afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000706-24
datum uitspraak: 27 mei 2025
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen - na terugwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 26 maart 2024 - op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 17 maart 2020 in de strafzaak onder parketnummer 13-096600-19 tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1999,
adres: [adres] .
Procesgang
De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het - onder feit 2 tenlastegelegde - veroordeeld tot een taakstraf van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, met aftrek van het voorarrest.
De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Het gerechtshof Amsterdam heeft de verdachte bij arrest van 29 juli 2021 niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.
De verdachte heeft tegen het arrest van het gerechtshof beroep in cassatie ingesteld.
De Hoge Raad der Nederlanden heeft bij arrest van 26 maart 2024 het arrest van het gerechtshof Amsterdam vernietigd en de zaak naar het gerechtshof Amsterdam teruggewezen teneinde, met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad, deze in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en, na terugwijzing, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 13 mei 2025.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.
Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
De verdachte is door rechtbank Amsterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is – voor zover nog aan de orde in hoger beroep - tenlastegelegd dat:
2.hij op of omstreeks 19 april 2019, te Amsterdam, in elk geval in Nederland, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een andere of anderen, althans alleen, van een voorwerp, te weten een geldbedrag van circa 2200 euro, de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op een voorwerp, te weten voornoemd geldbedrag, was, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig (eigen) misdrijf;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal wegens proceseconomische redenen worden vernietigd.
Bewijsoverweging van het onder 2 ten laste gelegde
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden gelet op de onderlinge samenhang van feiten en omstandigheden zoals deze uit het dossier volgt.
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van witwassen. Daartoe heeft hij – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat geen sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen en voor zover dat toch zou worden aangenomen dat de verdachte een concrete, min of meer verifieerbare verklaring heeft gegeven die niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is dat het geld niet uit enig misdrijf afkomstig is.
Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis, eerste lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht opgenomen bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf", niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.
Het hof stelt vast dat niet bewezen kan worden dat het contante bedrag afkomstig is uit een concreet aan te duiden misdrijf.
Dat een voorwerp "afkomstig is uit enig misdrijf", kan, als op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, evenwel ook bewezen worden geacht, als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Als door het openbaar ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij of zij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat deze verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
Als de verdachte zo'n verklaring heeft gegeven, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Als zo'n verklaring is uitgebleven, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn bewijsoverwegingen.
Het hof overweegt als volgt.
De verdachte kreeg als bestuurder van een auto een stopteken. De gedragingen van de verdachte en de andere inzittenden van de auto die daarop volgden, te weten het ongevraagd uitstappen, zenuwachtig gedrag en het constant met hun handen in hun broekzakken zitten waarbij het leek alsof zij met hun handen iets wegstopten/verstopten, alsmede de antecedenten van de verdachte en een van de bijrijders hebben de verbalisanten doen overgaan tot een fouillering. Nadat de verdachte was gefouilleerd, werd tijdens de fouillering van een medeverdachte waargenomen dat de verdachte weer in het voertuig ging zitten, iets van de achterbank pakte, even rommelde op de rechter voorstoel en vervolgens weer uitstapte. Vervolgens wordt op die rechter voorstoel een tas met geopende ritsen aangetroffen, terwijl die tas eerder nog met gesloten ritsen op de achterbank stond. Bij de daaropvolgende (tweede) fouillering van de verdachte - waar hij niet aan mee wilde werken - werd vervolgens een verdikking onder zijn broeksband gevoeld. Op aanwijzen van de verbalisant haalde de verdachte in eerste instantie één briefje van € 50,- uit zijn onderbroek en duwde de overige goederen dieper in zijn onderbroek. Pas na aandringen van de verbalisant haalde de verdachte ook de rest van de biljetten uit zijn onderbroek. Gelet op deze wijze van verbergen van het geldbedrag, in combinatie met de gedragingen van de verdachte en zijn bijrijders en het feit dat bij de bijrijders verdovende middelen zijn aangetroffen, is het hof van oordeel dat sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen. Derhalve mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring aflegt dat het geldbedrag niet van misdrijf afkomstig is.
De verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij een geldbedrag van in totaal zo’n € 1.350 een week voor zijn aanhouding heeft gekregen voor zijn verjaardag van familie en vrienden. Hij heeft dit geld gekregen in verschillende coupures, waarna hij dit op de dag van zijn aanhouding bij een telefoonwinkel heeft laten wisselen in coupures van € 50,-. Hij had op de dag van zijn aanhouding van zijn verjaardagsgeld sportartikelen gekocht en het (resterende deel van het) geldbedrag verstopt in zijn onderbroek omdat hij in het verleden is beroofd.
Naar het oordeel van het hof is voornoemde verklaring niet aan te merken als voldoende concreet en verifieerbaar en op voorhand hoogst onwaarschijnlijk. Immers heeft de verdachte op geen enkel moment een concrete en geloofwaardige verklaring afgelegd over van wie hij het geld precies heeft gekregen, waar en om welke reden hij het geld heeft laten wisselen in andere coupures en waarom hij zo’n groot contant geldbedrag bij zich had als hij bang was om beroofd te worden.
Het aldus door de verdachte geboden tegenwicht tegen de verdenking van witwassen geeft onvoldoende aanleiding tot een nader onderzoek door het openbaar ministerie. Er is daarom geen andere conclusie mogelijk dan dat het geldbedrag onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is en dat de verdachte dat wist.
Het hof komt daarmee tot een bewezenverklaring van witwassen.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
2.hij op 19 april 2019, te Amsterdam, van een voorwerp, te weten een geldbedrag van circa 1100 euro de herkomst, de vindplaats, heeft verborgen en/of verhuld terwijl hij wist dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig (eigen) misdrijf.
Hetgeen onder 2 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
witwassen.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straffen
De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder feit 2 bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf van 80 uren subsidiair 40 dagen hechtenis met aftrek van voorarrest. Tevens is het inbeslaggenomen geldbedrag van € 1.100,- verbeurd verklaard.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder feit 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en dat het inbeslaggenomen geldbedrag van € 1.100,- verbeurd wordt verklaard.
De raadsman heeft ten aanzien van de straf verzocht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen van vier dagen, welke straf overeenkomt met de duur die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan witwassen van een geldbedrag van € 1.100,-. Het voorhanden hebben van voorwerpen die van misdrijf afkomstig zijn, vormt een bedreiging voor de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Witwassen van een dergelijk bedrag rechtvaardigt in beginsel de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één week tot twee maanden, dan wel een onvoorwaardelijke taakstraf.
Ter terechtzitting in hoger beroep is echter gebleken dat de verdachte een positieve wending heeft gegeven aan zijn leven. Hij heeft een baan en wordt vanuit de gemeente geholpen bij het vinden van een woning en bij het aflossen van zijn schulden. Het hof is met de verdediging van oordeel dat het onwenselijk is deze positieve ontwikkelingen te doorkruisen. Daarnaast heeft het hof rekening gehouden met het feit dat het bewezenverklaarde een oud feit uit 2019 betreft en met de straf die het hof bij arrest van gelijke datum in een niet gevoegde zaak heeft opgelegd.
Het hof constateert dat de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, in cassatie is geschonden. In strafzaken wordt onder meer geen vermindering van de opgelegde straf toegepast als het gaat om een gevangenisstraf waarvan het onvoorwaardelijke gedeelte minder beloopt dan een maand. Gelet hierop volstaat het hof met de enkele constatering dat de redelijke termijn is geschonden.
Het hof acht, alles afwegende, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.
Beslag
Het onder 2 tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan met betrekking tot het hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp. Het behoort de verdachte toe. Het zal daarom worden verbeurd verklaard.
De overige voorwerpen op de beslaglijst zullen aan de verdachte worden teruggegeven.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 33, 33a, 63 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) dagen.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
1100 EUR (Omschrijving: 5739492).
Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
65 EUR (Omschrijving: 5739702);
1. STK Personenauto [kenteken] (Omschrijving: 5395600).
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. B.E. Dijkers, mr. A.M. Koolen - Zwijnenburg en mr. C.P.E.M. Fonteijn-van der Meulen, in tegenwoordigheid van mr. J.P.M. Veerman, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 27 mei 2025.
=========================================================================
[…]