Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
4 juni 2024, 17 juli 2025, 12 maart 2026, 26 maart 2026, 20 april 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadslieden naar voren hebben gebracht.
Tenlastelegging
Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte tenlastegelegd dat:
1. primair
hij (al dan niet h.o.d.n. [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] en/of [bedrijf 3] en/of [bedrijf 4] en/of [bedrijf 5] en/of [bedrijf 6] ), op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2018 tot en met 26 juli 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
(telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen, door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door (een) listige kunstgre(e)p(en) en/of door een samenweefsel van verdichtsels,
de hierna genoemde personen en/of een of meer (andere) perso(o)n(en) en/of rechtsperso(o)n(en) (DOC-068, AMB-023, p. 8) heeft/hebben bewogen tot (girale) afgifte van een of meer geldbedrag(en) van in totaal (ongeveer) EUR 6.068.307,-- (AMB-023, p. 8, AMB-031, DOC-067, DOC-067A, DOC-077), althans EUR 5.643.945,-- (DOC-077), althans van een of meer geldbedrag(en), althans van enig goed, te weten (onder meer):
- [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] (G-03) tot afgifte van EUR 12.000,--, althans enig geldbedrag; en/of
- [benadeelde 3] (G-16) tot afgifte van EUR 225.000,--, althans enig geldbedrag; en/of
- [benadeelde 4] (G-14) tot afgifte van EUR 69.934,16, althans enig geldbedrag; en/of
- [benadeelde 5] (G-12) tot afgifte van EUR 27.000,--, althans enig geldbedrag; en/of
- [benadeelde 6] (G-06) tot afgifte van EUR 20.000,--, althans enig geldbedrag;
immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of een of meer mededader(s), (telkens) met voornoemd oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid (aan) een of meer bovengenoemde perso(o)n(en) en/of (aan) een of meer (andere) perso(o)n(en) en/of rechtsperso(o)n(en) (DOC-068, AMB-023, p. 8),
(onder meer) in persoon en/of telefonisch en/of per e-mail en/of middels een website ( [website] ) (DOC-006) en/of middels facebook en/of middels het internet en/of middels een brochure en/of middels informatiemateriaal en/of middels een of meer tussenperso(o)n(en) en/of middels mond-tot-mondreclame, medegedeeld en/of voorgewend en/of laten meedelen en/of laten voorwenden dat
1. hij en/of (medewerkers en/of traders van) [bedrijf 2] en/of [bedrijf 3] en/of [bedrijf 4] en/of [bedrijf 5] en/of [bedrijf 6] (een) bonafide/betrouwbare investeerder(s)/belegger(s) en/of investeringsmaatschappij/beleggingsmaatschappij en/of beheerder(s) van aan hem/haar/hen toevertrouwde en/of ingelegde gelden is/zijn en/of was/waren; en/of
2. hij en/of (medewerkers en/of traders van) [bedrijf 2] en/of [bedrijf 3] en/of [bedrijf 4] en/of [bedrijf 5] en/of [bedrijf 6] (jarenlange) ervaring heeft/hebben/had(den) met (dag)handel in cryptovaluta en/of cryptocurrencies; en/of
3. de (gehele) inleg van (een) inlegger(s) werd geïnvesteerd/belegd en/of zou worden geïnvesteerd/belegd in (dag)handel in cryptovaluta en/of cryptocurrencies en/of werd/zou worden omgezet in cryptovaluta en/of cryptocurrencies en/of van die (gehele) inleg cryptovaluta en/of cryptocurrencies werden/zouden worden aangekocht; en/of
4. hij en/of (medewerkers en/of traders van) [bedrijf 2] en/of [bedrijf 3] en/of [bedrijf 4] en/of [bedrijf 5] en/of [bedrijf 6] met (dag)handel in cryptovaluta en/of cryptocurrencies (dagelijks) winst genereerde(n) en/of had(den) gegenereerd; en/of
5. ( a.d.h.v. rekenvoorbeelden) een (winstafhankelijk) (hoog) rendement (tussen 0,5 en 1% per dag) behaald en/of uitgekeerd werd of zou (kunnen) worden; en/of
6. geen verlies werd/kon worden geleden en/of verliezen beperkt werden/zouden worden en/of er geen of een laag risico is/was (doordat per trade een maximale stoploss van 3% werd/zou worden gehanteerd en/of de inleg voor een maximumbedrag van EUR 225.000 was/zou zijn verzekerd); en/of
7. ( een) inlegger(s) zijn/haar/hun inleg (desgewenst) (binnen maximaal acht (werk)dag(en), althans een aantal dagen) (deels) terugkreeg/kregen/kon(den) terugkrijgen en/of dagelijks kon(den) opnemen, en/of (een) inlegger(s) (onder de noemer rendement) (dagelijks) uitbetalingen kreeg/kregen/kon(den) laten doen/zou(den) kunnen krijgen (terwijl deze uitbetaling(en) (telkens) feitelijk (grotendeels) gefinancierd werd(en) door middel van een of meer ingelegde geldbedrag(en) van een of meer andere inlegger(s)); en/of verzwegen dat
8. een of meer ingelegd(e) geldbedrag(en) (deels) werd(en)/zou(den) (worden) aangewend voor een of meer privébesteding(en) door hem, verdachte, en/of een of meer mededader(s);
waardoor bovengenoemde perso(o)n(en) en/of een of meer (andere) perso(o)n(en) en/of rechtsperso(o)n(en) (telkens) werd(en) bewogen tot de (girale) afgifte van een of meer geldbedrag(en), althans enig geldbedrag;
1. subsidiair
[bedrijf 2] (al dan niet h.o.d.n. [bedrijf 4] en/of [bedrijf 5] en/of [bedrijf 6] ) en/of (een) aanverwante rechtsperso(o)n(en), op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 8 februari 2018 tot en met 26 juli 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
(telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen, door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door (een) listige kunstgre(e)p(en) en/of door een samenweefsel van verdichtsels,
de hierna genoemde personen en/of een of meer (andere) perso(o)n(en) en/of rechtsperso(o)n(en) (DOC-068, AMB-023, p. 8) heeft/hebben bewogen tot (girale) afgifte van een of meer geldbedrag(en) van in totaal (ongeveer) EUR 6.061.668,-- (AMB-023, p. 8, AMB-031, DOC-067, DOC-067A, DOC-077), althans EUR 5.581.215 (DOC-077), althans van een of meer geldbedrag(en), althans van enig goed, te weten (onder meer):
- [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] (G-03) tot afgifte van EUR 10.000,--, althans enig geldbedrag; en/of
- [benadeelde 3] (G-016) tot afgifte van EUR 225.000,--, althans enig geldbedrag; en/of
- [benadeelde 4] (G-014) tot afgifte van EUR 69.934,16, althans enig geldbedrag; en/of
- [benadeelde 5] (G-012) tot afgifte van EUR 27.000,--, althans enig geldbedrag; en/of
- [benadeelde 6] (G-06) tot afgifte van EUR 20.000,--, althans enig geldbedrag;
immers heeft/hebben [bedrijf 2] en/of een of meer mededader(s), (telkens) met voornoemd oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid (aan) een of meer bovengenoemde perso(o)n(en) en/of (aan) een of meer (andere) (aan) een of meer (andere) perso(o)n(en) en/of rechtsperso(o)n(en) (DOC-068, AMB-023, p. 8),
(onder meer) in persoon en/of telefonisch en/of per e-mail en/of middels een website ( [website] ) (DOC-006) en/of middels facebook en/of middels het internet en/of middels een brochure en/of middels informatiemateriaal en/of middels een of meer tussenperso(o)n(en) en/of middels mond-tot-mondreclame, medegedeeld en/of voorgewend en/of laten meedelen en/of laten voorwenden dat
1. hij, verdachte, en/of (medewerkers en/of traders van) [bedrijf 2] en/of [bedrijf 3] en/of [bedrijf 4] en/of [bedrijf 5] en/of [bedrijf 6] (een) bonafide/betrouwbare investeerder(s)/belegger(s) en/of investeringsmaatschappij/beleggingsmaatschappij en/of beheerder(s) van aan hem/haar/hen toevertrouwde en/of ingelegde gelden is/zijn en/of was/waren; en/of
2. hij, verdachte, en/of (medewerkers en/of traders van) [bedrijf 2] en/of [bedrijf 3] en/of [bedrijf 4] en/of [bedrijf 5] en/of [bedrijf 6] (jarenlange) ervaring heeft/hebben/had(den) met (dag)handel in cryptovaluta en/of cryptocurrencies; en/of
3. de (gehele) inleg van (een) inlegger(s) werd geïnvesteerd/belegd en/of zou worden geïnvesteerd/belegd in (dag)handel in cryptovaluta en/of cryptocurrencies en/of werd/zou worden omgezet in cryptovaluta en/of cryptocurrencies en/of van die (gehele) inleg cryptovaluta en/of cryptocurrencies werden/zouden worden aangekocht; en/of
4. hij, verdachte, en/of (medewerkers en/of traders van) [bedrijf 2] en/of [bedrijf 3] en/of [bedrijf 4] en/of [bedrijf 5] en/of [bedrijf 6] met (dag)handel in cryptovaluta en/of cryptocurrencies (dagelijks) winst genereerde(n) en/of had(den) gegenereerd; en/of
5. ( a.d.h.v. rekenvoorbeelden) een (winstafhankelijk) (hoog) rendement (tussen 0,5 en 1% per dag) behaald en/of uitgekeerd werd of zou (kunnen) worden; en/of
6. geen verlies werd/kon worden geleden en/of verliezen beperkt werden/zouden worden en/of er geen of een laag risico is/was (doordat per trade een maximale stoploss van 3% werd/zou worden gehanteerd en/of de inleg voor een maximumbedrag van EUR 225.000 was/zou zijn verzekerd); en/of
7. ( een) inlegger(s) zijn/haar/hun inleg (desgewenst) (binnen maximaal acht (werk)dag(en), althans een aantal dagen) (deels) terugkreeg/kregen/kon(den) terugkrijgen en/of dagelijks kon(den) opnemen, en/of (een) inlegger(s) (onder de noemer rendement) (dagelijks) uitbetalingen kreeg/kregen/kon(den) laten doen/zou(den) kunnen krijgen (terwijl deze uitbetaling(en) (telkens) feitelijk (grotendeels) gefinancierd werd(en) door middel van een of meer ingelegde geldbedrag(en) van een of meer andere inlegger(s)); en/of verzwegen dat
8. een of meer ingelegd(e) geldbedrag(en) (deels) werd(en)/zou(den) (worden) aangewend voor een of meer privébesteding(en) door hem, verdachte, en/of een of meer mededader(s);
waardoor bovengenoemde perso(o)n(en) en/of een of meer (andere) perso(o)n(en) en/of rechtsperso(o)n(en) (telkens) werd(en) bewogen tot de (girale) afgifte van een of meer geldbedrag(en), althans enig geldbedrag;
tot welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opdracht heeft gegeven en/of aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven;
EN/OF
1. primair
hij (al dan niet h.o.d.n. [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] en/of [bedrijf 3] en/of [bedrijf 4] en/of [bedrijf 5] en/of [bedrijf 6] ), op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2018 tot en met 26 juli 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland en/of in Duitsland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
(telkens) opzettelijk een of meer geldbedrag(en) van (in totaal) (ongeveer) EUR 2.665.715,-- (AMB-023, p. 32, DOC-069 t/m DOC-077), althans een of meer geldbedrag(en), althans enig goed,
die/dat geheel of ten dele toebehoorde(n) aan een of meer inlegger(s) (in [bedrijf 4] en/of [bedrijf 5] en/of [bedrijf 6] ) en/of perso(o)n(en) en/of rechtsperso(o)n(en) (AMB-023, DOC-077), in elk geval aan (een) ander(en) dan verdachte en/of zijn mededader(s),
welk(e) geldbedrag(en) en/of goed(eren) verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) uit hoofde van zijn/hun persoonlijke dienstbetrekking(en) en/of beroep(en) en/of tegen geldelijke vergoeding(en), te weten (als inleg van (een) geldbedrag(en)) voor de aankoop van en/of verkoop van en/of (dag)handel in cryptovaluta en/of cryptocurrencies, althans (in ieder geval) anders dan door misdrijf, onder zich had/hadden, zich wederrechtelijk heeft/hebben toegeëigend;
1. subsidiair
[bedrijf 2] (al dan niet h.o.d.n. [bedrijf 4] en/of [bedrijf 5] en/of [bedrijf 6] ) en/of (een) aanverwante rechtsperso(o)n(en), op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 8 februari 2018 tot en met 26 juli 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland en/of in Duitsland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
(telkens) opzettelijk een of meer geldbedrag(en) van (in totaal) (ongeveer) EUR 2.665.081,-- (AMB-023, p. 32, DOC-069 t/m DOC-077), althans een of meer geldbedrag(en), althans enig goed,
die/dat geheel of ten dele toebehoorde(n) aan een of meer inlegger(s) (in [bedrijf 4] en/of [bedrijf 5] en/of [bedrijf 6] ) en/of perso(o)n(en) en/of rechtsperso(o)n(en) (AMB-023, DOC-077), in elk geval aan (een) ander(en) dan verdachte en/of zijn mededader(s),
welk(e) geldbedrag(en) en/of goed(eren) [bedrijf 2] en/of een of meer van haar mededader(s) uit hoofde van haar/hun persoonlijke dienstbetrekking(en) en/of beroep(en) en/of tegen geldelijke vergoeding(en), te weten (als inleg van (een) geldbedrag(en)) voor de aankoop van en/of verkoop van en/of (dag)handel in cryptovaluta en/of cryptocurrencies, althans (in ieder geval) anders dan door misdrijf, onder zich had/hadden, zich wederrechtelijk heeft/hebben toegeëigend;
tot welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opdracht heeft gegeven en/of aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven;
2.
hij (al dan niet h.o.d.n. [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] en/of [bedrijf 3] en/of [bedrijf 4] en/of [bedrijf 5] en/of [bedrijf 6] ), op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2018 tot en met 26 juli 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland en/of in Duitsland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk,
een geldbedrag van (in totaal) (ongeveer) EUR 1.183.826,-- (AMB-026, p. 8), althans een of meer geldbedrag(en), te weten (onder meer):
A. een geldbedrag van (in totaal) (ongeveer) EUR 648.710,-- (AMB-018, p. 4, AMB-023, p. 27, AMB-026, p. 4, DOC-078), althans een of meer geldbedrag(en) (betreffende onder meer een of meer overboeking(en) van een of meer bankrekening(en) ten name van [bedrijf 2] en/of [bedrijf 5] naar een of meer privérekening(en) van hem, verdachte, ten behoeve van een of meer privébesteding(en) door hem, verdachte, en/of een of meer mededader(s)); en/of
B. een geldbedrag van (in totaal) (ongeveer) EUR 314.365,-- (AMB-018, p. 2, AMB-026, p. 4, DOC-079, DOC-020 t/m DOC-025, DOC-014, DOC-015), althans een of meer geldbedrag(en) (betreffende onder meer een of meer overboeking(en) van een of meer bankrekening(en) ten name van [bedrijf 2] en/of [bedrijf 5] ten behoeve van een of meer privébesteding(en) door hem, verdachte, en/of een of meer mededader(s)); en/of
C. een geldbedrag van (in totaal) (ongeveer) EUR 220.751,-- (AMB-018, p. 2, AMB-026, p. 4, DOC-080), althans een of meer geldbedrag(en) (betreffende onder meer een of meer overboeking(en) van een of meer bankrekening(en) ten name van [bedrijf 2] en/of [bedrijf 5] naar een of meer bankrekening(en) ten name van een of meer ander(en), niet zijnde een of meer inlegger(s)); en/of
D. een geldbedrag van (in totaal) (ongeveer) EUR 100.000,- - (AMB-026, p. 4), althans een of meer geldbedrag(en) (betreffende onder meer een of meer overboeking(en) van een of meer bankrekening(en) ten name van [bedrijf 2] en/of [bedrijf 5] naar een of meer bankrekening(en) ten name van [bedrijf 7] );
heeft/hebben verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of van dat/die voorwerp(en) gebruik heeft/hebben gemaakt, terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s), (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat dat/die geldbedrag(en) en/of voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - (mede) afkomstig was/waren uit enig misdrijf, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) daarvan een gewoonte heeft/hebben gemaakt.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een deels andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.
Bespreking verweer nietigheid dagvaarding
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het zinsdeel “en/of een of meer (andere) perso(o)n(en)” in de onder feit 1 primair en subsidiair ten laste gelegde oplichtingsfeiten niet voldoet aan de eisen van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) en dat de dagvaarding op dat punt partieel nietig moet worden verklaard. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat het voor de verdediging wat dit zinsdeel betreft niet duidelijk is welke inleggers door welke middelen zouden zijn bewogen tot afgifte van geld. Nu er in deze zaak geen sprake is van een homogene groep, had het openbaar ministerie dit moeten specificeren per inlegger.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van nietigheid van de dagvaarding in het door de verdediging aangeduide zinsdeel. De tenlastelegging zoals opgenomen in de dagvaarding is ook op dit punt voldoende helder en uit het dossier volgt wat de handelingen van de verdachte zijn geweest en op grond waarvan de niet met name genoemde andere personen bewogen zijn om geld in te leggen.
Het hof overweegt als volgt.
Bij de beoordeling van de geldigheid van de dagvaarding gaat het om de vraag of het gemaakte verwijt voor de verdachte te begrijpen is, hetgeen hier naar het oordeel van het hof het geval is. De tekst van de tenlastelegging heeft in combinatie met het onderliggende dossier voldoende duidelijk gemaakt waartegen de verdachte zich heeft moeten verdedigen. Dit geldt zowel ten aanzien van welke (rechts)personen door de verdachte zouden zijn opgelicht, als voor wat betreft welke feitelijke handelingen (punten 1 t/m 8, hierna ook genoemd ‘gedachtestreepje’) de verdachte in dat verband worden verweten. Voor zover het verweer van de raadsman ziet op de bewijsrechtelijke kant van de zaak, verwijst het hof naar de bewijsoverweging zoals hierna opgenomen.
Vrijspraken
Het hof komt – anders dan de rechtbank – zowel bij het onder 1 als het onder 2 tenlastegelegde tot een vrijspraak van het tenlastegelegde ‘tezamen en in vereniging met een ander of anderen’ (medeplegen).
Voor het bewijs van medeplegen is vereist dat kan worden vastgesteld dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking. Het hof is van oordeel dat ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde er onvoldoende aanwijzingen zijn dat de verdachte bij de tenlastegelegde oplichting heeft samengewerkt met zijn partner [naam 1] omdat er te weinig aanwijzingen zijn dat zij het oogmerk heeft gehad om inleggers middels listige kunstgrepen te bewegen tot de afgifte van geldbedragen. Ook van samenwerking met anderen in de hier bedoelde zin is niet gebleken.
Ook ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde is niet gebleken van medeplegen. De partner van de verdachte, [naam 1] , heeft weliswaar geprofiteerd van de door de verdachte witgewassen gelden die door oplichting waren verkregen, maar niet is kunnen worden vastgesteld dat [naam 1] wetenschap had dat de gelden waarover zij met de verdachte beschikte, verkregen waren uit misdrijf. De bewijsmiddelen laten de mogelijkheid open dat [naam 1] gewoon veronderstelde dat de verdachte een (heel) goed lopend bedrijf had.
Gelet op voornoemde zal de verdachte dan ook partieel worden vrijgesproken van het onder 1 en 2 ten laste gelegde medeplegen.
Bewijsoverweging
De raadsman (mr. Keizer) heeft zich op het standpunt gesteld dat – anders dan wordt gesuggereerd in het dossier – er geenszins sprake was van een ponzi-scheme of piramidespel. De verdachte heeft alle dagen getraded en veel geld verdiend, waarvan de helft rechtens toekwam aan [bedrijf 5] c.q. de verdachte. De verdachte heeft weliswaar niet alles perfect gedaan en onverstandige bedrijfsbeslissingen genomen, maar heeft géén fouten begaan die gekwalificeerd kunnen worden als opzettelijke oplichting, verduistering of witwassen. Er dient vrijspraak te volgen van feit 1 en daarmee ook van het onder 2 tenlastegelegde witwassen van uit eigen misdrijf ontvangen geldbedragen. Indien het hof tot bewezenverklaring komt van feit 1, dient ontslag van alle rechtsvervolging te volgen voor de bedragen genoemd onder A en D van feit 2, aangezien het dan zou gaan om geld uit eigen misdrijf en het enkel voorhanden hebben daarvan zonder verhullingshandeling.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat feit 1 primair (oplichting) en feit 2 (gewoontewitwassen) wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.
Het hof acht het tenlastegelegde onder 1 en 2 – met uitzondering van het onderdeel ‘medeplegen’ zoals hiervoor is uiteengezet – bewezen. Het hof overweegt daartoe als volgt en neemt daarbij – nu het niet tot andere oordelen komt op dit onderdeel – de volgende overwegingen over van de rechtbank:
[feit 1]
Inleiding
Door de Fiscale Inlichtingen en Opsporingsdienst (hierna: FIOD) zijn signalen ontvangen over verdachte transacties betreffende [verdachte] , [bedrijf 6] en [bedrijf 1] . Naar aanleiding van deze meldingen is het onderzoek Melkweg gestart. De bestuurder en enig aandeelhouder van deze bedrijven is verdachte, [verdachte] (hierna: [verdachte] ). Bij dit onderzoek is geconstateerd dat via de website [website] ( [bedrijf 5] ) de mogelijkheid wordt geboden tot het investeren in het day-traden in cryptocurrency (hierna ook: crypto). In totaal blijken ongeveer 140 mensen in [bedrijf 5] en/of [bedrijf 1] te hebben geïnvesteerd, zowel via de inleg van gelden als via de directe inleg van cryptocurrency, voor een totale waarde van € 6.068.307,-. Een selectie van investeerders is vervolgens gehoord. Door de gehoorde investeerders is daarbij steeds soortgelijk verklaard. Velen zijn ingestapt vanwege de dagelijkse rendementen die zijn beloofd en de hoogte daarvan. Ook hebben zij gezien dat bij andere investeerders daadwerkelijk rendement werd uitgekeerd. Bovendien zouden de investeerders weinig risico lopen gelet op een stoploss van 3% en een verzekering van de inleg tot een maximumbedrag van
€ 225.000,-. Na gesprekken met [verdachte] en andere investeerders, leek [bedrijf 5] een betrouwbaar bedrijf met expertise, aldus de getuigen. Uit onderzoek van de FIOD is echter gebleken dat van de circa zes miljoen euro die is geïnvesteerd, minder dan zevenhonderdduizend euro aan cryptocurrency is aangekocht. Van de overige gelden op de bankrekeningen van [bedrijf 5] is € 648.710,- overgemaakt naar privérekeningen van [verdachte] . Daarnaast is € 314.365,- aangewend voor de aanschaf van luxe goederen, de huur van een appartement in Amsterdam, hotelverblijven in binnen- en buitenland en privévliegtuigen naar Ibiza, Nice en Monaco. Verder is een bedrag van € 220.751,- overgemaakt aan derden, niet zijnde investeerders, en is € 100.000,- overgemaakt aan [bedrijf 7] , een ander bedrijf van [verdachte] . Ook bleken uitkeringen van rendement en terugbetalingen van het ingelegde geld aan inleggers te zijn voldaan met de inleggelden van andere investeerders.
(…)
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat op grond van de bewijsmiddelen (…) wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting (onder feit 1, primair eerste cumulatief/alternatief) en aan het medeplegen van gewoontewitwassen (feit 2). De rechtbank overweegt daartoe in het bijzonder het volgende.
Het oordeel over de onder feit 1 ten laste gelegde oplichting
De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van oplichting is vereist dat verdachte bij een ander een onjuiste voorstelling in het leven heeft willen roepen om daarvan misbruik te maken. Dit door een specifieke. voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen. Verdachte moet hiervoor een of meer van de in artikel 326, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) bedoelde oplichtingsmiddelen hebben gebruikt. Anderen moeten daardoor zijn bewogen tot de afgifte van een goed, het verlenen van een dienst, het beschikbaar stellen van gegevens, het aangaan van een schuld of het tenietdoen van een inschuld.
Voor beantwoording van de vraag of in dit geval de inleggers van [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 5] ) door het aannemen van een valse hoedanigheid, door listige kunstgrepen of door een samenweefsel van verdichtsels, zijn bewogen tot afgifte van geldbedragen, zijn alle omstandigheden van het geval van belang.
In de tenlastelegging worden de wettelijke oplichtingsmiddelen in acht feitelijke gedragingen uitgewerkt die de rechtbank hierna zal bespreken. De rechtbank stelt daarbij de volgende feiten en omstandigheden vast en maakt daarna een vergelijking tussen hetgeen door verdachte is voorgespiegeld en de werkelijke situatie.
- Het voorgewende
Ad 1. het zich voordoen als bonafide belegger
Volgens het uittreksel van de Kamer van Koophandel (hierna: KvK) is op 8 februari 2018 de besloten vennootschap [bedrijf 2] opgericht. Enig bestuurder van [bedrijf 5] is [verdachte] . [verdachte] is enig aandeelhouder, omdat [verdachte] ook enig bestuurder is van [bedrijf 3] , zijnde enig aandeelhouder van [bedrijf 5] . Het kantoor van [bedrijf 5] is gevestigd op de Strawinksylaan in Amsterdam. Ook beschikt [bedrijf 5] over een website. Op de website van [bedrijf 5] valt te lezen dat [bedrijf 4] het eerste platform is waar kan worden geïnvesteerd in het day-traden van cryptocurrencies, waarbij [bedrijf 5] zijn rendement behaalt door cryptocurrency aan te kopen en te verkopen op basis van day-trades. Op de website wordt verdere uitleg gegeven over [bedrijf 5] en over de werkwijze van [bedrijf 5] . Verder is er een `veel gestelde vragen'-pagina en kan contact met [bedrijf 5] worden opgenomen. Ook kan een account worden aangemaakt, waar inleggers hun behaalde winsten in een persoonlijke wallet krijgen uitgekeerd. Hierna hebben zij de keuze om die winst direct te laten uitkeren of te herinvesteren. Als reden waarom men voor [bedrijf 5] zou moeten kiezen is op de website opgenomen dat zij door hun jarenlange ervaring en expertise de markt kennen en weten wanneer zij moeten kopen en verkopen, [bedrijf 5] 24/7 actief is op de cryptomarkt en door middel van hun vele investeerders een groot kapitaal heeft kunnen opbouwen, waardoor zij hogere winsten kunnen behalen.
Ook maakte [bedrijf 5] reclame op Facebook, zo blijkt uit de verklaring van [getuige 1] over hoe hij met [bedrijf 5] in contact is gekomen. [getuige 1] verklaarde daarnaast: “ [verdachte] heeft mij verteld dat er 24 uur per dag werd getrade door [bedrijf 5] ' en "hij vertelde mij dat hij zo'n twee tot drie jaar ervaring had in het beleggen in cryptocurrencies en ook al drie jaar met zijn bedrijf [bedrijf 5] bij het [adres 3] zat in Amsterdam" en " [verdachte] kwam betrouwbaar over". Door [getuige 2] is verklaard: " [verdachte] vertelde mij dat er meerdere trades per dag werden gemaakt en dat er onder aan de streep altijd wel een positief rendement was" en "Ik ben ook bij [verdachte] op kantoor geweest. Dat gaf ook het nodige vertrouwen". Ook [getuige 3] heeft verklaard dat hij bij [verdachte] op het kantoor op de [adres 3] is langs gegaan, hetgeen hem heeft getriggerd om verder te investeren bij [bedrijf 5] .
Gelet op voornoemde stelt de rechtbank vast dat door [verdachte] het bedrijf [bedrijf 5] is opgericht. [bedrijf 5] hield kantoor aan de [adres 3] in Amsterdam, waar inleggers zijn ontvangen. Verder beschikte [bedrijf 5] over een website, waarop over de werkwijze en jarenlange ervaring van [bedrijf 5] valt te lezen. De rechtbank is daarom van oordeel dat [verdachte] middels zijn mededelingen, gedragingen en presentatie, zich met [bedrijf 5] heeft voorgedaan als een betrouwbare beleggingsmaatschappij.
Ad 2. het voordoen alsof zij jarenlange ervaring hebben met handel in cryptovaluta
De rechtbank is verder van oordeel dat [verdachte] heeft doen voorkomen dat hij en [bedrijf 5] jarenlange ervaring hadden met de handel in crypto. Zo valt op de website van [bedrijf 5] te lezen: "Onze traders zijn professioneel en goed geschoold" en "Door onze jarenlange ervaring en expertise kennen wij de markt heel goed en weten we precies wanneer wij moeten kopen en verkopen". Daarnaast is de jarenlange ervaring door [verdachte] uitgedragen in het contact dat hij had met de inleggers. Zo is niet alleen door [getuige 1] verklaard dat [verdachte] hem heeft verteld twee tot drie jaar ervaring te hebben, ook voor [getuige 4] is de jarenlange ervaring een reden geweest om te investeren. Zo heeft [getuige 4] verklaard: "Omdat ik er te weinig kennis van heb, heb ik het bij een bedrijf belegd wat de expertise in huis had. Die expertise stond op de site vermeld".
Ad 3. het voordoen alsof de gehele inleg zou worden geïnvesteerd in handel in crypto
Bij de investeerders van [bedrijf 5] is op verschillende manieren de indruk gewekt dat de gehele inleg zou worden geïnvesteerd in crypto. Allereerst vermeldt de website van [bedrijf 5] onder het kopje 'verdienmodel' dat aan [bedrijf 5] overgemaakte bedragen automatisch door [bedrijf 5] worden omgezet in cryptocurrency. Ook worden op de website verschillende scenario's geschetst, waarbij is opgenomen: "Uw deelname bedraagt € 5.000,- . Met uw inleg kopen wij bitcoin aan op een prijs van € 5.000,-". Net als wat hierover op de website staat vermeld, is ook door [verdachte] steeds meegedeeld dat de gehele inleg zou worden geïnvesteerd. Zo is door [getuige 1] verklaard: “ [verdachte] vertelde dat hij met de hele inleg zou gaan traden". Dit wordt bevestigd door [getuige 5] : " [verdachte] vertelde mij dat mijn volledige inleg geïnvesteerd werd in cryptocurrency".
Bovendien heeft ook verdachte op zitting [hof: in eerste aanleg] erkend dat de afspraak was dat van de gehele inleg crypto zou worden aangeschaft (aanvullend hof: en dat zijn verdiensten uit de opbrengst daarvan zouden komen).
Ad 4. het voordoen alsof met de handel in crypto (dagelijkse) winst werd gegenereerd;
Via verschillende communicatiekanalen is het beeld geschetst dat met de handel in crypto dagelijks winst werd gegenereerd. Zo springt allereerst op de beginpagina van de website van [bedrijf 5] het dikgedrukte kopje `Elke trade rendement' in het oog. In de tekst wordt toegelicht dat [bedrijf 5] gemiddeld tien trades per dag maakt, waarvan elke avond de actuele winst zichtbaar is. Maar ook op de pagina 'over ons' valt te lezen dat [bedrijf 5] dagelijks bezig is met het analyseren van cryptocurrencies om deelnemers het maximale rendement per dag te kunnen bieden. Onder het kopje `Eenvoudig je rendement berekenen' wordt verder toegelicht dat [bedrijf 5] rendement behaalt door cryptocurrency aan te kopen en te verkopen op basis van day-trades. Daarnaast wordt op de ‘veel gestelde vragen pagina' uitgelegd dat ook winst kan worden behaald indien de prijs daalt. Tot slot is een banner opgenomen ‘Meld je nu aan', waarbij als derde stap is opgenomen: "ontvang dagelijks rendement". Door [naam 1] , de vriendin van [verdachte] die voor [bedrijf 5] de administratie verzorgde, is hierover verklaard dat zij dagelijks de door [verdachte] bepaalde dagwinsten op de site heeft verwerkt. Voor de inleggers is dan ook dagelijks rendement zichtbaar geweest. [verdachte] heeft verklaard dat er ook dagelijks rendement werd uitgekeerd aan de inleggers op de dagen dat er verliezen waren geleden. Hij deed dit om de investeerders tevreden te houden. Eventuele twijfels die bij investeerders bestonden over deze immer positieve resultaten zijn door [verdachte] weggenomen. Zo is door [getuige 2] verklaard dat hij hier wel eens naar heeft gevraagd en dat [verdachte] hem daarop heeft verteld dat er meerdere trades per dag werden gemaakt en dat er onder aan de streep altijd wel een positief rendement was. [getuige 6] heeft op zijn beurt verklaard ervan versteld te staan dat het kon dat hij elke dag winst maakte. [verdachte] heeft hem verteld dat hij met het ingelegde geld startte met traden voor die dag en dat hij aan het eind van de dag weer verkocht, waarbij het rendement werd verdeeld over de investeerders.
Door de tekst op de website van [bedrijf 5] , de mededelingen van [verdachte] en het daadwerkelijk dagelijks publiceren en uitkeren van rendement (ook op dagen dat er verliezen waren geleden), is naar het oordeel van de rechtbank bij de inleggers de indruk gewekt dat dagelijks winst werd gegenereerd.
Ad 5. het voordoen alsof een rendement tussen de 0,5 en 1 % per dag werd behaald en uitgekeerd;
Aan de inleggers is voorgehouden dat zij winsten tot wel 1 % per dag konden behalen en konden laten uitkeren. In steeds terugkerende tekstvakken op de website valt te lezen "Laat elke 24 uur uw rendement keren. Verdien soms tot wel 1% per dag" en onder het dikgedrukte kopje "Tot 1 % rendement per dag" is opgenomen: "Ons streven is 1 % per dag rendement te behalen. Het gemiddelde hangt rond de 0,5%". Ook is opgenomen dat aan het einde van de dag behaalde winsten direct worden uitgekeerd in de persoonlijke Wallet, waarna er voor kan worden gekozen om de winst direct te laten uitkeren of te laten herinvesteren. Door [getuige 5] is bevestigd dat deze toezeggingen ook in persoon door [verdachte] zijn gedaan. Zo heeft [getuige 5] verteld: " [verdachte] vertelde dat er ongeveer 1% rendement behaald kon worden. En dat stond ook vermeld op de website". Meerdere inleggers hebben verklaard te hebben geïnvesteerd vanwege de rendementsverwachting en uitkeringen die daadwerkelijk zijn geschied. Over de hoogte van de uitgekeerde rendementen heeft [getuige 4] verklaard: "vaak was het uitgekeerde rendement iedere dag ongeveer 0,4%-0,5% met soms uitschieters naar onder/boven. Dit klopte dus ongeveer met de 1% die op de website stond. De mensen die ik kende kregen echt daadwerkelijk geld uitgekeerd. Er was dus een groot vertrouwen". En ook [getuige 3] heeft verklaard: "het rendement zag je 's avonds op je account. Dit was vaak tussen de 0.5%-0,7%. Als ik besloot tot uitbetalen stond het de volgende dag op mijn rekening".
Ad 6. het voordoen alsof er een laag risico was door een ‘stoploss’ van 3% en een verzekerd bedrag van € 225.000,-
Naast toezeggingen over verwacht rendement heeft [verdachte] op verschillende manieren doen voorkomen dat er een laag risico was bij het investeren in [bedrijf 5] . Op de website van [bedrijf 5] worden daartoe twee garanties gesteld, namelijk een stoploss van 3% en een verzekerd bedrag van € 225.000,-.
Zowel op de pagina 'over ons' als op de pagina met ‘veel gestelde vragen' is opgenomen dat er een laag risico is voor de belegger, omdat [bedrijf 5] een maximale stoploss van 3% per trade hanteert. Men kan dus nooit meer dan 3% van de inleg verliezen.
Verder staat op de pagina van ‘veel gestelde vragen' vermeld dat "tegoeden van [bedrijf 5] , mits deze op het [platform 1] platform zijn gedeponeerd (wat zij overigens ALTIJD doen), zijn verzekerd tot 250.000 USD of een equivalent daarvan aan bitcoins". Op de beginpagina wordt dezelfde garantie omschreven als: "Wij zijn actief op het platform [platform 1]. Zij verzekeren uw inleg tot een maximum bedrag van € 225.000,-". Dat deze garanties ook aan de investeerders kenbaar zijn gemaakt blijkt uit verschillende getuigenverklaringen. Zo heeft [getuige 3] verklaard: " [verdachte] heeft gezegd dat er geen risicovolle trades werden gedaan en dat sprake was van een stoploss. Dit klonk allemaal heel goed en betrouwbaar. Het feit dat volgens [verdachte] deze stoploss gehanteerd werd, geeft vertrouwen". [getuige 7] heeft over de beloftes die zijn gedaan door [bedrijf 5] verklaard: "Ook was de inleg verzekerd tot maximaal € 225.000. Daarnaast dat zij een stoploss van 3% hanteren".
(…)
- De werkelijkheid
De werkelijkheid was echter anders dan de door [verdachte] en [bedrijf 5] gewekte indruk. Anders dan is vermeld op de website en dan is medegedeeld door [verdachte] , was [bedrijf 5] geen bedrijf met jarenlange ervaring in day-traden met crypto. [bedrijf 5] was pas net opgericht, namelijk op 8 februari 2018. Als traders bij [bedrijf 5] waren in dienst [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] en later ook [naam 5] . Gevraagd naar hun ervaring met de handel in crypto, blijkt van professioneel en goed geschoolde traders geen sprake. Zo heeft [naam 2] , de schoonvader van [verdachte] , hierover verklaard: "Ik had geen ervaring met het traden in cryptocurrencies. Ik wist wel van het bestaan af” en heeft [naam 3] , een neef van verdachte, verklaard: "Ik had nog niet echt ervaring met bitcoin, ik weet er alleen van via vrienden die het ooit aangeschaft hadden. [verdachte] en [naam 4] hebben mij on the job getraind". Ook trader [naam 4] , een vriend van verdachte, heeft desgevraagd toegelicht dat hij sinds een jaar als hobby in crypto handelt. Dat ook [verdachte] geen jarenlange ervaring had volgt uit zijn verklaring op zitting dat van jarenlange ervaring geen sprake was, maar dat hij zich er wel in had verdiept. Ook is er de verklaring van [naam 5] , inhoudende dat [verdachte] ( [verdachte] ) zijn cursus heeft gekocht. Vervolgens is [naam 5] door [verdachte] benaderd met de vraag [verdachte] vaker tips te geven en hem te leren analyseren. [naam 5] , de enige waarvan mogelijk kan worden gesteld kennis met de handel in crypto te hebben, is echter pas op 17 april 2018 bij [bedrijf 5] in dienst getreden.
Anders dan [verdachte] heeft doen voorkomen is uit onderzoek door de FIOD naar de geldstromen gebleken dat niet de gehele inleg van 5,6 miljoen euro is geïnvesteerd in crypto, maar dat slechts voor een bedrag van € 676.333,- crypto is aangekocht. [aanvullend hof: Tevens komt uit het onderzoek naar voren dat een aantal inleggers direct in cryptocurrency heeft ingelegd op de accounts van [bedrijf 5] op de online handelsplatformen. In totaal gaat het omgerekend om cryptocurrency met een totale waarde van € 424.362,00.] Na 8 mei 2018 zijn er geen cryptocurrencies meer aangekocht door/namens [bedrijf 5] , terwijl na die datum nog € 3.892.232 euro door inleggers is geïnvesteerd. Hierover is door [verdachte] verklaard dat het klopt dat niet het gehele geldbedrag naar de exchange is overgeheveld, en dat de reden daarvan de voorzichtige houding van banken was, waardoor het niet mogelijk was om crypto's te liquideren. Ondanks het uitblijven van investeringen in crypto's en het uitblijven van de mogelijkheid om crypto's te liquideren, heeft [verdachte] van de inleggelden wel op grote schaal privé-uitgaven gedaan. Zo is door [verdachte] een bedrag van € 648.710,- van de bankrekeningen van [bedrijf 5] overgeboekt naar zijn privérekeningen, waarvan een bedrag van € 277.995,- vervolgens contant is opgenomen.
Verder heeft [verdachte] vanaf de bankrekeningen van [bedrijf 5] gelden aangewend voor privé-uitgaven tot een bedrag van € 314.365,-, zoals onder meer voor de huur van een appartement in Amsterdam, een langdurig verblijf in het [hotel], de huur van privévliegtuigen en een vakantie op Ibiza. Daarnaast is vanaf de bankrekening van [bedrijf 5] € 220.751,- overgemaakt aan derden, zoals aan de vriendin van [verdachte] en aan een kennis van [verdachte] . Van laatstgenoemde kennis heeft [verdachte] deze bedragen weer contant ontvangen, zodat [verdachte] daarvan bestaande schulden kon aflossen. Ook is € 100.000,- overgemaakt aan [bedrijf 7] , een vastgoedbedrijf van [verdachte] .
[verdachte] heeft verder bekend dat de inleggelden feitelijk werden gebruikt om - zowel bij winst als verlies - rendementsuitkeringen te doen en inleggelden aan andere investeerders terug te betalen. Hiermee wilde [verdachte] de investeerders naar eigen zegge(n) tevreden houden. Hoewel aan investeerders dagwinsten oplopend tot 1% zijn voorgehouden, heeft [verdachte] bekend de dagelijkse rendementsuitkeringen te hebben verzonnen. In werkelijkheid is namelijk van winst helemaal geen sprake geweest. Sterker nog, uit onderzoek door de FIOD is zelfs vastgesteld dat in de periode van februari 2018 tot en met juli 2018 een verlies van € 235.717,- is geleden.
Ook de door [verdachte] en [bedrijf 5] gedane toezeggingen over de beperkingen van een eventueel verlies, zijn niet nagekomen. Zo is uit onderzoek van de FIOD gebleken en door [verdachte] erkend dat niet bij elke trade een stoploss van 3% is gehanteerd. En bij het raadplegen van de website van [platform 2]/[platform 1] door de FIOD, is gebleken dat de verzekering waarnaar door [bedrijf 5] wordt verwezen, alleen geldt voor Amerikaanse klanten en alleen als deze tegoeden in fiat valuta (zoals euro's of dollars) worden aangehouden. Niet-Amerikaanse inleggers van [bedrijf 5] kunnen daarom geen aanspraak maken op deze verzekering.
- De oplichtingsmiddelen
Gelet op het bovenstaande staat vast dat [verdachte] in strijd met de waarheid mededelingen heeft gedaan over [bedrijf 5] . De volgende vraag die moet worden beantwoord is of [verdachte] hierbij gebruik heeft gemaakt van één van de in de artikel 326 Sr genoemde oplichtingsmiddelen, te weten het aannemen van een valse naam of van een valse hoedanigheid, het gebruik van listige kunstgrepen en/of het gebruik van een samenweefsel van verdichtsels. Gelet op de zojuist besproken acht gedragingen die aan verdachte ten laste zijn gelegd (waarvan er zes door het hof worden bewezen verklaard) zal de rechtbank zich beperken tot de vraag of [verdachte] gebruik heeft gemaakt van listige kunstgrepen en/of een samenweefsel van verdichtsels.
Listige kunstgrepen
Van listige kunstgrepen is sprake in geval van bedrieglijke handelingen, geschikt om leugenachtige voorwendsels en valse voorstellingen ingang te doen vinden en daaraan kracht bij te zetten. De rechtbank heeft hiervoor al vastgesteld dat verdachte in strijd met de waarheid heeft medegedeeld dat de gehele inleg zou worden geïnvesteerd in crypto, dat een stoploss werd gehanteerd en dat inleggelden waren verzekerd tot een maximaal bedrag van € 225.000,-. Ook is van een jarenlange ervaring met de daghandel in crypto geen sprake geweest. Meer in het bijzonder vindt de rechtbank het fingeren van de dagwinsten op de website van [bedrijf 5] een bedrieglijke handeling, die geschikt is om de valse voorstelling van winst uit het day-traden met crypto bij inleggers ingang te doen vinden. Om daaraan kracht bij te zetten heeft [verdachte] bovendien rendementsuitkeringen en terugbetalingen van de inleg verricht, terwijl deze uitbetalingen in feite werden voldaan uit geld dat door andere investeerders was ingelegd. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] zich heeft bediend van listige kunstgrepen.
Samenweefsel van verdichtsels
Om van een samenweefsel van verdichtsels te kunnen spreken moet sprake zijn van een opeenstapeling van leugens. Daarbij zijn alle omstandigheden van het geval van belang. Tot die omstandigheden behoren de vertrouwenwekkende aard, het aantal en de indringendheid van de (geheel of gedeeltelijk) onware mededelingen in hun onderlinge samenhang, de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid degene tot wie de mededelingen zijn gericht aanleiding had moeten geven de onwaarheid te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen en de persoonlijkheid van het slachtoffer.
Via de website van [bedrijf 5] en door [verdachte] in persoon is een groot aantal toezeggingen gedaan. Deze hiervoor besproken toezeggingen betreffen een groot aantal onware mededelingen, zodat dit een opeenstapeling van leugens oplevert. De wijze waarop deze mededelingen werden gepresenteerd heeft bovendien bijgedragen aan hun vertrouwenwekkende en indringende aard. Zo is voorgewend dat sprake was van jarenlange ervaring en is door daadwerkelijk rendementen op accounts bij te schrijven en uitkeringen te doen, door [verdachte] vertrouwen opgewekt. Met het aantal onware mededelingen en gedragingen in hun onderlinge samenhang bezien, afgezet tegen de werkelijkheid, kan niet anders dan worden geconcludeerd dat sprake is van een samenweefsel van verdichtsels.
- Causaal verband
De rechtbank stelt verder vast dat de inleggers van [bedrijf 5] door voornoemde oplichtingsmiddelen zijn bewogen tot afgifte van de door hen ingelegde gelden. De rechtbank heeft hierbij de verklaringen van de getuigen in aanmerking genomen, waarvan de rechtbank enkele zal noemen, maar waartoe de rechtbank zich niet uitsluitend beperkt. Zo heeft onder andere [getuige 7] verklaard: "Ik heb mij naar aanleiding van de verhalen en de bevestiging van mijn familie dat er rendementen uitbetaald werden en de informatie op de site, ingeschreven als belegger. De site zag er professioneel uit, er werd op de website een stoploss van 3% gegarandeerd en dat zij mijn inleg verzekerden voor maximaal € 225.000,-".
Ook [getuige 8] heeft op de vraag waarom hij bij [bedrijf 5] is gaan investeren geantwoord: "Investeren in cryptocurrency bij [bedrijf 5] was laagdrempelig, omdat ik zo kon stoppen en mijn geld kon terug krijgen. Daarnaast waren er dus de positieve verhalen uit mijn omgeving. Ik heb daarnaast ook geen verstand van cryptocurrency. Het is voor mij een meerwaarde om de kennis en kunde in cryptocurrency van [bedrijf 5] te kunnen benutten." Tot slot heeft ook [getuige 6] verklaard dat de informatie die hem heeft overtuigd om in [bedrijf 5] te gaan investeren bestond uit bekende Nederlanders en collega's die er in investeerden, de hoogte van de rendementen, het uitbetalen van het rendement, het direct uitbetalen van de inleg toen hij daarom vroeg en omdat [verdachte] altijd bereikbaar was.
- Oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling
[verdachte] heeft zich op het standpunt gesteld dat zijn intenties altijd goed zijn geweest. maar dat het hem boven het hoofd is gegroeid. Nu [verdachte] hiermee ontkent het oogmerk te hebben gehad om zichzelf dan wel een ander te bevoordelen, moet de rechtbank toetsen in hoeverre zijn gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm waren gericht op een dergelijke bevoordeling. Daarbij betrekt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden.
[bedrijf 5] is op 8 februari 2019 van start gegaan. Daaraan voorafgaand konden inleggers al geld overmaken via de rekening van [bedrijf 1] , een ander bedrijf van [verdachte] . Uit een door de FIOD opgestelde lijst met ingelegde gelden volgt dat het eerste geld al op 2 januari 2018 via de rekening van [bedrijf 1] is ontvangen. Het door verdachte gestelde voornemen om de gehele inleggelden te investeren in crypto is nooit gerealiseerd, ondanks dat dit herhaaldelijk op de website staat vermeld en tijdens gesprekken met inleggers door [verdachte] is verteld. Hoewel er nauwelijks geld werd geïnvesteerd in crypto, bleven tot en met 26 juli 2018 de inleggelden binnenstromen. In totaal is op de bankrekeningen van [bedrijf 1] en [bedrijf 5] in de periode van 1 januari 2018 tot en met 26 juli 2018 een bedrag van
€ 5.643.945,- ingelegd. Van de ingelegde gelden is voor de aanschaf van crypto in totaal slechts een bedrag van € 676.333,- overgemaakt aan [platform 3]. Daarentegen heeft [verdachte] met de inleggelden wel vaak hoge privé-uitgaven voor zichzelf en anderen gedaan. (het hof aanvullend: hij heeft hierover ter terechtzitting in eerste aanleg het volgende gezegd: “Ineens had ik de beschikking over grote bedragen. Ik wilde dat uitgeven aan luxe goederen.”)
Anders dan door [verdachte] is gesteld kunnen dit geen voorschotten op te verwachten winst betreffen. De gelden zijn namelijk niet gebruikt voor de handel in crypto, zodat van een dergelijk hoog voorschot op de winst uit die handel geen sprake kan zijn. Daarbij komt dat [verdachte] heeft bekend niet voldoende geld te hebben gehad om de inleggers terug te betalen, op het moment dat alle inleggers eruit zouden willen stappen. Hoewel verdachte heeft ontkend deze intentie te hebben gehad, kan volgens de rechtbank daarom worden vastgesteld dat [verdachte] met de door hem gedane privé-uitgaven zichzelf en anderen heeft bevoordeeld. Dat deze bevoordeling ook wederrechtelijk was, volgt uit de omstandigheid dat [verdachte] inleggers middels voornoemde oplichtingsmiddelen heeft bewogen tot afgifte van de geldbedragen, terwijl hij wist dat hij de gelden zou gebruiken voor andere doeleinden dan voor de handel in crypto. De rechtbank is gezien het tijdsverloop verder van oordeel dat [verdachte] dit oogmerk vanaf het begin heeft gehad.
Uit een analyse van de bankrekeningen door de FIOD volgt namelijk dat [verdachte] al op 15 januari 2018 gelden vanaf de rekening van [bedrijf 1] heeft overgeboekt naar zijn privérekening, om deze gelden vervolgens nog diezelfde dag contant op te nemen. In totaal heeft [verdachte] in de maand januari 2018 vanaf de rekening van [bedrijf 1] een bedrag van € 21.500 contant opgenomen, terwijl hij in die maand slechts € 5.600 aan crypto heeft aangeschaft.
Gelet hierop zijn de gedragingen van [verdachte] er naar hun uiterlijke verschijningsvorm vanaf het begin op gericht geweest om hemzelf en anderen te bevoordelen en had hij dus het vereiste oogmerk van die wederrechtelijke bevoordeling. Het verweer van de raadsman op dit punt wordt door de rechtbank verworpen.
- Tussenconclusie
Gelet op het bovenstaande heeft [verdachte] door listige kunstgrepen en een samenweefsel van verdichtsels de investeerders van [bedrijf 5] bewogen tot afgifte van meerdere geldbedragen, zodat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting (feit 1, primair, eerste cumulatief/alternatief). Nu de tenlastelegging ziet op de afgifte van een geldbedrag, zal de rechtbank dit bedrag voor de bewezenverklaring op € 5.643.945 vaststellen. Hoewel het meerdere, zijnde de directe inleg van cryptocurrency, een financiële waarde vertegenwoordigt, betreft dit juridisch gezien geen geldbedrag.
Periode waarin de oplichting is gepleegd
Anders dan de officier van justitie komt de rechtbank daarbij tot een bewezenverklaring van oplichting in de gehele ten laste gelegde periode, dus vanaf 1 januari 2018. Van belang daarbij is dat aan het toevertrouwen van geld aan een beleggingsmaatschappij door investeerders, doorgaans een proces voorafgaat. Dat proces kan bijvoorbeeld bestaan uit het op de hoogte raken van het bestaan van de beleggingsmaatschappij, het vergaren van informatie over die maatschappij, haar werkwijze, de risico's en reeds behaalde resultaten.. ….
… Vanaf 2 januari 2018 zijn gelden ingelegd op de rekening van [bedrijf 1] . Van deze inleggelden zijn al vanaf 15 januari 2018 bedragen overgeboekt naar de privérekeningen van [verdachte] . Hoewel [bedrijf 5] pas sinds 8 februari 2018 bij de KvK is ingeschreven, blijkt uit het voorgaande dat de oplichting ook voorafgaand aan de oprichting van [bedrijf 5] heeft plaatsgevonden.
(…)
Het oordeel over de onder feit 1 tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde verduistering
Nu de rechtbank, zoals hiervoor besproken, tot een bewezenverklaring van oplichting over de gehele ten laste gelegde periode is gekomen, zal [verdachte] van de ten laste gelegde vormen van verduistering worden vrijgesproken. Aangezien [verdachte] de inleggelden namelijk door middel van oplichting onder zich heeft gekregen, kan geen sprake meer zijn van verduistering omdat daarvoor is vereist dat de verdachte het geld anders dan door misdrijf onder zich had.
Het hof spreekt de verdachte vrij van de bij feit 1 onder de gedachtestreepjes 7 en 8 opgenomen handelingen. Uit het dossier blijkt dat inleggers hun inleg desgewenst konden terugkrijgen en ook kregen en hun rendement konden laten uitbetalen (gedachtestreepje 7) en met de rechtbank is het hof van oordeel dat niet valt in te zien hoe het onder het achtste gedachtestreepje ten laste gelegde verzwijgen, de beleggers kan hebben bewogen tot het overmaken van geldbedragen.
Voorts acht het hof van belang op te merken dat de delictsomschrijving van oplichting, kort samengevat, inhoudt dat iemand, derhalve een individu, door een oplichtingsmiddel tot iets moet zijn bewogen. Een en ander brengt mee dat niet snel tot een bewezenverklaring van de oplichting van alle 140 inleggers zal kunnen worden gekomen op basis van een algemene tenlastelegging. Dit kan slechts anders zijn als van één of meer in die tenlastelegging opgenomen bewezenverklaarde oplichtingsmiddelen (al dan niet in onderling verband beschouwd) zonder aarzeling kan worden aangenomen dat a) alle inleggers daarvan kennis hebben genomen en b) dat het niet anders kan dan dat zij zich daardoor ook allen hebben laten leiden aangezien zij de kern van de overeenkomsten omvatten.
In dit verband overweegt het hof dat dit – ook zonder dat de afzonderlijke inleggers daarover zijn gehoord – kan worden gezegd van hetgeen in feit 1) onder gedachtestreepjes 1., 3. en 5. (onder meer de betrouwbaarheid van de investeerder en beleggingsmaatschappij, (3) het investeren van de gehele inleg in cryptovaluta en (gedeeltelijk 5) een hoog rendement behaald en uitgekeerd zou kunnen worden) is opgenomen.
Dat is anders voor de in de tenlastelegging onder gedachtestreepjes 2., 4. en 6. opgenomen oplichtingsmiddelen en voor het onder gedachtestreepje 5 vermelde specifieke rendement van 0,5 tot 1% per dag. Voor een bewezenverklaring van deze gedachtestreepjes is vereist dat er uit de verklaring van de belegger specifiek blijkt dat hij/zij daardoor bewogen is.
[feit 2]
Het oordeel over het onder feit 2 ten laste gelegde (witwassen)
Om tot een bewezenverklaring van witwassen te kunnen komen is vereist dat een goed - in dit geval het geldbedrag van € 1.283.826,-- van misdrijf afkomstig is, dat verdachte dat wist en dat verdachte met het goed witwashandelingen heeft verricht.
De rechtbank begrijpt dat de in de tenlastelegging genoemde geldbedragen betrekking hebben op een deel van het geld dat is ingelegd bij [bedrijf 5] . Gelet op wat hiervoor is overwogen, kan worden bewezen dat deze inleggelden afkomstig zijn uit oplichting en - omdat de oplichting volgens dit vonnis en dat van [bedrijf 5] is gepleegd door [verdachte] en door [bedrijf 5] - dat verdachte dat ook wist. Dit betekent dat voor deze verdachten sprake is van geld dat afkomstig is uit een door henzelf gepleegd misdrijf (eigen misdrijf). Door de raadsman is ten aanzien van de gelden die zijn overgeboekt naar de privérekeningen van [verdachte] en naar de rekening van [bedrijf 7] daarom een beroep gedaan op rechtspraak van de Hoge Raad over de kwalificatie-uitsluitingsgrond. Die rechtspraak komt erop neer dat als een verdachte een voorwerp heeft verworven of voorhanden gehad, terwijl aannemelijk is dat dat voorwerp onmiddellijk afkomstig is uit een door hem zelf begaan misdrijf, uit de motivering van het oordeel dat sprake is van witwassen moet kunnen worden afgeleid dat de verdachte het voorwerp niet slechts heeft verworven of voorhanden heeft gehad, maar dat zijn gedragingen ook kennelijk gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp. Korter gezegd: als het voorwerp (geldbedrag) onmiddellijk afkomstig is uit eigen misdrijf, moet er sprake zijn van gedragingen die zijn gericht op het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp. De rechtbank is van oordeel dat [verdachte] de inleggelden in dit geval niet slechts heeft verworven en voorhanden heeft gehad maar dat [verdachte] daarmee ook andere witwashandelingen heeft verricht. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de raadsman op dit punt. De rechtbank zal in de tekst hierna uitleggen waarom.
A. Overboekingen vanaf rekeningen van [bedrijf 5] naar privérekeningen van [verdachte]
Er is een totaalbedrag van € 648.710,- overgeboekt van rekeningen van [bedrijf 5] naar privérekeningen van [verdachte] . Hiermee is dat geld in het bezit van een ander gekomen, want het geld is van de rekening van een rechtspersoon naar een privérekening op naam van verdachte overgemaakt. Daarbij komt dat een deel van het geld naar een rekening in het buitenland is overgemaakt. Hiermee is dat geld aan het zicht van de fiscus onttrokken. Ook is een substantieel deel van het overgeboekte geld, namelijk € 277.995,-, vervolgens contant opgenomen door [verdachte] . Dat geld is hierdoor omgezet van giraal naar chartaal geld en daarmee wordt de paper trail doorbroken. [aanvullend hof: Tot slot heeft [verdachte] verschillende uitgaven gedaan met dit geldbedrag.] Deze handelingen zijn naar het oordeel van de rechtbank gericht op het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het geld. Gelet op voornoemde is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] de gelden die vanaf de rekeningen van [bedrijf 5] zijn overgeschreven naar de privérekeningen van [verdachte] , heeft overgedragen en (gedeeltelijk) heeft omgezet en dat dit kan worden gekwalificeerd als witwassen.
B. Uitgaven vanaf rekeningen [bedrijf 5] voor privébestedingen
Vanaf de rekeningen van [bedrijf 5] zijn ook rechtstreeks privé-uitgaven gedaan voor een bedrag van
€ 314.365,-. Gelden van inleggers (en dus geld dat door oplichting door [bedrijf 5] is verkregen) zijn besteed aan onder andere de huur van privéjets, een appartement [het hof begrijpt: een woonruimte aan de [adres 2] ] in Amsterdam en een verblijf in het [hotel]. Het doen van deze uitgaven kan worden gekwalificeerd als witwassen door het omzetten en gebruik maken van uit misdrijf verkregen geld. In deze situatie is de kwalificatie-uitsluitingsgrond niet aan de orde.
C. Overboekingen van rekeningen [bedrijf 5] naar rekeningen van derden
Uit onderzoek van de FIOD volgt dat € 220.751,- van rekeningen van [bedrijf 5] is overgeboekt naar rekeningen van derden, waaronder € 76.257,- naar een rekening op naam van [naam 1] en € 137.590,- naar een rekening die op naam staat van [naam 6] . Door het overdragen van dit geld is het geld in het bezit van een ander gekomen en deze bezitters hebben daardoor feitelijke zeggenschap over de gelden gekregen. [naam 6] heeft verklaard dat hij het overgemaakte geld vervolgens contant opnam en weer aan [verdachte] gaf. Het overboeken van het geldbedrag van € 220.751,- kan daarom worden gekwalificeerd als witwassen door het overdragen en omzetten van uit misdrijf verkregen geld. De kwalificatie-uitsluitingsgrond is niet van toepassing.
D. Overboekingen van rekening [bedrijf 5] naar rekening [bedrijf 7]
Uit bevindingen van de FIOD volgt verder dat een geldbedrag van in totaal € 100.000.- vanaf de rekening van [bedrijf 5] is overgemaakt naar de rekening van [bedrijf 7] . Blijkens een uittreksel van de KvK is [verdachte] enig aandeelhouder en bestuurder daarvan.. Het geld is dus van de ene rechtspersoon in het bezit gekomen van een andere rechtspersoon. Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat daarom geen sprake is van het bijzondere geval waarin het overmaken van het geld niet wezenlijk verschilt van het enkele voorhanden hebben of verwerven ervan (vgl. ECLI:NL:HR:2014:2913 en ECLI:NL:HR:2014:714). Het overboeken van dit geldbedrag kan dan ook worden gekwalificeerd als witwassen door het overdragen van uit misdrijf verkregen gelden.
Gewoonte
Het witwassen heeft gedurende circa zes maanden, frequent en op verschillende manieren plaatsgevonden. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat kan worden bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen (feit 2).
Op grond van het voorgaande komt het hof tot een bewezenverklaring van zowel feit 1 primair (oplichting) als feit 2 (gewoontewitwassen).
Bespreking verweer veroordeling in strijd met artikel 6 EVRM
De raadsman (mr. Gijsberts) heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat een veroordeling van de verdachte in strijd zou zijn met het bepaalde in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) (het recht op een eerlijk proces), zodat de verdachte reeds om die reden moet worden vrijgesproken. Daartoe is – op gronden zoals nader in de pleitnota verwoord inclusief verwijzingen naar jurisprudentie van het Europees hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) – aangevoerd dat de verdachte al ten tijde van zijn voorgeleiding zou hebben aangevoerd dat zijn bedrijf floreerde en de gelden bleven binnenstromen (PD-03-11) en dat de uitgaven die hij gedaan heeft in verhouding stonden tot de winst die [bedrijf 5] maakte. De verdediging heeft om die reden meerdere keren verzocht om de gehele handelsgeschiedenis van alle accounts van (de traders van) [bedrijf 5] . Met de data zou kunnen worden aangetoond dat (onder meer op de nog ontbrekende accounts) aanzienlijke winsten voor [bedrijf 5] zijn gemaakt. De conclusie dat [bedrijf 5] daadwerkelijk behoorlijke winsten maakte zou verstrekkende gevolgen hebben voor een bewezenverklaring van zowel de oplichting als het witwassen en voor een eventuele strafmaat.
Nu er geen effectieve mogelijkheid is geweest om inzage te krijgen in de relevante transactiedata per account en er na de inbeslagneming van gegevensdragers door de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (FIOD) nooit leesbare data zijn verstrekt van die gegevensdragers aan de verdediging, zou een veroordeling van de verdachte in strijd zijn met artikel 6 EVRM.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat hetgeen is verstrekt aan de verdediging alle data omvat waarover de FIOD de beschikking had. Daarnaast heeft de advocaat-generaal benadrukt dat hetgeen zich in het dossier bevindt, voldoende compleet is voor de beantwoording van de vragen geformuleerd in de artikelen 348 en 350 Sv. Het openbaar ministerie heeft bovendien nooit weersproken dat er door verdachte is getraded of dat er ook wel eens winst is gegenereerd, zoals door de verdachte is betoogd.
Het hof overweegt als volgt.
In het rapport Melkweg 2025 heeft de verdachte het standpunt ingenomen dat de door de FIOD per account gehanteerde formule (Rendement = eindsaldo + opnames – stortingen) in dit geval niet toegepast mag worden omdat [bedrijf 5] winst per trade hanteerde en niet een winstverdeling gebaseerd op de totaalbalans (rapport Melkweg 2025, p. 6). Door naar de totale winst of het totale verlies per account te kijken en die op te tellen en vervolgens tussen [bedrijf 5] en de beleggers te verdelen, wordt naar de opvatting van de verdachte geen recht gedaan aan het feit dat [bedrijf 5] recht had op de helft van de winst per trade en niet op de helft van de eventueel aan het einde van de dag gemaakte totale winst van alle trades van die dag.
Voor het berekenen van de winst van [bedrijf 5] zou volgens de verdachte idealiter gebruik moeten
worden gemaakt van een volledig, gestructureerd overzicht waarin alle individuele transacties per account en per wallet zijn vastgelegd. Slechts met deze totaalweergave kan een sluitende berekening worden gemaakt van het daadwerkelijke rendement dat [bedrijf 5] (het hof begrijpt voor zichzelf) realiseerde, los van het aandeel dat aan investeerders werd uitgekeerd.
Binnen het FIOD-dossier ontbreekt echter een dergelijk totaaloverzicht. Deze gegevens zijn door de FIOD niet gedownload of vastgelegd tijdens het onderzoek, waardoor essentiële informatie over rotatievermogen, open posities en herinvesteringen verloren is gegaan. Verdachte heeft die gegevens wel nodig voor zijn verdediging.
Het hof begrijpt dat het standpunt van de verdachte in hoger beroep er op is gebaseerd dat de overeenkomst tussen [bedrijf 5] en de beleggers zo moet worden uitgelegd dat [bedrijf 5] recht had op 50% van de winst van iedere trade en niet op 50% van de totale winst van alle trades, van alle accounts per dag. De door de FIOD berekende totale winst per dag zou dan ook niet kunnen worden gebruikt om het winstaandeel van [bedrijf 5] vast te stellen en de rendementsuitkeringen aan beleggers aan te toetsen.
Het hof volgt dit standpunt van de verdachte niet.
Uit de zich in het dossier bevindende overzichten van de rendementsuitkeringen per dag (bijvoorbeeld doc-017, doc-018, doc-057) blijkt overduidelijk dat [bedrijf 5] wel degelijk de totale dagwinst per dag (en niet de winst per trade) 50/50 verdeelde tussen [bedrijf 5] en de beleggers. Sommige beleggers kregen daarbij als commissiebetaling nog wat extra’s, ten koste van het aandeel van [bedrijf 5] . De door de FIOD getrokken conclusies konden op deze informatie worden gebaseerd en worden daardoor ook gedragen, zodat deze daarmee kunnen bijdragen aan het bewijs van het ten laste gelegde. Het nadere en pas in hoger beroep ingenomen standpunt van de verdachte, als hiervoor weergegeven, is niet met deze bevindingen in overeenstemming. Evenmin zijn daarmee in overeenstemming de uitlatingen die de verdachte zelf ter terechtzitting in eerste aanleg en die door inleggers zijn gedaan op dit punt, zoals weergegeven door de rechtbank onder de paragraaf Ad 4. het voordoen alsof met de handel in crypto (dagelijkse) winst werd gegenereerd. Hetzelfde geldt voor de mededelingen van de verdachte zelf ter terechtzitting in eerste aanleg: “Het klopt dat ik uitkeringen heb gedaan die niet reëel zijn geweest.” en “Indien ik elke dag cryptovaluta had kunnen kopen en verkopen, had ik geen rendement hoeven spiegelen of geld van investeerders hoeven uitgeven.” Om deze redenen passeert het hof dit nadere standpunt.
Daarmee verwerpt het hof (ook) het standpunt van de verdediging dat zij een totaaloverzicht van alle dagelijkse trades nodig zou hebben om het aandeel in de winst van [bedrijf 5] te kunnen bepalen. Van de noodzaak tot voegen van die gegevens in het dossier is om die reden niet gebleken. De raadsman (mr. Gijsberts) heeft ter terechtzitting in zijn pleidooi – in geval van bewezenverklaring – voorwaardelijke verzoeken geformuleerd, inhoudende de (tijdelijke) teruggave van alle originele gegevensdragers en verstrekking van de (volledige) handelsgeschiedenis van alle accounts waarop is gehandeld, subsidiair (ongelimiteerde) toegang tot de gegevens die door de FIOD zijn veiliggesteld. Deze voorwaardelijke verzoeken worden vanwege wat hiervoor is overwogen afgewezen, de noodzaak daartoe ontbreekt.
Overigens acht het hof het ook volstrekt onaannemelijk dat de accounts die de FIOD niet in beeld heeft gekregen een heel ander (en veel winstgevender) beeld hadden gegeven dan de accounts die wel in het zicht van de opsporingsautoriteiten zijn gekomen. Er is geen enkele onderbouwing gegeven waarom die accounts juist wel zo winstgevend zouden zijn en ook valt niet in te zien waarom de verdachte dan bij de FIOD nog verklaarde (onderstreping hof)“we waren nog steeds op zoek naar strategieën waardoor wij winstgevend zouden kunnen worden” (V03-05, p. 9) en geconfronteerd met het door de FIOD berekende verlies van $ 274.987,00 “Ja…ehm…dat wij nog op zoek waren naar een goede strategie”. [.]
Bij deze stand van zaken is er ook geen strijd met artikel 6 EVRM in de door de verdediging bedoelde zin. Het hof verwerpt ook dat verweer.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.al dan niet h.o.d.n. [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] , op een of meer tijdstip(pen) in de periode van 1 januari 2018 tot en met 26 juli 2018 in Nederland,
met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen, door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels,
de hierna genoemde personen en andere personen en rechtspersonen heeft bewogen tot afgifte van geldbedragen van in totaal EUR 5.643.945,-, te weten onder meer:
- [benadeelde 1] en [benadeelde 2] ; en/of
- [benadeelde 3] ; en/of
- [benadeelde 4] ; en/of
- [benadeelde 5] ; en/of
- [benadeelde 6] ;
immers heeft hij, met voornoemd oogmerk – zakelijk weergegeven – opzettelijk bedrieglijk en in strijd met de waarheid aan bovengenoemde personen en aan andere personen en rechtspersonen,
onder meer in persoon en/of telefonisch en/of per e-mail en/of middels een website ( [website] ) en/of middels facebook en/of middels tussenpersonen medegedeeld en/of voorgewend en/of laten meedelen en/of laten voorwenden dat
(1) hij een betrouwbare investeerder en [bedrijf 2] een betrouwbare beleggingsmaatschappij zijn; en
(3) de gehele inleg van inleggers zou worden geïnvesteerd in daghandel in cryptovaluta en van die inleg cryptovaluta zou worden aangekocht; en
(5) een hoog rendement behaald en uitgekeerd zou kunnen worden;
en/of
(2) hij en [bedrijf 2] jarenlange ervaring hebben met handel in cryptovaluta; en/of
(4) hij en [bedrijf 2] met daghandel in cryptovaluta dagelijks winst genereerden; en/of
(5) een rendement, tussen 0,5 en 1% per dag, behaald en uitgekeerd zou kunnen worden; en/of
(6) verliezen beperkt werden en er een laag risico was, doordat per trade een maximale stoploss van 3% werd gehanteerd en de inleg voor een maximumbedrag van EUR 225.000 was verzekerd; en/of
waardoor bovengenoemde personen en andere personen en rechtspersonen werden bewogen tot de afgifte van geldbedragen.
2.in de periode van 1 januari 2018 tot en met 26 juli 2018, in elk geval in Nederland en in Duitsland, opzettelijk
een geldbedrag van in totaal ongeveer EUR 1.283.826,-, te weten:
A. een geldbedrag van EUR 648.710,-, betreffende overboekingen van bankrekeningen ten name van [bedrijf 2] naar privérekeningen van verdachte, ten behoeve van privébestedingen; en
een geldbedrag van EUR 314.365,-, betreffende overboekingen van bankrekeningen ten name van [bedrijf 2] ten behoeve van privébestedingen door hem, verdachte; en
een geldbedrag van EUR 220.751,-, betreffende overboekingen van bankrekeningen ten name van [bedrijf 2] naar bankrekeningen ten name van anderen, niet zijnde inleggers; en
een geldbedrag van EUR 100.000,-, betreffende overboekingen van een bankrekening ten name van [bedrijf 2] naar een bankrekening ten name van [bedrijf 7] ,
heeft verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of gebruik gemaakt, terwijl hij wist dat die geldbedragen en voorwerpen geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, terwijl hij daarvan een gewoonte heeft gemaakt.
Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen die als bijlage bij dit arrest zijn gevoegd en daarvan deel uitmaken zijn vervat.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
oplichting, meermalen gepleegd.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
van het plegen van witwassen een gewoonte maken.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straffen
De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder feit 1 en 2 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van 27 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest en met bijzondere voorwaarden en met een proeftijd van twee jaar. Daarnaast heeft de rechtbank een verbod opgelegd tot het uitoefenen van de in het vonnis nader omschreven beroepen voor de duur van vijf jaren en de openbaarmaking van het vonnis met vermelding van de personalia van de verdachte gelast.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder feit 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en een beroepsverbod voor de duur van vijf jaren. Daarnaast heeft de advocaat-generaal het hof verzocht de openbaarmaking van het arrest te gelasten.
De raadsman heeft het hof verzocht rekening te houden met de schending van de redelijke termijn, de leeftijd van de verdachte en mate van verwijtbaarheid, de meewerkende houding van de verdachte, de grote hoeveelheid van de vorderingen van de schuldeisers die is voldaan, de ernstige gevolgen die de verdachte al heeft ondervonden en tot slot de houding van de verdachte sinds het vonnis in deze zaak. Er is ruimte voor het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest, een stevige voorwaardelijke gevangenisstraf, gecombineerd met een taakstraf.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan oplichting. De verdachte heeft in een periode van een half jaar ongeveer 140 slachtoffers bewogen tot afgifte van geldbedragen. Opgeteld gaat het om een bedrag van ongeveer 5,6 miljoen euro. Zogenaamd als een bedrijf met jarenlange ervaring in het day-traden met crypto en met rendementen oplopend tot wel 1% per dag, beloofde [bedrijf 5] ‘geld wat stilstaat er weer toe te laten doen'. Echter werd van slechts een klein deel van dit bedrag daadwerkelijk crypto aangekocht en was van winst uit de daghandel in crypto geen sprake. De uitgekeerde rendementen waren rendementen die verdachte grotendeels zelf heeft verzonnen en de rendementen werden in werkelijkheid betaald uit de inleggelden. Het had daarmee alle kenmerken van een ‘piramide-belegging’. Het was verdachte er kennelijk om te doen op een snelle en makkelijke manier aan geld te komen. Vervolgens heeft de verdachte met de inleggelden persoonlijke schulden afgelost, luxe goederen aangeschaft, hotelverblijven en vakanties (o.a. met privévliegtuigen) gefinancierd. Inmiddels zijn zowel de verdachte als [bedrijf 5] failliet en zijn de investeerders de dupe van deze oplichting; zij zullen hun inleg waarschijnlijk niet volledig terugkrijgen, laat staan dat zij het beloofde rendement kunnen incasseren.
De verdachte heeft met zijn handelen grote inbreuk gemaakt op het in hem gestelde vertrouwen. Met zijn handelen heeft de verdachte bovendien meermalen aanzienlijke geldbedragen, die uit deze oplichting afkomstig waren, witgewassen. Het leidt er toe dat uit misdrijf verkregen geld een schijnbaar legale herkomst krijgt, waarna het geld vrijelijk in de legale economie kan worden uitgegeven. Door witwassen wordt de integriteit van het financiële en economische verkeer aangetast en de verdachte heeft daaraan een bijdrage geleverd.
Het hof is van oordeel dat in het geval van fraude op deze schaal, ingegeven door alleen de zucht naar financieel gewin op korte termijn en ten koste van anderen, vanuit het strafrecht niet anders kan worden gereageerd dan met oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enige duur. Toepassing van een andere straf(modaliteit) doet geen recht aan wat er is gebeurd en het strafwaardige karakter van het handelen van de verdachte. Dit zou anders kunnen zijn in het geval van zeer bijzondere persoonlijke omstandigheden die aanleiding geven om tot een andere strafoplegging te komen, maar daarvan is niet gebleken. De omstandigheden die door de verdediging op dit punt zijn aangevoerd zijn dit wat het hof betreft niet.
Het hof heeft bij de strafoplegging acht geslagen op de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), waarin als oriëntatiepunt voor fraude met een benadelingsbedrag van € 1.000.000,00 of hoger een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden is opgenomen. Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 4 maart 2026 is verdachte niet eerder (onherroepelijk) veroordeeld, maar de verdachte wordt bij uitspraak van dit hof van gelijke datum ook veroordeeld in een andere beleggingsfraude zaak (met parketnummer 23-001148-24). Het hof zal daarom rekening houden met het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.
Het hof acht in beginsel, alles afwegende, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 18 maanden passend en geboden.
Het hof stelt echter vast dat het recht van de verdachte om binnen een redelijke termijn te worden berecht, als bedoeld in artikel 6 EVRM, is geschonden. Als uitgangspunt geldt dat de berechting van de zaak in zowel eerste aanleg als in hoger beroep steeds behoort te zijn afgerond met een einduitspraak binnen twee jaren. Op 26 juli 2018, de datum waarop de verdachte is aangehouden, is de redelijke termijn aangevangen. De rechtbank heeft op 15 november 2021 vonnis gewezen. Hieruit volgt dat in eerste aanleg de redelijke termijn is overschreden met ongeveer één jaar en vier maanden. Op 15 november 2021 is namens de verdachte hoger beroep ingesteld. Het hof doet bij arrest van 20 april 2026 einduitspraak. De mate van dat tijdsverloop valt niet in hoofdzaak aan de verdediging toe te rekenen. Hieruit volgt dat in hoger beroep sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn van ongeveer twee jaren en vijf maanden. Het hof is van oordeel dat dit alles matiging van de op te leggen straf tot gevolg moet hebben.
Daarom zal de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 15 maanden worden opgelegd.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv. aan de orde is.
Beroepsverbod
Naast de hiervoor genoemde straf ziet het hof net als de rechtbank aanleiding een beroepsverbod op te leggen voor de duur van vijf jaren, zodat de verdachte op geen enkele manier nog in de beleggingswereld werkzaam zal kunnen zijn. Het beroepsverbod zal gelden voor de uitoefening van werkzaamheden als (feitelijk of juridisch) bestuurder van binnenlandse of buitenlandse vennootschappen, beleggingsadviseur, vermogensbeheerder en handelaar in financiële producten, waaronder cryptovaluta.
Openbaarmaking arrest
Het hof ziet geen aanleiding om de openbaarmaking van het arrest te gelasten.
Verbeurdverklaring beslag
Onder de verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen en nog niet teruggegeven:
59. 0.83 STK Bitcoin;
60. 0.07 STK Bitcoin.
De in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen behoren aan de verdachte toe. Zij zullen worden verbeurd verklaard aangezien zij geheel of grotendeels door middel van het onder 1 en 2 tenlastegelegde en bewezenverklaarde zijn verkregen.
Vorderingen van de benadeelde partijen
Het hof heeft de vorderingen van de benadeelde partijen – voor zover gehandhaafd in hoger beroep - met toepassing van het bepaalde in artikel 333 Sv kennelijk niet-ontvankelijk verklaard ter terechtzitting van 25 april 2024, nu zowel de verdachte als de rechtspersoon [bedrijf 5] op 10 november 2020 respectievelijk 28 september 2021 failliet zijn verklaard. Deze faillissementen duren nog voort. De vorderingen dienen en kunnen in die faillissementen aan de orde (te) komen.
De benadeelde partijen en de verdachte zullen, zoals eveneens al ter terechtzitting van 25 april 2024 is beslist, ieder de eigen kosten dragen.
Om op dit punt geen misverstand te laten ontstaan, zal het hof dit alles ten aanzien van die benadeelde partijen die zich in hoger beroep opnieuw met een vordering hebben gevoegd ook in het dictum van dit arrest opnemen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 10, 28, 31, 33, 33a, 57, 63, 326 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) maanden.
Beveelt dat de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in
verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf
in mindering gebracht zal worden.
Ontzet de verdachte van het recht tot uitoefening van het beroep van (feitelijk of juridisch) bestuurder van binnenlandse of buitenlandse vennootschappen, beleggingsadviseur, vermogensbeheerder en handelaar in financiële producten waaronder cryptovaluta voor de duur van 5 (vijf) jaren.
Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
59. 0.83 STK Bitcoin;
60. 0.07 STK Bitcoin.
Verklaart de benadeelde partijen [benadeelde 7] , [benadeelde 8] , [benadeelde 9] , [benadeelde 10] , [benadeelde 11] , [benadeelde 12] , [benadeelde 13] , [benadeelde 14] , [benadeelde 15] , [benadeelde 16] , [benadeelde 17] , [benadeelde 18] , [benadeelde 19] , [benadeelde 20] , [benadeelde 21] , [benadeelde 22] , [benadeelde 23] , [benadeelde 24] , [benadeelde 25] , [benadeelde 26] , [benadeelde 27] , [benadeelde 28] , [benadeelde 29] , [benadeelde 30] , [benadeelde 31] , [benadeelde 32] , [benadeelde 33] , [benadeelde 34] , [benadeelde 35] , [benadeelde 36] niet-ontvankelijk in hun vordering.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P. Greve, mr. J.L. Bruinsma en mr. M.J.A. Plaisier, in tegenwoordigheid van
mr. C. van der Laan, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
20 april 2026.
[…]