ááGERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.343.918/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam : 10677268 CV EXPL 23-11863
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 16 september 2025
in de zaak van
1. de vennootschap naar buitenlands recht XL INSURANCE COMPANY SE,tevens handelende onder de naam AXA XL,
gevestigd te Dublin (Ierland),
2. TRESCAL ZOETERMEER B.V.,
gevestigd te Zoetermeer,
advocaat: mr. L.K. de Haan te Rotterdam,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [plaats] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. D. Hekel te Leusden.
Partijen worden hierna AXA XL, Trescal en [geïntimeerde] genoemd. Appellanten worden samen Trescal c.s. genoemd.
1. De zaak in het kort
[geïntimeerde] is tijdens haar werkzaamheden in dienst van Trescal ten val gekomen op een trap in het bedrijfspand van Trescal. Zij vordert een verklaring voor recht dat Trescal aansprakelijk is voor haar schade en dat Trescal c.s die schade moeten vergoeden. Volgens haar werden er ten tijde van het ongeval verbouwingswerkzaamheden verricht en was de trap glad door stof en/of gruis.
De kantonrechter heeft bij tussenvonnis Trescal toegelaten te bewijzen wat de staat van de trap was ten tijde van het ongeval en dat deze niet glad was door stof en/of gruis als gevolg van de verbouwingswerkzaamheden. Daartoe heeft de kantonrechter overwogen dat de staat van de trap relevant is voor de vraag of Trescal als werkgever aan haar zorgplicht heeft voldaan. Trescal c.s. komen van deze beslissing in het tussenvonnis in beroep. Het hof komt tot een bekrachtiging van het tussenvonnis en verwijst de zaak naar de kantonrechter voor verdere behandeling en beslissing.
2. Het geding in hoger beroep
Trescal c.s. zijn na daartoe verkregen verlof bij dagvaarding van 1 juli 2024 in hoger beroep gekomen van een tussenvonnis van 2 april 2024 van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam, (hierna: de kantonrechter), onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [geïntimeerde] als eiseres en Trescal c.s. als gedaagden.
Bij tussenarrest van 13 augustus 2024 heeft het hof een mondelinge behandeling na aanbrengen gelast. Deze heeft op 18 november 2024 plaatsgevonden en van deze zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven;
- memorie van antwoord, met een productie.
Ten slotte is arrest gevraagd.
Trescal c.s. hebben geconcludeerd dat het hof het bestreden tussenvonnis zal vernietigen en de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog zal afwijzen, althans de zaak met verbetering van gronden zal terugverwijzen naar de kantonrechter, met veroordeling - uitvoerbaar bij voorraad - van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties, met nakosten en rente.
[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot verwerping van het hoger beroep en tot bekrachtiging van het tussenvonnis, met veroordeling - uitvoerbaar bij voorraad - van Trescal c.s. in de kosten van het geding in hoger beroep, met nakosten en rente.
3. Feiten
De kantonrechter heeft in 1.1 tot en met 1.7 van het bestreden tussenvonnis de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. In hoger beroep is niet in geschil dat de feiten juist zijn weergegeven, zodat ook het hof van deze feiten uitgaat.
[geïntimeerde] is op 12 maart 2013 bij Trescal in dienst getreden in de functie van Hoofd Financiële Administratie. In deze functie is zij verantwoordelijk voor diverse financiële aspecten binnen het bedrijf, waaronder de salarisadministratie.
Vanaf 20 oktober 2020 hebben verbouwingswerkzaamheden plaatsgevonden in het bedrijfspand van Trescal te Zoetermeer. Met betrekking tot deze verbouwing heeft Trescal op 26 november 2020 een e-mail verzonden aan haar werknemers. Daarin is vermeld:
“(…) Vanaf maandag zal er aan de trap tussen de 1” en 2de verdieping gewerkt gaan worden waardoor deze minder of tijdelijk niet meer toegankelijk is. Graag gebruik maken van de lift (…).”
Op 3 maart 2021 stuurde Trescal wederom een e-mail aan haar werknemers. Daarin staat:
“Vanaf aanstaande maandag 05-03-21 tot en met woensdag 10-03-21 zullen er breekwerkzaamheden plaats vinden door de nieuwe doorgang naar de aanbouw. Ook zal de stalen constructie van de trap zal aangepast worden, hierdoor kan er geen gebruik gemaakt worden van de trap tussen de re en 2de etage.”
Op maandag 19 april 2021, net voor 8 uur in de ochtend, overkwam [geïntimeerde] op kantoor een ongeval (hierna: het ongeval). Terwijl zij met een collega een werk gerelateerd telefoongesprek voerde, wilde zij met de trap van de tweede naar de eerste verdieping lopen. De trap bestaat uit drie delen met twee tussenplateaus. Het bovenste deel, vanaf de tweede verdieping gezien, bestaat uit drie treden met daarna een tussenplateau. [geïntimeerde] zette haar rechtervoet op de eerste trede van het bovenste deel, maar haar linkervoet gleed weg toen zij naar de tweede trede stapte. Zij viel omlaag en kwam op het tussenplateau terecht. Niemand heeft het ongeval zien gebeuren.
Als gevolg van het ongeval heeft [geïntimeerde] letsel opgelopen. [geïntimeerde] heeft zich op 23 april 2021 ziek gemeld en bij brief van 9 september 2021 Trescal aansprakelijk gesteld.
AXA XL is de aansprakelijkheidsverzekeraar van Trescal. Zij heeft een toedrachtsonderzoek laten uitvoeren door Cordaet. Trescal c.s. hebben geen aansprakelijkheid voor het ongeval erkend.
4. Eerste aanleg
[geïntimeerde] heeft, samengevat weergegeven, in eerste aanleg een verklaring voor recht gevorderd dat Trescal aansprakelijk is voor de schade die voor haar als gevolg van het ongeval is ontstaan en nog zal ontstaan en dat Trescal c.s. gehouden zijn die schade te vergoeden.
De kantonrechter heeft, samengevat weergegeven, het volgende overwogen. Het gebruik maken van een trap is een alledaagse activiteit waarvoor Trescal als werkgever in beginsel geen nadere maatregelen hoeft te treffen. Dat is anders als zich bijkomende bijzondere omstandigheden voordoen. Afhankelijk van de zich voordoende omstandigheden kan van Trescal worden verwacht dat zij specifieke maatregelen treft ter afwenteling van gevaar. In dit geval werden verbouwingswerkzaamheden in het pand uitgevoerd. Als komt vast te staan dat de trap glad was ten tijde van het ongeval door stof en/of gruis als gevolg van de verbouwingswerkzaamheden, was de trap gevaarlijker dan normaal. In dat geval zijn de door Trescal genomen maatregelen onvoldoende geweest en is zij haar zorgplicht voor de veiligheid van haar werknemers niet voldoende nagekomen. Over de staat van de trap zijn door de werknemers van Trescal verschillende verklaringen afgelegd. Omdat daarvan afhangt of Trescal haar zorgplicht is nagekomen, heeft de kantonrechter Trescal toegelaten te bewijzen wat de staat van de trap was ten tijde van het ongeval en dat deze niet glad was door stof en/of gruis als gevolg van de verbouwingswerkzaamheden.
5. Beoordeling
Trescal c.s. bestrijden in hoger beroep met een grief de beoordelingsmaatstaf die de kantonrechter heeft toegepast. Zij vorderen dat het hof de vordering van [geïntimeerde] alsnog geheel afwijst omdat Trescal haar zorgplicht jegens [geïntimeerde] is nagekomen, althans dat het hof de zaak - met verbetering van gronden - zal terugverwijzen naar de kantonrechter ter verdere behandeling en beslissing.
[geïntimeerde] vindt dat de kantonrechter geen onjuiste maatstaf heeft toegepast en dat de grief van Trescal c.s. moet worden verworpen. Het tussenvonnis dient volgens haar te worden bekrachtigd.
Uitgangspunt voor de beoordeling is dat Trescal als werkgever op grond van artikel 7:658 BW een zorgplicht heeft voor de veiligheid van de werkomgeving van haar werknemers. De werkgever is aansprakelijk voor de schade die een werknemer bij de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, tenzij hij aantoont dat hij zijn in artikel 7:685 lid 1 BW omschreven zorgplicht is nagekomen. Die zorgplicht verplicht de werkgever niet alleen om aanwijzingen te geven om schade zoveel als mogelijk te voorkomen, maar ook om daartoe de geëigende veiligheidsmaatregelen te treffen. De werkgever moet er daarbij rekening mee houden dat werknemers niet altijd de voorzichtigheid in acht nemen die ter voorkoming van ongelukken geraden is. Anderzijds wordt niet beoogd een absolute waarborg te scheppen voor de bescherming van de werknemer tegen het gevaar van arbeidsongevallen. Welke veiligheidsmaatregelen van de werkgever verlangd mogen worden, hangt af van alle omstandigheden van het concrete geval. Voor de invulling van de zorgplicht wordt mede gekeken naar eventuele geschreven normen en naar het ongeschreven recht. Uitgangspunt is dat voor alledaagse risico’s in beginsel geen maatregelen hoeven te worden getroffen. Trescal c.s. voeren niet aan dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van [geïntimeerde] , zodat die mogelijke uitzondering op de werkgeversaansprakelijkheid (zie artikel 7:658 lid 2 BW) in dit geval niet hoeft te worden besproken.
In het voorliggende geval staat vast dat [geïntimeerde] op een moment dat zij werkzaam was voor Trescal ten val is gekomen op een trap in het bedrijfspand van Trescal te Zoetermeer. Trescal is daarmee aansprakelijk voor de schade die daarvan het gevolg is, tenzij Trescal stelt en bij betwisting bewijst dat zij de op haar rustende zorgplicht als bedoeld in artikel 7:658 lid 1 BW is nagekomen. [geïntimeerde] hoeft slechts aan te tonen dat zij schade heeft opgelopen in de uitoefening van de werkzaamheden. Zij hoeft niet de toedracht en de oorzaak van het ongeval te stellen en te bewijzen (HR 4 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1430). De toedracht en de oorzaak van het ongeval zijn wel van belang bij de beantwoording van de vraag of Trescal aan haar zorgplicht heeft voldaan. Dat de bewijslast dat de zorgplicht is nagekomen op de werkgever rust, brengt mee dat onduidelijkheid omtrent de toedracht en de oorzaak van het ongeval in beginsel voor rekening en risico komt van Trescal als werkgever.
Zoals hiervoor is overwogen, zijn voor alledaagse activiteiten en daaruit voortvloeiende alledaagse risico’s in beginsel geen nadere maatregelen of voorzieningen vereist. Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat het gebruikmaken van een gewone vaste trap in een bedrijfspand op zichzelf genomen geen activiteit is die noopt tot het geven van nadere instructies of het treffen van nadere of specifieke maatregelen. Dit zou anders kunnen zijn als de trap, bijvoorbeeld als gevolg van de specifieke inrichting of het materiaal daarvan, de omstandigheden waaronder moest worden gewerkt of door vervuiling met stof en/of gruis, een meer dan alledaags risico in het leven zou roepen.
In dit geval is in geschil of de trap ten tijde van het ongeval glad was geworden als gevolg van verbouwingswerkzaamheden en daardoor een meer dan alledaags risico aan de orde was. Trescal c.s. stellen dat de trap op het moment van het ongeval niet glad was of kan zijn geweest en subsidiair, als dit wel het geval is geweest, Trescal ook dan haar zorgplicht voor de veiligheid van haar werknemers niet heeft geschonden.[geïntimeerde] heeft gemotiveerd betwist dat een alledaags risico aan de orde was. Daartoe heeft zij, onder verwijzing naar door getuigen afgelegde verklaringen, aangevoerd dat op de ochtend van het ongeval verbouwwerkzaamheden werden uitgevoerd in het pand en dat daardoor stof en/of gruis op de trap terecht is gekomen, waardoor deze glad is geworden en zij is uitgegleden en ten val is gekomen.
Bij deze stand van zaken en gezien de op Trescal rustende bewijslast, heeft de kantonrechter terecht overwogen dat het van belang is dat duidelijkheid wordt verkregen over de staat van de trap ten tijde van het ongeval, omdat mede daarvan afhangt of zij aan haar zorgplicht heeft voldaan. Overeenkomstig haar bewijsaanbod is Trescal de gelegenheid gegeven te bewijzen wat de staat van de trap was ten tijde van het ongeval, alsmede om haar (primaire) stelling te bewijzen dat de trap niet glad was door stof en/of gruis als gevolg van de verbouwingswerkzaamheden.
Met hun grief betogen Trescal c.s. dat de kantonrechter te hoge eisen heeft gesteld aan de zorgplicht die zij in acht had moeten nemen. Zij menen dat de kantonrechter in feite een resultaatsverplichting op Trescal heeft gelegd door te overwegen dat als komt vast te staan dat de trap glad was door stof en/of gruis als gevolg van verbouwingswerkzaamheden, daarmee tevens vaststaat dat Trescal haar zorgplicht jegens [geïntimeerde] heeft geschonden.
Naar het oordeel van het hof berust de grief van Trescal c.s. op een onjuiste lezing van het tussenvonnis. Dit wordt als volgt toegelicht.
De grief is gericht tegen rov. 3.7 en 3.8 van het tussenvonnis. Deze overwegingen vormen een reactie van de kantonrechter op het standpunt van Trescal dat in rov. 3.6 van het tussenvonnis is weergegeven. Trescal heeft gesteld, samengevat weergegeven, dat ook als komt vast te staan dat de trap glad was door stof en/of gruis door verbouwingswerkzaamheden, zij in het voorliggende geval aan haar zorgplicht jegens [geïntimeerde] heeft voldaan en daarom niet aansprakelijk is voor de schade die als gevolg van het ongeval is ontstaan.
De kantonrechter heeft in rov. 3.7 en 3.8 van het tussenvonnis toegelicht waarom zij dit standpunt van Trescal niet deelt. Deze overwegingen moeten in onderlinge samenhang worden gelezen. Naar het oordeel van het hof is de kantonrechter er vooralsnog vanuit gegaan dat als komt vast te staan dat de trap glad was door stof en/of gruis door verbouwingswerkzaamheden en daardoor gevaarlijker was dan normaal en [geïntimeerde] daardoor ten val is gekomen, Trescal haar zorgplicht niet voldoende is nagekomen, omdat in dat geval verdergaande maatregelen mogelijk en ook te vergen waren dan die door Trescal zijn getroffen. Of de trap daadwerkelijk zo gevaarlijk was dat verdergaande maatregelen getroffen hadden moeten worden, heeft de kantonrechter niet vastgesteld. Dat is ook in lijn met de opzet van het tussenvonnis.
In rov. 3.8 heeft de kantonrechter immers overwogen dat onduidelijk is of de trap gevaarlijker was dan normaal en dat de beantwoording van de vraag of Trescal heeft voldaan aan haar zorgplicht onder meer afhangt van de staat van de trap. Trescal is daarom tot bewijslevering toegelaten zodat duidelijkheid wordt verkregen over de staat van de trap. Afhankelijk van de uitkomst daarvan zal vervolgens beoordeeld moeten worden of de door Trescal getroffen maatregelen voldoende zijn geweest ter vervulling van de op haar rustende zorgplicht. Op die uiteindelijke afweging kan thans nog niet worden vooruitgelopen.
Ook treft de klacht geen doel dat de kantonrechter niet heeft getoetst aan alle kelderluikcriteria. De kantonrechter heeft in het tussenvonnis volstaan met het geven van een bewijsopdracht ten aanzien van de staat van de trap. Zij is nog niet toegekomen aan de beantwoording van de vraag of Trescal haar zorgplicht is nagekomen. Een (eventuele) toetsing aan de hand van kelderluikcriteria was daarmee dus nog niet aan de orde.
De conclusie is dat de grief van Trescal c.s. niet kan leiden tot vernietiging van het bestreden vonnis.
Slotsom en proceskosten
De grief van Trescal c.s. slaagt niet. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. De zaak zal naar de kantonrechter worden terugverwezen ter verdere behandeling en beslissing.
Trescal c.s. zijn in het hoger beroep in het ongelijk gesteld en zullen daarom worden veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep. Het hof stelt deze kosten als volgt vast:
- griffierecht € 349,-
- salaris advocaat € 2.428,- (tarief II, 2 punten)
Totaal € 2.777,-
6. Beslissing
Het hof:
bekrachtigt het tussenvonnis waarvan beroep;
veroordeelt Trescal c.s. in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 2.777,- en op € 178,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 92,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;
verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
verwijst de zaak naar de kantonrechter ter verdere behandeling en beslissing.
Dit arrest is gewezen door mrs. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten, J.W. Hoekzema en J.F. Aalders en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 16 september 2025.