Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 9 april 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht.
Het hof heeft daarnaast kennisgenomen van hetgeen ter terechtzitting naar voren is gebracht door de deskundige [deskundige] , reclasseringswerker bij Reclassering Nederland.
Omvang van het hoger beroep
In eerste aanleg is de verdachte veroordeeld voor het subsidiair tenlastegelegde onder de feiten 1, 2, 3 en 4 in zaak A, het onder 1 primair tenlastegelegde in zaak B en het onder 1 tenlastegelegde in zaak C.
De verdachte is vrijgesproken van hetgeen hem in zaak A primair is tenlastegelegd onder de feiten 1, 2, 3 en 4 en het onder 5 tenlastegelegde, het onder 2 tenlastegelegde in zaak B en het onder 2 tenlastegelegde in zaak C.
Namens de verdachte is het hoger beroep op 26 augustus 2024 bij akte beperkt tot de bovengenoemde feiten waarvoor hij is veroordeeld. Nu het openbaar ministerie geen appel heeft ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank, zijn in hoger beroep alleen de feiten 1 tot en met 4 in zaak A, feit 1 in zaak B en feit 1 in zaak C nog aan de orde.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis van de rechtbank – voor zover het vonnis aan het oordeel van het hof is onderworpen – en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de opgelegde straf en de beslissing ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd. Het hof zal volledigheidshalve de bijkomende straf – de beslissing tot verbeurdverklaring van het inbeslaggenomen geldbedrag in zaak B – overnemen en vermelden in het dictum.
Oplegging van straffen
In eerste aanleg genomen beslissingen met betrekking tot de straffen
De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg in zaak A onder 1 tot en met 4 subsidiair, zaak B onder 1 primair en zaak C onder 1 bewezenverklaarde met toepassing van het jeugdstrafrecht veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 150 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Daarbij heeft de rechtbank een aantal bijzondere voorwaarden gesteld (zoals omschreven in het vonnis), die dadelijk uitvoerbaar zijn verklaard. Daarnaast is een werkstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen jeugddetentie en een geldboete van € 250.- te vervangen door 5 dagen hechtenis opgelegd.
Standpunt openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte met toepassing van het jeugdstrafrecht zal worden veroordeeld tot dezelfde straffen als door de rechter in eerste aanleg opgelegd, met dien verstande dat de bijzondere voorwaarden met betrekking tot het locatiegebod en de daarmee samenhangende elektronische monitoring aanpassing behoeven. Het in het opgelegde locatiegebod genoemd adres moet worden aangepast naar de actuele verblijfsadres van de verdachte bij [instelling] (instantie voor begeleid wonen voor jongeren) en met bepaling dat de begeleiders bij [instelling] verantwoordelijk zijn voor de invulling en handhaving van de tijdstippen waarop de verdachte aanwezig dient te zijn en te blijven op het verblijfadres.
Standpunt verdediging
De raadsvrouw heeft het hof verzocht het jeugdstrafrecht toe te passen en heeft overeenkomstig haar pleitaantekeningen bepleit dat de door de rechtbank opgelegde straf te zwaar is. De raadsvrouw heeft verzocht rekening te houden met het gegeven dat de verdachte lang in schorsende voorwaarden heeft gelopen. Daarbij heeft zij het hof met klem verzocht om de elektronische monitoring per direct te laten vervallen en bij een eventueel op te leggen voorwaardelijke strafdeel rekening te houden met de beperkte cognitieve vermogens van de verdachte.
Oordeel hof
Toepassing jeugdstrafrecht
Het hof is, gelet op het bepaalde in artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht, met de advocaat-generaal en de raadsvrouw van oordeel dat omstandigheden gelegen in de persoon van de verdachte aanleiding geven tot toepassing van het jeugdstrafrecht.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich in een zeer kort tijdsbestek schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan twee beschietingen van bedrijfspanden. Deze beschietingen hebben niet alleen geleid tot materiële schade aan de panden, maar ook gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt bij de betrokkenen van het bedrijf. Daarnaast brengen dit soort strafbare feiten gevoelens van onrust en onveiligheid in wijken, maar ook in de maatschappij als geheel, teweeg. Verdachte is als bestuurder van de vluchtauto een onmisbare schakel geweest, hetgeen het hof hem kwalijk neemt.
Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het plegen van voorbereidingshandelingen in verband met de handel in drugs. De verdachte had verschillende typen harddrugs, waaronder MDMA en cocaïne, in dealgeschikte verpakkingen verstopt in een sok, welk hij in zijn onderbroek verborgen hield. Door zijn handelen heeft de verdachte een bijdrage geleverd aan de instandhouding van de drugshandel. De handel in verdovende middelen en de voorbereidingshandelingen daarop dragen bij aan de verspreiding en het gebruik van harddrugs en vormen een ernstige bedreiging voor de volksgezondheid en bevorderen de toename van (vermogens)criminaliteit.
Ten slotte heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het overtreden van artikel 5 Wegenverkeerswet 1994 . De verdachte heeft als bestuurder van een personenauto zijn telefoon gebruikt tijdens het rijden, is een trambaan opgereden en heeft een aanzienlijk hogere snelheid dan de maximumsnelheid aangehouden terwijl er mensen bij de tramhalte stonden te wachten. Door zo onachtzaam te handelen heeft verdachte ervoor gezorgd dat gevaar en hinder op de weg kon worden veroorzaakt.
Het hof heeft kennis genomen van de rapportage van de Reclassering van 25 juli 2024 en het daaropvolgend voortgangsverslag van 23 oktober 2024. Uit deze rapporten volgt onder meer dat op meerdere leefgebieden bij de verdachte, waaronder zijn houding, psychosociaal functioneren, huisvesting, financiën en het sociaal netwerk, risicofactoren aanwezig zijn die kunnen leiden tot recidive. Om deze risicofactoren te verminderen, worden bijzondere voorwaarden geïndiceerd geacht. Uit het meer recente voortgangsverslag volgt – kort gezegd – dat de verdachte zich niet (consistent) aan alle voorwaarden houdt. Tevens is het de vraag in hoeverre het toezicht, gezien de houding van de verdachte en het feit dat hij niet helemaal eerlijk blijkt te zijn geweest over de invulling van zijn uren die hem buiten de geboden locatie waren toegestaan uitvoerbaar is.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft reclasseringswerker [deskundige] toegelicht dat de Reclassering, na een officiële waarschuwing op 13 maart 2025 met betrekking tot overtreding van de voorwaarden, verbetering ziet en thans overwegend positief is met betrekking tot de naleving van deze voorwaarden. De Reclassering acht de gestelde voorwaarden, met enkele aanpassingen, nog steeds wel geïndiceerd. Enkele voorwaarden, waaronder de elektronische monitoring, kunnen na verloop van tijd worden afgeschaald, mits de positieve ontwikkelingen worden doorgezet.
Het hof acht, gelet op de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten, de oplegging van een jeugddetentie, waarbij het onvoorwaardelijk deel de duur van het voorarrest niet overstijgt, passend. Evenals de rechtbank acht het hof het van belang dat een deel van de jeugddetentie voorwaardelijk wordt opgelegd, zodat verdachte zijn traject bij de Reclassering kan voortzetten en hij in dat kader passende hulp kan blijven ontvangen. Aan het voorwaardelijk strafdeel zullen bijzondere voorwaarden worden verbonden, zij het dat niet alle door de Reclassering geadviseerde voorwaarden zullen worden overgenomen. Deze voorwaardelijke straf dient de verdachte ervan te weerhouden om opnieuw strafbare feiten te plegen en er tevens voor te zorgen dat de verdachte de aan hem opgelegde bijzondere voorwaarden zal naleven. De verdachte krijgt daarmee de kans om te laten zien dat hij zijn houding en gedrag daadwerkelijk wil veranderen. Mocht de verdachte toch weer de fout in gaan, dan zal de voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie alsnog ten uitvoer kunnen worden gelegd.
De ernst van de bewezenverklaarde feiten rechtvaardigen eveneens de oplegging van een taakstraf, in de vorm van een werkstraf. Nu er echter aanwijzingen zijn voor een, zij het nog prille, positieve ontwikkeling bij de verdachte, ziet het hof aanleiding om de duur van de werkstraf te verkorten.
Bij het bepalen van de duur van de werkstraf houdt het hof rekening met het gegeven dat verdachte al een aanzienlijke tijd (in zijn vrijheid) beperkende schorsende voorwaarden heeft gelopen. Ook de proeftijd zal worden bekort.
Bij het bepalen van de duur van de straffen heeft het hof gelet op straffen die doorgaans in soortgelijke gevallen worden opgelegd en die hun weerslag hebben gevonden in de oriëntatiepunten voor de strafoplegging van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS).
Dadelijke uitvoerbaarheid
Het hof zal eveneens de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden bevelen. De in zaak A bewezen verklaarde misdrijven zijn onder meer gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van personen. Gelet op de algehele ernst van de bewezenverklaarde feiten, het feit dat de verdachte zich eerder schuldig heeft gemaakt aan een gewelddadig feit (straatroof) en hulp en begeleiding bij meerdere leefgebieden wenselijk is, moet er ook nu nog – mede gelet op de recente waarschuwing van de Reclassering – rekening mee worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan, zodat het essentieel is dat de bijzondere voorwaarden zonder onderbreking blijven doorlopen.
Het hof acht, alles afwegende, een jeugddetentie en een werkstraf van na te melden duur passend en geboden en in zaak C het opleggen van een geldboete.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen zijn gegrond op artikel 10a van de Opiumwet, de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36f, 48, 55, 57, 62, 77a, 77g, 77h, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 285 en 350 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5 en 177 van de Wegenverkeerswet 1994.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding ter hoogte van € 24.792,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd en een schadevergoeding van € 24.642,- gevorderd. Deze schade bestaat uit € 23.642,- aan materiële kosten en € 1.000,- aan vergoeding van immateriële schade.
Materiële schade
De vordering ten aanzien van de materiële schade bedraagt € 23.642,- te vermeerderen met de wettelijke rente en bestaat uit de volgende schadeposten:
Ten aanzien van deze schadeposten is het hof van oordeel dat deze, mede gelet op de betwisting daarvan en niettegenstaande de nadere toelichting ter zitting, onvoldoende zijn onderbouwd, zodat de benadeelde partij reeds om die reden in die posten van de vordering niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Het hof zal daarbij bepalen dat het materiële gedeelte van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.
Immateriële schade
De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep het hof verzocht om de benadeelde partij ook ten aanzien van dit onderdeel van de vordering niet-ontvankelijk te verklaren.
Artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW) brengt, voor zover voor de beoordeling van belang, mee dat de benadeelde recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding indien hij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen dan wel is aangetast in de persoon in zijn eer of goede naam of op andere wijze.
Uit een uitspraak van de Hoge Raad van 28 mei 2019 (vgl. ECLI:NL:HR:2019:793) blijkt dat van de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in art. 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.
Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in zaak A bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen. Ten aanzien van de aantasting van de benadeelde partij in haar persoon ‘op andere wijze’ overweegt het hof dat de aard en de ernst van de normschending met zich meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Immers, het gedurende de nacht meermaals beschieten van de gebouwen van beide praktijken van de benadeelde partij – kort na een uitzending van het programma BOOS en de daaropvolgende commotie – veroorzaakt, naast grote maatschappelijke beroering en onrust, gefundeerde gevoelens van onveiligheid bij de betrokken personen, in het bijzonder de benadeelde partij tegen wie het handelen van de medeverdachten specifiek was gericht. Ter terechtzitting in hoger beroep is namens de gemachtigde van de benadeelde partij naar voren gebracht dat de feiten een grote impact hebben gehad op de benadeelde partij en zij na het gebeurde specialistische hulp in de vorm van hypnotherapie heeft gezocht.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en de beslissing ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij en doet in zoverre opnieuw recht.
Ten aanzien van zaak A en B
Veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 150 (honderdvijftig) dagen.
Bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie, groot 90 (negentig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 1 (één) jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 1 (één) jaar ten behoeve van het vaststellen van zijn/haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte:
Geeft opdracht aan de Reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde(n) en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Beveelt dat de gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen jeugddetentie.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
€ 470,50 (goednummer: 6365631).
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het in de zaak met parketnummer 10-064720-24 onder 1 subsidiair, 2 subsidiair, 3 subsidiair en 4 subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.000,00 (duizend euro) ter zake van immateriële schade.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 10-064720-24 onder 1 subsidiair, 2 subsidiair, 3 subsidiair en 4 subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.000,00 (duizend euro) als vergoeding voor immateriële schade.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 0 (nul) dagen.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Ten aanzien van zaak C
Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 250,- (tweehonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 5 (vijf) dagen.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C.J. van der Wilt, mr. A.M.P. Geelhoed en mr. A.W.T. Klappe, in tegenwoordigheid van mr. Z. Hoshmand, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 23 april 2025.
Mr. C.J. van der Wilt is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]
[…]