Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 3 april 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van wat de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.
Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
De verdachte is door de politierechter in de rechtbank Noord-Holland vrijgesproken van het feit dat in de zaak met parketnummer 15-048770-25 aan hem is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is dus ook gericht tegen de beslissing tot vrijspraak. Tegen een vrijspraak kan volgens de wet geen hoger beroep worden ingesteld (artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering). Daarom verklaart het hof de verdachte voor dat feit niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is – voor zover in hoger beroep nog aan de orde – in de zaak met parketnummer 15-060923-25 tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 25 februari 2025 te Den Helder tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om één of meerdere goederen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] en/of [bedrijf] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn/haar mededader(s) toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming,
- informatie heeft ingewonnen en/of gedeeld met zijn mededader over de beoogde buit bij voornoemde [bedrijf] en/of
-(vervolgens) middels een boot naar voornoemde [bedrijf] is toegegaan en/of
- een rolverdeling heeft gemaakt ten aanzien van de uitvoering van de beoogde diefstal en/of
- ( heeft getracht) een raam open te breken en/of
- het bedrijfspand van voornoemde [bedrijf] heeft betreden en/of
- één of meerdere kastdeuren en/of bureaulades heeft geopend, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat dit vonnis niet de redengevende feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) bevat.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de tenlastegelegde diefstal heeft gepleegd, met dien verstande dat:
hij op 25 februari 2025 te Den Helder tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om één of meerdere goederen die aan [slachtoffer] en/of [bedrijf] toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of die weg te nemen goederen onder hun bereik te brengen door middel van braak,
- informatie heeft ingewonnen en/of gedeeld met zijn mededader over de beoogde buit bij voornoemde [bedrijf] en
- met een boot naar voornoemde [bedrijf] is toegegaan en
- een rolverdeling heeft gemaakt ten aanzien van de uitvoering van de beoogde diefstal en
- een raam heeft opengebroken en
- het bedrijfspand van voornoemde [bedrijf] heeft betreden en
- één of meerdere kastdeuren en bureaulades heeft geopend,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.
Bewijsmiddelen
Op de terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte een bekennende verklaring afgelegd. Door de verdediging is geen vrijspraak bepleit. Gelet daarop zal worden volstaan met een opgave van de volgende bewijsmiddelen zoals bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste volzin Sv.
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 3 april 2026.
2. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL1100-2025041360-3 van 25 februari 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant] , doorgenummerde pagina’s 001-004.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met aftrek van voorarrest.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 93 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en een taakstraf voor de duur van 80 uur, subsidiair 40 dagen hechtenis.
De raadsman heeft zich ten aanzien van de strafoplegging aangesloten bij de vordering van de advocaat-generaal.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich samen met een vriend schuldig gemaakt aan een poging tot inbraak in een bedrijfspand door middel van braak. Het delict heeft de benadeelde de nodige schade en overlast bezorgd. Het handelen van de verdachte getuigt van een gebrek aan respect voor andermans eigendomsrecht. Dergelijke feiten kunnen bovendien gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving veroorzaken of versterken. Het hof rekent dit de verdachte aan.
Uit het strafblad van de verdachte van 20 maart 2026 blijkt dat hij vaker voor vermogensdelicten onherroepelijk is veroordeeld.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep erkend dat hij de ten laste gelegde poging tot diefstal heeft gepleegd en heeft daarvoor verantwoordelijkheid genomen. De verdachte heeft het hof uitgelegd dat hij zich uit een moeilijke periode probeert te werken, waarin zijn leven werd beheerst door een drugsverslaving. Die problematiek speelt nog steeds, maar de verdachte probeert op verschillende manieren zijn leven een andere wending te geven. Hij wordt intensief begeleid door mevrouw [persoon] van Reclassering Nederland. Daarnaast heeft hij met behulp van de gemeente Den Helder een woning en een baan in de groenvoorziening, met zicht op een vaste aanstelling vanaf 1 mei 2026 en zal hij binnenkort worden opgenomen in kliniek [kliniek] voor de behandeling van zijn verslavingsproblematiek. Na die opname kan hij weer terug naar zijn woning en zijn werkzaamheden in de groenvoorziening in Den Helder voortzetten. Daarnaast ontvangt hij hulp van [stichting] . Een en ander vindt plaats binnen het kader van de bijzondere voorwaarden die in een andere, niet onherroepelijke, strafzaak bij de schorsing van de voorlopige hechtenis zijn opgelegd (parketnummer 15-345807-25), overeenkomstig een advies van de reclassering van 26 januari 2026. Verder worden de financiën van de verdachte beheerd door een familielid. De verdachte heeft ter terechtzitting blijk gegeven zich bewust te zijn van de kansen die hij thans krijgt en heeft benadrukt dat hij zich wil bewijzen.
Het hof acht het in het belang van de verdachte en de samenleving dat voornoemde ontwikkeling niet wordt geblokkeerd of doorkruist door een straf die meebrengt dat de verdachte gedetineerd raakt. Tegelijkertijd is het hof, gelet op de ernst van het feit, van oordeel dat niet kan worden volstaan met de oplegging van een enkele taakstraf. Het hof zal daarom een gevangenisstraf opleggen waarvan het onvoorwaardelijk deel niet langer is dan de tijd die de verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht. Daarbij acht het hof van belang dat de voorwaarden waaraan de verdachte zich nu houdt in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis in de strafzaak met parketnummer 15-345807-25, in een steviger kader worden verankerd. Het hof ziet daarom aanleiding om diezelfde bijzondere voorwaarden ook in deze strafzaak op te leggen.
Het hof acht, alles afwegende, een deels voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf van na te melden duur passend en geboden.
Vordering van de benadeelde partij [bedrijf] B.V.
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 6.327,44 aan materiële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 2.095,59. Dit bedrag bestaat uit € 1.500,00 voor het eigen risico, € 95,59 voor het overzetten van de beelden op een usb-stick en € 500,00 aan administratieve taken en contactmomenten met de politie, aannemer en beveiligingsmaatschappij. Voor het overige is de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Het hof heeft in hoger beroep te oordelen over de gevorderde schadevergoeding voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat conform de politierechter moet worden beslist ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij.
De raadsman heeft zich aangesloten bij het standpunt van de advocaat-generaal.
Het hof overweegt dat uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in de zaak met parketnummer 15-060923-25 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 2.095,59.
De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 45, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.
Vordering tenuitvoerlegging
Het openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 3 oktober 2024 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 weken. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
Evenals de advocaat-generaal en de raadsman acht het hof, gelet op de motivering van de strafoplegging, termen aanwezig om de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-048770-25 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 15-060923-25 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het in de zaak met parketnummer 15-060923-25 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 93 (drieënnegentig) dagen.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 90 (negentig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat:
- de verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat noodzakelijk vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken plaatsvinden;
- de verdachte zich ambulant zal laten behandelen door De Hoop Verslavingszorg en/of Terwille Verslavingszorg of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De ambulante behandeling is gericht op psychische en verslavingsproblematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Indien er sprake is van een terugval in middelengebruik/bij overmatig middelengebruik en/of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van de verdachte dat een kortdurende klinische opname voor etoxificatie/stabilisatie/observatie/diagnostiek/crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken.
- de verdachte zich zal inspannen voor het vinden en behouden van een zinvolle dagbesteding, met een vaste structuur;
- de verdachte zal meewerken aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), lijst II (softdrugs) en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
- de verdachte zich ambulant zal laten begeleiden door [stichting] .
Van rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:
- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.
- meewerkt aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dat noodzakelijk vindt;
Geeft opdracht dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis.
Vordering van de benadeelde partij [bedrijf]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [bedrijf] ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-060923-25 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 2.095,59 (tweeduizend vijfennegentig euro en negenenvijftig cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [bedrijf] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-060923-25 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.095,59 (tweeduizend vijfennegentig euro en negenenvijftig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 20 (twintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 25 februari 2025.
Wijst af de vordering van de officier van justitie van het parket Noord-Holland van 27 februari 2025, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 3 oktober 2024, parketnummer 15-234114-24, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 4 weken.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.T.C. de Vries, mr. A.E. Kleene-Krom en mr. N.J.M. de Munnik, in tegenwoordigheid van mr. S.M. Schouten en mr. R.C.E. van Tilburg, griffiers, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 17 april 2026.
Mr. N.J.M. de Munnik is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.