Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 19 november 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en diens raadsman en de advocaat van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht.
Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
De verdachte is door de rechtbank vrijgesproken van wat hem onder de data 20 juni 2023 en 29 augustus 2023 ten laste is gelegd. De veroordeling ziet uitsluitend op 27 oktober 2022. De verdachte heeft het hoger beroep onbeperkt ingesteld. Het hoger beroep is dus ook gericht tegen de gegeven vrijspraken van de andere twee data. De verdachte kan tegen deze beslissingen tot vrijspraak echter geen hoger beroep instellen, omdat het zelfstandig strafrechtelijke verwijten zijn. Het hof verklaart verdachte daarom niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen deze twee in het vonnis gegeven vrijspraken.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is - voor zover aan het inhoudelijk oordeel van het hof onderworpen - tenlastegelegd dat:
hij op één of meerdere tijdstippen in de periode van 27 oktober 2022 tot en met 29 augustus 2023 te Bovenkarspel, gemeente Stede Broec, althans in Nederland zijn echtgenote, [benadeelde partij] , heeft mishandeld door die [benadeelde partij] op 27 oktober 2022
- één of meerdere malen bij de keel vast te pakken en/of de keel dicht te knijpen en/of dichtgeknepen te houden en/of
- één of meerdere malen in het gezicht en/of tegen de nek en/of de armen, in elk geval tegen het lichaam te slaan en/of
- één of meerdere malen op de rug en/of in de buik, in elk geval tegen het lichaam te trappen en/of één of meerdere malen een kopstoot te geven en/of
- één of meerdere malen op het hoofd te staan.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal, voor zover aan het inhoudelijk oordeel van het hof onderworpen, worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.
Bewijsoverweging
De verdachte is door de politierechter veroordeeld voor het mishandelen van zijn toenmalige echtgenote, [benadeelde partij] (hierna: de aangeefster) op 27 oktober 2022.
De raadsman heeft ter terechtzitting vrijspraak bepleit voor deze mishandeling, omdat uit het dossier niet blijkt dat de verdachte de aangeefster heeft mishandeld. Subsidiair kan alleen het slaan in het gezicht bewezen worden verklaard.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte kan worden veroordeeld voor het mishandelen van de aangeefster op 27 oktober 2022.
Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat hij op 27 oktober 2022 in een ruzie was beland met de aangeefster, zijn echtgenote destijds. Dit speelde zich af in hun toenmalige woning in Bovenkarspel. Tijdens deze ruzie was ook zijn zusje aanwezig en hebben zowel de verdachte als de aangeefster met spullen gegooid en naar elkaar geschreeuwd. De verdachte heeft verklaard dat hij op enig moment werd aangevallen door de aangeefster, waarna hij haar een duw heeft gegeven om haar van zich af te weren. De verdachte ontkent met klem dat hij de aangeefster bij haar keel heeft gepakt of heeft geslagen in haar gezicht, zoals zij zelf heeft verklaard. Hij had naar eigen zeggen een onstuimig huwelijk met de aangeefster, maar nooit was er sprake van fysiek geweld aan zijn kant. Momenteel is de verdachte verwikkeld in een ruzie met de aangeefster over de omgang met zijn tweejarige dochtertje, die bij de aangeefster in het buitenland verblijft. Om die reden probeert de aangeefster hem in een kwaad daglicht te stellen, volgens de verdachte.
Het hof volgt de verdachte niet in zijn verweer en komt tot het oordeel dat hij de aangeefster heeft mishandeld op 27 oktober 2022. Het volgende is daarbij redengevend.
Uit de aangifte van de aangeefster volgt dat de verdachte haar op 27 oktober 2022 onder meer heeft gekeeld (het hof begrijpt: bij haar keel heeft vastgepakt) en in het gezicht heeft geslagen. Dit zou volgens de aangeefster zijn gebeurd in het bijzijn van het zusje van de verdachte. De aangeefster is vervolgens naar de buren gegaan.
Als bijlage bij de aangifte zijn een aantal foto’s gevoegd die de aangeefster aan de politie heeft overgelegd van haar letsel op 27 oktober 2022. Te zien is dat zij onder meer een bult bij haar rechterwenkbrauw heeft, een wondje aan de binnenkant van haar onderlip en rode striemen/vlekken in haar nek. Het hof heeft in het geheel aan vaststellingen geen reden om eraan te twijfelen dat dit de foto’s zijn die betrekking hebben op de datum van 27 oktober 2022.
Een van de buren, [adres 2], heeft bij de politie verklaard gezien te hebben hoe de verdachte de aangeefster op 27 oktober 2022 voor hun woning in haar gezicht sloeg. Hierna trok de verdachte de aangeefster naar binnen en werd de deur snel dichtgedaan. Deze buurvrouw heeft vervolgens aangebeld om polshoogte te nemen. De verdachte opende de deur en zei: “waar bemoei
jij je mee? Kanker op, het gaat je niets aan, rot op”. Toen de buurvrouw voor een tweede keer aanbelde, deed een jonge vrouw open die aangaf dat de aangeefster was gevlucht richting de steeg. De buurvrouw vond het heel vreemd, niet normaal en heeft direct de politie anoniem gebeld.
De politie heeft onderzoek verricht naar WhatsApp berichten tussen de verdachte en de aangeefster. Op 30 oktober 2022 schrijft de verdachte aan de aangeefster: “Wat ik heb gedaan had ik niet mogen doen ik was gewoon niet ik meer. Dat was heel erg van mij. Daarom heb ik jij gevraagd om niet tegen mij te praten de dag maar wat heb jij gedaan heb je mijn gedrigd en toeschouwer.” Op diezelfde dag schrijft de verdachte naar een familielid van de aangeefster: “ik weet goed dat ik mag haar niet aanraken geloof mij dat wil ik ook niet. Maar zij heeft mij super agressief gemaakt.”
Op 31 oktober 2022 schrijft ‘ [verdachte] aan de aangeefster: “Goedemorgen, ik zal nooit meer jou aanraken en nooit mijn handen jij slan ik heb zeer spijt dat ik zo gedaan heeft.” De verdachte heeft over dit bericht wisselend verklaard. Waar hij bij de politierechter heeft verklaard dat de aangeefster zijn iPad heeft gestolen en dit bericht zelf heeft geschreven, heeft hij tijdens zijn politieverhoor en de zitting in hoger beroep verklaard dat hij dit bericht zelf heeft geschreven.
Dit alles in onderlinge samenhang bezien maakt dat het hof de verklaring van de verdachte, dat slechts sprake is geweest van een duw nadat de aangeefster hem had aangevallen, als ongeloofwaardig terzijde schuift. Het hof gaat uit van de verklaring van de aangeefster, dat hij haar op 27 oktober 2022 bij haar keel heeft gepakt en in haar gezicht heeft geslagen zonder dat sprake is geweest van een aanval van haar kant waartegen hij zich verdedigde. Het hof ziet die verklaring voldoende gesteund in ander bewijsmateriaal en acht deze mishandeling van zijn echtgenote feit wettig en overtuigend bewezen.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 27 oktober 2022 te Bovenkarspel, gemeente Stede Broec, zijn echtgenote, [benadeelde partij] , heeft mishandeld door die [benadeelde partij] bij de keel vast te pakken en in het gezicht te slaan.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn echtgenote.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 50 uren, te vervangen door 25 dagen hechtenis, waarvan 25 uren subsidiair 12 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, te vervangen door 30 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken. Daarnaast vordert de advocaat-generaal de oplegging van een contactverbod met het slachtoffer ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (Sr), voor de duur van drie jaren met een week hechtenis per overtreding, ten hoogste zes maanden in totaal.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de mishandeling van zijn toenmalige echtgenote, door haar te slaan en bij de keel te grijpen. Hiermee heeft de verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de aangeefster en ook op haar gevoel van veiligheid. De mishandeling heeft immers plaatsgevonden in hun woning, bij uitstek een plek waar iemand zich veilig zou moeten voelen. Daarnaast had de verdachte als toenmalige partner van het slachtoffer, de persoon moeten zijn bij wie de aangeefster zich bij uitstek geborgen had moeten voelen. De mishandeling heeft plaatsgevonden binnen een huwelijk dat, op grond van het dossier, als zeer zorgelijk kan worden bestempeld en waarin zich mogelijk – buiten de twee andere tenlastegelegde pleegdata om – meerdere (gewelds)incidenten hebben afgespeeld; dat volgt (ook) uit wat buren tegen de politie hebben verklaard (dossierpagina’s 50-51).
De rust lijkt ten tijde van de terechtzitting in hoger beroep nog niet te zijn teruggekeerd: uit de door de advocaat van het slachtoffer toegezonden geluidsopnames volgt dat er nog steeds sprake is van een onveilige situatie voor het slachtoffer, omdat de verdachte zich daarin tegen haar dreigend uitlaat. De verdachte heeft op zitting benoemd dat die uitlatingen alleen met gevoelens van onmacht te maken hebben, omdat hij geen informatie over zijn dochter meer krijgt en hij niet weet waar zij in Spanje verblijven. Dat het om uitlatingen zou gaan vanwege ervaren onmacht, maakt zijn houding - tegen de achtergrond van dat de verdachte geweld tegen haar niet schuwt - niet minder dreigend voor de aangeefster.
Anders dan de politierechter, acht het hof uitsluitend die deels voorwaardelijke taakstraf niet op zijn plaats. Een dergelijke straf doet immers geen recht aan het bewezenverklaarde geweld dat de verdachte binnen zijn huwelijk heeft gebruikt. Gelet ook op het feit dat de slechte verstandhouding tussen de verdachte en de aangeefster voortduurt, is het hof van oordeel dat de verdachte een stok achter de deur nodig heeft om hem ervan te weerhouden om opnieuw een strafbaar feit te plegen waarbij de aangeefster betrokken is.
Het hof acht, alles afwegende, een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf van na te melden duur passend en geboden.
Contactverbod en dadelijke uitvoerbaarheid
Voorts zal het hof een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr opleggen, die inhoudt dat de verdachte zich onthoudt van contact met het slachtoffer [benadeelde partij] , met uitzondering van de overeengekomen contactmomenten onder begeleiding en via een derde ten behoeve van het contact met het kind. De verdachte is met de aangeefster, beiden bijgestaan door een advocaat, een regeling overeengekomen vanwege de dochter die zij samen hebben en die afspraken worden met dit contactverbod niet doorkruist. De maatregel wordt opgelegd voor een periode van 3 jaren. Het hof beveelt dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt jegens het slachtoffer [benadeelde partij] . Het hof heeft hierbij het hiervoor overwogene in aanmerking genomen.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 8.136,89. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.750,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering en toegelicht dat het deel van € 1.000,00 aan nader te onderbouwen schade in hoger beroep niet nader onderbouwd is.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de immateriële schade geheel moet worden toegewezen en dat de kosten voor de psycholoog en de gemaakte reiskosten ook dienen te worden toegewezen en dat de verdachte in zoverre een schadevergoedingsmaatregel moet worden opgelegd. Het overig gevorderde dient te worden afgewezen.
De raadsman van de verdachte heeft bepleit dat in geval van bewezenverklaring uitsluitend een bedrag van € 250,00 aan immateriële schadevergoeding toegewezen zou moeten worden en dat de vordering voor het overige dient te worden afgewezen.
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van
€ 2.023,20, bestaande uit € 1.350,00 voor psychologische hulp en € 673,20 voor reiskosten naar de psycholoog. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Voor het overige is onvoldoende gebleken dat sprake is van rechtstreekse schade en zal het hof de vordering afwijzen.
Immateriële schade
Artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW) brengt mee dat de benadeelde recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van immateriële schade indien de benadeelde ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen. Dat is hier het geval. Als naast lichamelijk letsel ook sprake is van psychische gevolgen, kan dat in de hoogte van de schadevergoeding worden betrokken.
De benadeelde partij is slachtoffer geworden van mishandeling door de verdachte, haar toenmalige echtgenoot. De benadeelde partij heeft hierdoor lichamelijk letsel opgelopen. Ook blijkt uit de bij de vordering overgelegde stukken en de toelichting op de vordering dat zij mede hieraan ernstige psychische klachten heeft overgehouden, waarvoor behandeling door een psycholoog noodzakelijk was.
De begroting van de immateriële schade geschiedt naar billijkheid, met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt. Voorts dient de rechter bij de begroting te letten op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. Alles afwegende brengt dit het hof ertoe de schade te begroten op een bedrag van € 1.000,00. Nu de immateriële schade wordt geschat op genoemd bedrag, impliceert deze beslissing de afwijzing van hetgeen meer ter vergoeding van immateriële schade werd gevorderd.
Het hof zal voor het totaal aan toegewezen schadevergoeding de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 38v, 38w, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissingen ter zake van het onder de data 20 juni 2023 en 29 augustus 2023 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.
Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van 3 (drie) jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [benadeelde partij] , tenzij een dergelijk contact noodzakelijk is in het kader van afspraken die over de omgang met zijn dochter zijn gemaakt en waarbij begeleiding betrokken of aanwezig is.
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 7 (zeven) dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, waarbij de totale duur van de vervangende hechtenis ten hoogste 6 (zes) maanden bedraagt.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.
Beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 3.023,20 (drieduizend drieëntwintig euro en twintig cent), bestaande uit € 2.023,20 (tweeduizend drieëntwintig euro en twintig cent) materiële schade en
€ 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.023,20 (drieduizend drieëntwintig euro en twintig cent), bestaande uit € 2.023,20 (tweeduizend drieëntwintig euro en twintig cent) materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 40 (veertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 13 maart 2025 en voor en de immateriële schade op 27 oktober 2022.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.T.C. de Vries, mr. A.M. Koolen - Zwijnenburg en mr. B.A.A. Postma, in tegenwoordigheid van mr. S.K. van Eck, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 3 december 2025.
mr. A.M. Koolen - Zwijnenburg is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]
[…]