ECLI:NL:GHAMS:2025:3851

ECLI:NL:GHAMS:2025:3851

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 27-05-2025
Datum publicatie 05-06-2026
Zaaknummer 23-002270-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Bewezenverklaring handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwetgegeven verbod. De overdracht van verdovende middelen. Op grond van de inhoud van het ambtsedig proces-verbaal van de politie waarin de door de verbalisant op de camerabeelden waargenomen overdracht wordt beschreven, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat door de verdachte (naast het vervoeren) ook is gehandeld in verdovende middelen. Dat bij de verdachte bij zijn aanhouding geen geld is aangetroffen, levert hiervoor, anders dan door de raadsman aangevoerd, geen contra-indicatie op, nu hij zich in zijn vlucht ook van het geld heeft kunnen ontdoen. Bij de strafoplegging rekening gehouden met feit dat de verdachte een positieve wending heeft gegeven aan zijn leven. Het is onwenselijk de positieve ontwikkelingen te doorkruisen. Om die reden een deels voorwaardelijke straf opgelegd.

Uitspraak

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 13 mei 2025.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 7 juli 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 15 pillen (6524425), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende (vermoedelijk) MDMA en/of ongeveer 2,68 gram (6524431), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende (vermoedelijk) cocaïne, zijnde (vermoedelijk) MDMA en/of cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewijsoverweging

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld het verkopen van de verdovende middelen wettig en overtuigend kan worden bewezen. De drugsdeal is op camera gezien door verbalisanten en er is geen reden om te twijfelen aan deze bevindingen.

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte geen drugs heeft verkocht en verzoekt de verdachte van dat deel van de tenlastelegging vrij te spreken. De verdachte is aangehouden zonder geld op zak en er is ook geen geld aangetroffen op de plek waar de drugs zijn achtergelaten.

Het hof overweegt als volgt.

Op grond van het procesdossier en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is vast komen te staan dat de verdachte op 7 juli 2024 een man ontmoette, hem aansprak en dat zij over en weer iets overhandigden. Even later is door verbalisanten gezien dat de verdachte iets op de bovenkant van de linkerhand van de man legde, waarna de man zijn linkerhand naar zijn neus bewoog en hetgeen dat op zijn hand was gelegd opsnoof met zijn neus. Vervolgens zijn de twee mannen weggelopen en gestopt bij een pinautomaat. De verdachte is toen de politie ter plaatse kwam weggerend en heeft gedurende zijn vlucht de verdovende middelen verstopt in een sok in de bosjes, welke kort daarop door de politie zijn gevonden.

Op grond van de inhoud van het ambtsedig proces-verbaal van de politie waarin de door de verbalisant op de camerabeelden waargenomen overdracht wordt beschreven, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat door de verdachte (naast het vervoeren) ook is gehandeld in verdovende middelen. Dat bij de verdachte bij zijn aanhouding geen geld is aangetroffen, levert hiervoor, anders dan door de raadsman aangevoerd, geen contra-indicatie op, nu hij zich in zijn vlucht ook van het geld heeft kunnen ontdoen.

Het hof acht het ten laste gelegde dan ook bewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 7 juli 2024 te Amsterdam opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd pillen van een materiaal bevattende MDMA en/of 2,68 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde MDMA en/of cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 90 uren subsidiair 45 dagen hechtenis.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis.

De verdediging heeft bepleit dat de eis van de advocaat-generaal veel te hoog is. De raadsman heeft aangevoerd dat een taakstraf voor de duur van 60 uren voldoende recht doet aan de ernst van het feit.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opzettelijk verkopen en vervoeren van drugs. De verspreiding en het gebruik van harddrugs vormen een ernstig gevaar voor de volksgezondheid, brengen onrust in de samenleving teweeg en leiden veelal, direct en indirect tot diverse vormen van (andere) criminaliteit. In beginsel rechtvaardigt een dergelijk strafbaar feit de oplegging van een forse onvoorwaardelijke taakstraf.

Ter terechtzitting in hoger beroep is echter gebleken dat de verdachte een positieve wending heeft gegeven aan zijn leven. Hij heeft een baan en wordt vanuit de gemeente geholpen bij het vinden van een woning en bij het aflossen van zijn schulden. Het hof is met de verdediging van oordeel dat het onwenselijk is deze positieve ontwikkelingen te doorkruisen.

Het hof acht daarom, alles afwegende, en rekening houdend met de straf die het hof bij arrest van gelijke datum in een niet gevoegde zaak heeft opgelegd, een deels voorwaardelijke taakstraf van na te melden duur passend en geboden. Hiermee wordt enerzijds de ernst van de feiten tot uitdrukking gebracht en anderzijds wordt beoogd de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 63 van het Wetboek van Strafrecht.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 12 januari 2024 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

De advocaat-generaal heeft gevorderd de gevangenisstraf om te zetten naar een taakstraf van 120 uur uren, gelet op de positieve ontwikkelingen in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

De raadsman heeft verzocht de gevangenisstraf om te zetten naar een taakstraf van 60 uren.

Het hof overweegt dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom kan de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast. Het hof zal in plaats van een last tot tenuitvoerlegging van deze vrijheidsstraf een taakstraf voor de duur van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis gelasten. Het hof ziet geen aanleiding om de duur van de taakstraf te beperken, zoals door de raadsman is verzocht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt in plaats van de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 12 januari 2024 met parketnummer 10-303452-23, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden, een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. B.E. Dijkers, mr. A.M. Koolen - Zwijnenburg en mr. C.P.E.M. Fonteijn-van der Meulen, in tegenwoordigheid van mr. J.P.M. Veerman, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 27 mei 2025.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. J.P.M. Veerman

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand