdachte heeft verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Hoewel de verdachte geen first offender is, heeft de verdachte een belangrijke omslag gemaakt. Hij is gaan werken, heeft een inkomen en heeft de criminaliteit achter zich gelaten. Daarnaast beschikt de verdachte inmiddels al 19 maanden niet over een geldig rijbewijs en heeft hij in afwachting van het hoger beroep ook geen nieuw rijbewijs kunnen aanvragen. In zekere zin heeft de verdachte de door de politierechter opgelegde ontzegging van de rijbevoegdheid er al op zitten.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen en maatregelen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het besturen van een auto onder invloed en terwijl hij redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard en hij dus niet mocht rijden. Door zo te handelen heeft de verdachte de verkeersveiligheid in gevaar gebracht. Hij heeft er tevens blijk van gegeven zich weinig aan te trekken van de ongeldigheidsverklaring van zijn rijbewijs en evenmin van het feit dat hij in twee proeftijden liep wegens het plegen van soortgelijke feiten. Dat is een buitengewoon laakbare optelsom aan strafbaar en gevaarzettend handelen.

Het hof heeft acht geslagen op straffen die in soortgelijke gevallen aan recidivisten plegen te worden opgelegd en die hun weerslag hebben gevonden in de Oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Daarin wordt als straffencombinatie voor recidiverende bestuurders van motorrijtuigen met het bij de verdachte geconstateerde promillage, als uitgangspunt een geldboete ter hoogte van € 750,00 en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden genoemd. Voor het rijden zonder geldig rijbewijs vermelden de oriëntatiepunten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken.

Gezien het feit dat de verdachte in het verleden voor het plegen van soortgelijke misdrijven al eens is veroordeeld tot een taakstraf, is het taakstrafverbod van 22b Sr van toepassing en zou een straf zoals geëist door de advocaat-generaal in de rede liggen. Het hof ziet echter in hetgeen over de persoonlijke omstandigheden van de verdachte naar voren is gebracht, reden om aan de verdachte een iets lagere straf op te leggen dan door de advocaat-generaal geëist. Het hof zal overgaan tot oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van vier weken, waarvan drie weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf voor de duur van 50 uren, subsidiair 25 dagen hechtenis. Daarnaast legt het hof aan de verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid op voor de duur van vier maanden.

De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vorderingen tot tenuitvoerlegging

De raadsman van de verdachte heeft primair verzocht het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de twee aangebrachte vorderingen tot tenuitvoerlegging, omdat de vorderingen niet zijn ondertekend door een officier van justitie en ook de dagbepalingen ontbreken.

De advocaat generaal heeft aangevoerd dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in beide vorderingen tot tenuitvoerlegging omdat het ontbreken van een dagbepaling en ondertekening door een officier van justitie hieraan niet in de weg staat.

Het hof oordeelt als volgt.

Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat het ontbreken van een dagbepaling bij een vordering tot tenuitvoerlegging vanwege het overtreden van de algemene voorwaarden niet in de weg staat aan de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vordering tot tenuitvoerlegging die tegelijk met de nieuwe strafzaak aan de orde is. Dat volgt uit HR 18 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1687 en de wijziging in wetgeving heeft hierin geen verandering gebracht. Daarnaast is niet vereist dat deze vordering is ondertekend door een officier van justitie. In geval van een vordering tot tenuitvoerlegging gebaseerd op het overtreden van een algemene voorwaarde kan de officier van justitie hiervoor mandaat verlenen aan een andere medewerker van het openbaar ministerie. Het hof stelt vast dat beide vorderingen tot tenuitvoerlegging aan de wettelijke eisen voldoen en verwerpt de verweren van de raadsman.

Vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 96-060831-23

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 3 oktober 2023 opgelegde voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 96 dagen. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

De advocaat-generaal heeft aan het begin van de mondelinge behandeling in hoger beroep het parketnummer van de vordering tenuitvoerlegging geregistreerd onder 23-002744-23 gewijzigd naar het parketnummer van deze veroordeling in eerste aanleg, 96-060831-23, en gevorderd dat de vordering tot tenuitvoerlegging zal worden toegewezen.

De raadsman heeft geen bezwaren geuit tegen de verzochte wijziging van het parketnummer en heeft het hof verzocht om de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen en subsidiair om de proeftijd te verlengen.

Het hof gaat akkoord met de door de advocaat-generaal verzochte wijziging van het parketnummer van de vordering tenuitvoerlegging geregistreerd onder 23-002744-23. De administratieve wijziging naar het parketnummer van deze veroordeling in eerste aanleg, 96-060831-23, heeft geen invloed op de grondslag van de vordering, terwijl voor de verdachte over deze grondslag in redelijkheid ook geen onduidelijkheid kon bestaan.

Gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom zal de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast. Van omstandigheden om van de tenuitvoerlegging af te zien dan wel de proeftijd te verlengen, is het hof niet gebleken.

Vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 96-192606-23

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 1 maart 2024 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering tot tenuitvoerlegging zal worden toegewezen.

De raadsman heeft verzocht om deze vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen en subsidiair om de proeftijd te verlengen, dan wel de gevangenisstraf om te zetten in een taakstraf.

Gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom kan de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast.

Het hof zal in plaats van een last tot tenuitvoerlegging van deze vrijheidsstraf een taakstraf gelasten voor de duur van 60 uren, subsidiair 14 dagen hechtenis. Van omstandigheden om van toewijzing van deze vordering tot tenuitvoerlegging af te zien dan wel de proeftijd te verlengen, is het hof niet gebleken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 8, 9, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) weken.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 3 (drie) weken, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 50 (vijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen hechtenis.

Ontzegt de verdachte ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 4 (vier) maanden.

Beveelt de tenuitvoerlegging van de bij het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 3 oktober 2023 met parketnummer 96-060831-23 voorwaardelijk opgelegde straf, te weten:

ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 96 (zesennegentig) dagen.

Gelast in plaats van het bevelen van de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 1 maart 2024 met parketnummer 96-192606-23 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf, een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 14 (veertien) dagen hechtenis.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. B.A.A. Postma, mr. C.P.E.M. Fonteijn-van der Meulen en mr. A.C. Huisman, in tegenwoordigheid van mr. R.J.C. Wegerif, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 11 december 2025.

Mr. A.C. Huisman is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. R.J.C. Wegerif

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?