GERECHTSHOF AMSTERDAM
Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
Zaaknummer: 200.342.522/01
Zaaknummer rechtbank: C/13/729099 / FA RK 22-743
Beschikking van de meervoudige kamer van 18 maart 2025 inzake
[de man] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. J. du Bois te Amsterdam,
tegen
[de vrouw] ,
wonende te [plaats B] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. P.P. Hoyng te Haarlem.
1. Het verder verloop van de procedure in hoger beroep
In deze zaak heeft het hof op 18 februari 2025 een tussenbeschikking gegeven, waarin
het hof de man ontvankelijk heeft verklaard in zijn hoger beroep en de vrouw in de gelegenheid heeft gesteld een verweerschrift in te dienen, met aanhouding van iedere verdere beslissing. Het hof verwijst naar deze tussenbeschikking.
Mr. Hoyng heeft bij bericht van 21 februari 2025 namens de vrouw verzocht vanwege proceseconomische redenen te bepalen dat tegen bedoelde tussenbeschikking tussentijds cassatieberoep kan worden ingesteld.
Mr. Du Bois heeft zich bij bericht van 5 maart 2025 namens de man verzet tegen het openstellen van tussentijds cassatieberoep.
2. De beoordeling
Naar het oordeel van het hof is het belang van de vrouw bij het openstellen van tussentijds beroep in cassatie voldoende aannemelijk, nu de kwestie die in dit stadium aan de orde is de ontvankelijkheid van de man in hoger beroep betreft. Een definitief oordeel daarover, voordat een uitgebreide procedure wordt gevoerd over het inhoudelijke geschil, is voor de vrouw van belang te achten. Dat door het openstellen van tussentijds beroep in cassatie de procedure vertraging oploopt, acht het hof in de gegeven omstandigheden niet van zodanig gewicht dat dit aan toewijzing van het verzoek in de weg staat. Het verzoek zal daarom worden toegewezen.
3. Beslissing
Het hof:
bepaalt dat tussentijds beroep in cassatie kan worden ingesteld van de tussenbeschikking van dit hof van 18 februari 2025.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.M.C. Louwinger-Rijk, mr. A.R. Sturhoofd en mr. P.J.W.M. Sliepenbeek, in tegenwoordigheid van mr. W.J. Boon als griffier en is op 18 maart 2025 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.