ECLI:NL:GHAMS:2025:3821

ECLI:NL:GHAMS:2025:3821

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 03-12-2025
Datum publicatie 13-04-2026
Zaaknummer 23-001596-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Vernietiging vonnis. Bewezenverklaring handel in drugs en plegen van voorbereidingshandelingen ten behoeve van die handel, alsmede wederspannigheid met enig lichamelijk letsel ten gevolge. Oplegging gevangenisstraf van 3 maanden met aftrek van voorarrest. Verbeurdverklaring geldbedrag en onttrekking aan het verkeer van de verdovende middelen.

Uitspraak

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 19 november 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1.hij op of omstreeks 1 juni 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,

- ongeveer 20 gram amfetamine (goednummer 2024128430-6508843) en/of

- ongeveer 124 pillen MDMA (goednummer 2024128430-6508857) en/of

- ongeveer 132 pillen MDMA (goednummer 2024128430-6508863) en/of

- ongeveer 130 pillen MDMA (goednummer 2024128430-6508868) en/of

- ongeveer 70 pillen methylfenidaat (goednummer 2024128430-6508865)

in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of MDMA en/of methylfenidaat (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.hij op of omstreeks 1 juni 2024 te Amsterdam, althans in Nederland, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van amfetamine en/of MDMA en/of methylfenidaat, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen de navolgende voorwerpen:

- amfetamine en/of MDMA en/of methylfenidaat(in dealgeschikte verpakkingen)

- een scooter

- telefoon

- een geldbedrag van ongeveer € 2465,-

voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of verdachten mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en);

3.hij op of omstreeks 1 juni 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, zich met geweld en/of bedreiging met geweld,heeft verzet tegen een of meer ambtenaren, te weten [slachtoffer 1] , hoofdagent bij de politie Eenheid Amsterdam) en/of [slachtoffer 2] (brigadier bij de politie Eenheid Amsterdam, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, te weten ter staandehouding ter controle van de bromfiets van verdachte door zich in een andere richting te bewegen, zich los te rukken en/of zich naar grond te bewegen, ten gevolge waarvan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] enig lichamelijk letsel heeft bekomen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een iets andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.

Bewijsoverweging feit 1 en 2

De raadsman heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder 2 tenlastegelegde voorbereidingshandelingen voor drugshandel en dat het onder de verdachte aangetroffen geldbedrag aan de oma van de verdachte toebehoort.

De advocaat-generaal heeft aangevoerd dat de verklaring van de verdachte voor de aanwezigheid van de verdovende middelen en het geld onaannemelijk en ongeloofwaardig is en het onder feit 2 tenlastegelegde bewezen kan worden verklaard.

Het hof overweegt als volgt.

Uit het dossier volgt dat de verdachte met zijn scooter een tas met een grote hoeveelheid aan verscheidene soorten verdovende middelen (harddrugs), verpakt in consumentenporties, vervoerde. De verdachte deed er zichtbaar alles aan om de rugtas aan een blik van de politie te onttrekken. Daarnaast had de verdachte een groot geldbedrag van in totaal € 2.465,00 bij zich, dat bestond uit kleine coupures (van € 50,00, € 20,00, € 10,00 en € 5,00) en daarnaast een bankbiljet van € 100,00.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte aangevoerd dat het geldbedrag aan zijn oma toebehoorde. Zijn oma zou steeds geld pinnen van haar rekening en dit opsparen, totdat zij voldoende geld had om een reis te boeken. Vervolgens zou zij aan de verdachte hebben gevraagd om dit geld naar haar nicht te brengen, zodat laatstgenoemde de reis voor de oma van de verdachte kon boeken. Deze uitleg is onderbouwd met twee handgeschreven verklaringen van zijn oma en een aantal screenshots van geldopnames in 2023 en 2024 van het rekeningnummer van de oma van de verdachte. Het hof is van oordeel dat deze verklaringen voor de aanwezigheid van het contante geld niet aannemelijk zijn geworden.

Het hof overweegt daarbij in het bijzonder dat het door zijn oma gepinde bedrag, waarvan rekeningafschriften zijn overgelegd (in totaal € 1.350,00), veel lager ligt dan het geldbedrag dat bij de verdachte is aangetroffen. Ook acht het hof het onwaarschijnlijk dat het biljet van € 100,00 afkomstig is van een pinopname, omdat biljetten van coupures boven de € 50,00 in de regel niet door de geldautomaten in Nederland worden verstrekt. Desgevraagd heeft de verdachte hiervoor geen plausibele verklaring voor gegeven.

De verklaringen van oma zijn bovendien niet specifiek en de verdachte stelt zijn verklaring over het geld stapsgewijs telkens bij. Aanvankelijk verklaart de verdachte niets over de herkomst of bestemming van het geld. Vervolgens zegt hij dat dit geld van zijn oma is en dat hij het naar zijn tante zou brengen en dat hij dat vaker voor zijn oma doet. In hoger beroep verklaart de verdachte dat het om een jaarlijks transport van geld gaat en dat oma het tussentijds telkens gepind heeft. Dat is een opvallende manier van het telkens bijstellen van een proceshouding, zonder dat er een eenduidige en geloofwaardige verklaring voor dit geld komt. Dit, in combinatie met de omstandigheden waaronder de harddrugs en het geld onder de verdachte zijn aangetroffen, leidt het hof tot de conclusie dat het niet anders kan dan dat het hier om handelsgeld gaat en dat het diende als bedrijfskapitaal voor de handel in harddrugs. Het verweer wordt om die reden verworpen.

Anders dan de politierechter acht het hof niet bewezen dat de verdachte de onder feit 2 ten laste gelegde voorbereidingshandelingen heeft gepleegd met behulp van de scooter en de telefoon, nu beide (alledaagse) goederen ook voor andere doeleinden kunnen worden gebruikt. De scooter is in deze zaak gebruikt voor het vervoer van de harddrugs en houdt dus verband met de onder 2 ten laste gelegde voorbereidingshandelingen, maar niet blijkt dat de scooter bestemd was tot het begaan van die beoogde drugshandel. De politie heeft daarnaast geen onderzoek verricht aan de telefoon, zodat het hof geen verband tussen de telefoon en de tenlastegelegde voorbereidingshandelingen heeft kunnen vaststellen.

Het hof acht wel wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich voor het overige met het vervoer van de harddrugs en het geld toelegde op de voorbereidingshandelingen van handel in harddrugs.

Voorwaardelijk verzoek

De raadsman heeft ter terechtzitting verzocht om de oma van de verdachte als getuige op te roepen, indien het hof niet komt tot een vrijspraak van het onder feit 2 tenlastegelegde.

Gelet op de voorgaande overweging ontbreekt een begin van aannemelijkheid over de gestelde herkomst van het geld. Het hof wijst dan ook bij gebrek aan noodzaak het voorwaardelijk verzoek tot het horen van de oma af.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.hij op 1 juni 2024 te Amsterdam opzettelijk heeft vervoerd,

- ongeveer 20 gram amfetamine (goednummer 2024128430-6508843) en

- ongeveer 124 pillen MDMA (goednummer 2024128430-6508857) en

- ongeveer 132 pillen MDMA (goednummer 2024128430-6508863) en

- ongeveer 130 pillen MDMA (goednummer 2024128430-6508868) en

- ongeveer 70 pillen methylfenidaat (goednummer 2024128430-6508865);

2.hij op 1 juni 2024 te Amsterdam, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren van amfetamine en MDMA en methylfenidaat voor te bereiden en/of te bevorderen de navolgende voorwerpen:

- amfetamine en MDMA en methylfenidaat (in dealgeschikte verpakkingen) en

- een geldbedrag van ongeveer € 2465,-

voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte wist of ernstige redenen had te vermoeden, dat die bestemd waren tot het plegen van die feiten;

3.hij op 1 juni 2024 te Amsterdam zich met geweld heeft verzet tegen [slachtoffer 1] , hoofdagent bij de politie Eenheid Amsterdam) en [slachtoffer 2] (brigadier bij de politie Eenheid Amsterdam), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, te weten ter staandehouding ter controle van de bromfiets van verdachte door zich in een andere richting te bewegen, zich los te rukken en zich naar grond te bewegen, ten gevolge waarvan die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] enig lichamelijk letsel hebben bekomen.

Hetgeen onder 1, 2 en 3 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.

Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:

wederspannigheid, terwijl het misdrijf of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als in eerste aanleg is opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte en zijn draagkracht. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de handel in drugs en het plegen van voorbereidingshandelingen ten behoeve van die handel. De verspreiding van en handel in verdovende middelen worden direct en indirect in verband gebracht met vele vormen van criminaliteit en overlast, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze middelen. De verdachte heeft kennelijk gehandeld uit puur winstbejag en heeft zich niet bekommerd om de schadelijke gevolgen voor de gezondheid van gebruikers van verdovende middelen.

Daarnaast heeft de verdachte zich verzet bij zijn staandehouding, als gevolg waarvan de politieambtenaren enig lichamelijk letsel hebben opgelopen. Dergelijk gedrag is ernstig en het werk van de politie wordt hierdoor bemoeilijkt. Door dit gedrag heeft de verdachte een gebrek aan respect voor het openbaar gezag getoond.

Het hof acht, alles afwegende, naast de hieronder vermelde beslissingen op de in beslag genomen voorwerpen een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. Gelet op de ernst van de feiten kan niet met een andere of lichtere straf worden volstaan dan een straf die deze vrijheidsbeneming met zich brengt.

Beslag

Het hof is - met de advocaat-generaal - van oordeel dat het onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten een geldbedrag van € 2.465,00, dient te worden verbeurd verklaard. Gelet op de omstandigheden waaronder dit geld bij de verdachte is aangetroffen en het uitblijven van een geloofwaardige verklaring over de herkomst en bestemming daarvan, kan het niet anders dan dat dit geld in het bijzonder bestemd was om te dienen als bedrijfskapitaal voor de handel in harddrugs, zoals hierboven ook overwogen. Het onder 2 bewezenverklaarde is dan ook begaan met betrekking tot het inbeslaggenomen geld. Het hof zal om die reden dit geld verbeurd verklaren.

Ten aanzien van de overige onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen is het hof - met de advocaat-generaal - van oordeel dat deze dienen te worden onttrokken aan het verkeer. De onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten zijn met betrekking tot deze voorwerpen begaan dan wel met behulp van deze voorwerpen begaan of voorbereid. Het ongecontroleerde bezit van die inbeslaggenomen voorwerpen is in strijd met de wet en/of het algemeen belang.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet en de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 57 en 181 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- € 2.465,00 (G6508874).

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 4 STK Verdovende Middelen (G6508837);

- 14 STK Verdovende Middelen (G6508838);

- 1 STK Verdovende Middelen (G6508839);

- 6 STK Verdovende Middelen (G6508840);

- 18 STK Verdovende Middelen (G6508842);

- 23 STK Verdovende Middelen (G6508843);

- 16 STK Verdovende Middelen (G6508844);

- 4 STK Verdovende Middelen (G6508847);

- 3 STK Verdovende Middelen (G6508848);

- 19 STK Verdovende Middelen (G6508851);

- 14 STK Verdovende Middelen (G6508852);

- 100 STK Verdovende Middelen (G6508856);

- 127 STK Verdovende Middelen (G6508857);

- 95 STK Verdovende Middelen (G6508859);

- 94 STK Verdovende Middelen (G6508869);

- 150 STK Verdovende Middelen (G6508863);

- 6 STK Verdovende Middelen (G6508860);

- 3 STK Verdovende Middelen (G6508864);

- 70 STK Verdovende Middelen (G6508865);

- 14 STK Verdovende Middelen (G6508866);

- 100 STK Verdovende Middelen (G6508867);

- 117 STK Verdovende Middelen (G6508868).

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. B.A.A. Postma, mr. A.M. Koolen - Zwijnenburg en mr. M.T.C. de Vries, in tegenwoordigheid van mr. S.K. van Eck, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 3 december 2025.

mr. A.M. Koolen - Zwijnenburg is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]

[…]

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. S.K. van Eck

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?