ECLI:NL:GHAMS:2026:1027

ECLI:NL:GHAMS:2026:1027

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 21-04-2026
Datum publicatie 21-04-2026
Zaaknummer 23-000034-26
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBNHO:2025:15250

Samenvatting

Invoer van ong. 1.804 gram cocaïne te Schiphol in bagage. Oplegging van gevangenisstraf 12 maanden en verbeurdverklaring € 900,00. Hoger beroep ingesteld door openbaar ministerie. Dit arrest is één van de uitspraken van de themazitting ‘koerierszaken’ te Schiphol. Het hof houdt, anders dan de rechtbank, vast aan de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Daarmee worden de beginselen van rechtseenheid, rechtszekerheid, voorspelbaarheid en voorzienbaarheid gediend. Het hof heeft wel oog voor de specifieke aard van de ‘koerierszaken’ en de door de rechtbank genoemde bezwaren tegen het gebruik van de LOVS-oriëntatiepunten. Het gerechtshof vindt echter dat het aan de Commissie Rechtseenheid van de LOVS is om over de aanpassing van de oriëntatiepunten te adviseren. Daar wil het hof niet op vooruit lopen door andere uitgangspunten te gebruiken. Het hof merkt op dat de LOVS-oriëntatiepunten niet dwingend zijn. Het staat een rechter vrij om van de oriëntatiepunten af te wijken, onder meer vanwege de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de specifieke omstandigheden waaronder het feit is begaan.

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000034-26

datum uitspraak: 21 april 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 24 december 2025 in de strafzaak onder parketnummer 15-273122-25 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 2000,

thans gedetineerd in Penitentiaire [detentieadres] .

1. Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 31 maart 2026 en 21 april 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht.

2. Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, behalve ten aanzien van de opgelegde straffen (gevangenisstraf en verbeurdverklaring). In zoverre zal het vonnis worden vernietigd, met dien verstande dat het hof de strafmotivering vervangt door andere overwegingen.

Hetgeen in hoger beroep is aangevoerd, brengt het hof niet tot andere beslissingen en overwegingen ten aanzien van de bewezenverklaring dan de rechtbank.

3. Oplegging van straffen

Inleiding

De onderhavige zaak is één van twaalf zaken die het hof op een zogeheten themazitting heeft behandeld. Deze themazitting is georganiseerd naar aanleiding van nieuw beleid van de rechtbank Noord-Holland bij de staftoemeting in zaken die zien op koeriers van (in- of uitgevoerde) harddrugs op de luchthaven Schiphol (hierna ‘koerierszaken’). De rechtbank is in deze twaalf zaken in de straftoemeting in het voordeel van de verdachten afgeweken van de (landelijk vastgestelde) oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en zij heeft daarbij eigen ‘voorlopige’ uitgangspunten voor de straftoemeting geformuleerd. Dat nieuwe beleid houdt in dat de rechtbank op hieronder aangegeven wijze drie breder georiënteerde uitgangspunten hanteert in plaats van de in de LOVS-oriëntatiepunten genoemde negentien tredes (verderop in dit arrest weergegeven).

De rechtbank neemt in het nieuwe beleid bij een gewicht tot 1.500 gram aan gesmokkelde harddrugs als uitgangspunt een gevangenisstraf tot 8 maanden en/of een taakstraf; bij een hoeveelheid van 1.500 tot 5.000 gram een gevangenisstraf van 6 tot 24 maanden; en bij een hoeveelheid van 5.000 tot 20.000 gram een gevangenisstraf van 20 tot 36 maanden. Deze straffen zijn aanzienlijk lager dan de straffen die in de LOVS-oriëntatiepunten bij vergelijkbare hoeveelheden harddrugs worden genoemd.

De reden voor voornoemde (beleidsmatige) aanpassing van de straftoemeting in koerierszaken heeft de rechtbank als volgt gemotiveerd:

“Ten aanzien van het hiervoor genoemde oriëntatiepunt [het hof begrijpt: met betrekking tot de in onderhavige zaak vastgestelde invoer van 1.804,65 gram cocaïne] overweegt de rechtbank dat daarin met een forse gevangenisstraf tot uitdrukking wordt gebracht dat het bij de in/-uitvoer van harddrugs gaat om een ernstig misdrijf, waarvan potentiële nieuwe daders zoveel mogelijk moeten worden weerhouden. Het belang van dit strafdoel (generale preventie) staat als zodanig niet ter discussie, maar de rechtbank constateert wel dat al enige tijd een

disbalans bestaat tussen de hoogte van gevangenisstraffen die worden opgelegd aan op de

luchthaven aangehouden drugskoeriers, en de hoogte van gevangenisstraffen die worden

opgelegd aan verdachten die zich, vaak voor langere tijd, hebben beziggehouden met (de

organisatie van) vervaardiging, handel, in- en/of uitvoer van (zeer) grote hoeveelheden

harddrugs. In tegenstelling tot deze laatste groep hebben de koeriers die via Schiphol reizen

een relatief kleine hoeveelheid drugs bij zich en is hun aandeel in de smokkel in de regel

beperkt tot het enkele vervoer ervan. Desondanks worden deze drugskoeriers

verhoudingsgewijs aanmerkelijk zwaarder gestraft dan verdachten die worden berecht voor

de smokkel van, al dan niet in georganiseerd verband, grote hoeveelheden drugs. Deze

disbalans is in de afgelopen jaren vergroot door procesafspraken die regelmatig worden

gemaakt met verdachten die worden beschuldigd van betrokkenheid bij de organisatie van

grootschalige drugshandel. Bij procesafspraken is sprake van een tussen het openbaar

ministerie en de verdediging overeengekomen afdoeningsvoorstel dat – indien het door de

rechter wordt gevolgd – doorgaans leidt tot een aanzienlijk lagere straf dan zonder de

gemaakte procesafspraken zou zijn opgelegd. In deze ontwikkelingen ziet de rechtbank

aanleiding om de straffen voor de drugskoeriers die op de luchthaven Schiphol worden

aangehouden te matigen. Voor deze matiging van de strafmaat ten opzichte van het oriëntatiepunt van het LOVS hanteert de rechtbank – voorlopige – nieuwe algemene

uitgangspunten. De rechtbank probeert met deze uitgangspunten ook te komen tot meer

maatwerk bij de bestraffing van de genoemde categorie drugskoeriers, omdat het daarbij in

veel gevallen gaat om verdachten die kwetsbaar zijn door hun slechte persoonlijke

omstandigheden en die (mede) onder invloed daarvan tot het plegen van hun misdrijf zijn

gekomen.”

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts is het in beslag genomen geldbedrag van € 900,00 verbeurd verklaard.

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte, conform de LOVS-oriëntatiepunten (waarin voor de in- en uitvoer van harddrugs bij een hoeveelheid van 1.500 tot 2.000 gram bij de

categorie ‘standaard’ een gevangenisstraf voor de duur van 12 tot 24 maanden als oriëntatiepunt is geformuleerd) zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden. Daarnaast heeft zij gevorderd dat het in beslag genomen geldbedrag van € 900,00 verbeurd wordt verklaard.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft – zo begrijpt het hof – verzocht om aansluiting te zoeken bij de beslissing van de rechtbank. De rechtbank heeft namelijk helder uiteengezet dat er onrechtvaardige scheefgroei is ontstaan tussen de straffen die aan Schiphol-koeriers worden opgelegd en de straffen in grote drugszaken en heeft overwogen dat Schiphol-koeriers, naar verhouding, te zwaar gestraft worden.

Ten aanzien van de LOVS-oriëntatiepunten heeft zij aangevoerd dat er een onverklaarbare verhoging van de strafmaat bestaat tussen de categorieën 1.000 tot 1.500 gram en 1.500 tot 2.000 gram.

De verdediging heeft het hof voorts verzocht in strafmatigende zin rekening te houden met de leeftijd en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waarbij erop wordt gewezen dat zij zorgt draagt over haar twee kinderen en haar moeder (die gezondheidsproblemen heeft), zij verantwoordelijk is voor de inkomsten van de familie en zij first offender is.

Overwegingen van het hof

Algemeen

Het hof zal in deze overwegingen zaaksoverstijgend ook ingaan op aspecten die in andere zaken op deze themazitting door de verdediging van andere verdachten naar voren is gebracht.

Vooropgesteld dient te worden dat de rechter die over de feiten oordeelt over een ruime straftoemetingsvrijheid beschikt. Binnen de grenzen van de wet is hij vrij in de keuze van de op te leggen straf met inbegrip van de strafsoort en in de keuze en de weging van de factoren die hij daarvoor in de concrete zaak van belang acht. Deze straftoemetingsvrijheid stelt de feitenrechter in staat om te komen tot een strafoplegging die is afgestemd op de ernst van het (ten laste van de verdachte) bewezenverklaarde, de persoon van de verdachte en alle overige betrokken belangen.

De grote mate van straftoemetingsvrijheid brengt evenwel ook de verantwoordelijkheid van de feitenrechter mee, dat hij met het oog op de begrijpelijkheid en de aanvaardbaarheid van de strafoplegging, en mede in reactie op wat ter terechtzitting naar voren is gebracht over de strafoplegging, inzicht geeft in de overwegingen die tot de opgelegde straf hebben geleid. Tegen die achtergrond bevat het Wetboek van Strafvordering in artikel 359 leden 5 en 6 enkele (algemene) motiveringsvoorschriften en in artikel 359 lid 2, tweede volzin, het voorschrift dat de rechter zijn beslissing over de strafoplegging nader moet motiveren als die beslissing afwijkt van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdediging of het openbaar ministerie. Uit deze wettelijke voorschriften vloeit voort dat het hof, gelet op de strafmotivering als geheel en in het licht van de uiteenlopende zienswijzen van de verdediging en het openbaar ministerie over het nieuwe beleid van de rechtbank Noord-Holland in koerierszaken, voldoende inzichtelijk dient te maken waarom het hof is gekomen tot zijn beslissing over de strafoplegging en welke de gronden zijn die daartoe hebben geleid,

Voorts dient te worden vooropgesteld dat de LOVS-oriëntatiepunten geen ‘recht’ zijn in de zin van het bepaalde in artikel 79 van de Wet op de rechterlijke organisatie. Omdat zij geen (dwingend) recht vormen, is de feitenrechter niet aan de LOVS-oriëntatiepunten gehouden en is de uitleg hiervan aan hem voorbehouden, zij het dat die uitleg en toepassing wel begrijpelijk dient te zijn.

Bij dit laatste aanknopend, verdient hier verder opmerking dat blijkens de inleiding bij de Oriëntatiepunten voor straftoemeting en LOVS-afspraken het LOVS in 1998 een eerste aanzet heeft gegeven om consistentie in de straftoemeting te bevorderen. Besloten is om voor een aantal vaak voorkomende delicten een strafmaat (oriëntatiepunt) aan te geven waarop de rechter zich kan oriënteren bij de oplegging van de straf. Oriëntatiepunten komen tot stand na een inventarisatie van de praktijk van de straftoemeting en na consultatie van alle gerechten. De oriëntatiepunten worden op voorstel van de Commissie Rechtseenheid door het LOVS vastgesteld. Om te bevorderen dat de oriëntatiepunten en LOVS-afspraken voldoende blijven aansluiten bij de praktijk, worden zij periodiek geëvalueerd.

Voor de in- en uitvoer van harddrugs, genoemd in artikel 2, aanhef en onder A van de Opiumwet, heeft de LOVS de volgende oriëntatiepunten (met toelichting) opgesteld en gepubliceerd:

Trede

Gewicht (gram)*

Standaard

Organisatie

1.

0-10

1-3 weken GS ov

n.v.t.

2.

10-50

3-5 weken GS ov

n.v.t.

3.

50-100

5-7 weken GS ov

n.v.t.

4.

100-150

7-10 weken GS ov

n.v.t.

5.

150-200

10-12 weken GS ov

n.v.t.

6.

200-500

3-6 maanden GS ov

6-8 maanden GS ov

7.

500-1000

6-8 maanden GS ov

8-12 maanden GS ov

8.

1000-1500

8-12 maanden GS ov

12-24 maanden GS ov

9.

1500-2000

12-24 maanden GS ov

24-30 maanden GS ov

10.

2000-3000

24-30 maanden GS ov

30-36 maanden GS ov

11.

3000-4000

30-36 maanden GS ov

36-42 maanden GS ov

12.

4000-5000

36-38 maanden GS ov

42-45 maanden GS ov

13.

5000-6.000

38-40 maanden GS ov

45-48 maanden GS ov

14.

6.000-7.000

40-42 maanden GS ov

48-51 maanden GS ov

15.

7.000-8.000

42-44 maanden GS ov

51-54 maanden GS ov

16.

8.000-9.000

44-46 maanden GS ov

54-57 maanden GS ov

17.

9.000-10.000

46-48 maanden GS ov

57-60 maanden GS ov

18.

10.000-20.000

48-60 maanden GS ov

60-72 maanden GS ov

19.

> 20.000

> 60 maanden GS ov

> 72 maanden GS ov**

* 1 pil of 5 ml = 0,5 gram

** Het gewicht van de partij(en) verdovende middelen kan enorm oplopen. Gelet op deze diversiteit kan geen nader uitgewerkt oriëntatiepunt worden gegeven.

Categorie 1: standaard

Betreft alle daders (zowel in- als uitvoer) waarbij geen sprake is van de categorie 2 (organisatie).

Omstandigheden die van belang zijn bij de straftoemeting:

zie de algemene oriëntatiepunten

voor dit delict kan verder nog gedacht worden aan de volgende specifieke omstandigheden:

- er is aantoonbaar sprake van bijzondere armoedige omstandigheden

- er is sprake van een dader die duidelijk is misbruikt door de organisatie (te denken valt bijvoorbeeld aan daders met een beperkte intelligentie/grote naïviteit)

- het betrekken van anderen bij de smokkel (vrienden, familie)

- gebruikmaken van een dekmantel (bijvoorbeeld veinzen deel uit te maken van muziek-/dansgezelschap).

Categorie 2: organisatie

Betreft daders die enige rol in de organisatie spelen, als regelmatige koerier, controller of afhaler.

Omstandigheden die van belang zijn bij de straftoemeting:

zie de algemene oriëntatiepunten

voor dit delict kan verder nog gedacht worden aan de volgende specifieke omstandigheden:

- plaats in de smokkelorganisatie

- omvang van de partij(en)

- betrokkenheid bij de productie

- het betrekken van anderen bij de smokkel (vrienden, familie)

- hebzucht is de voornaamste beweegreden

Anders dan de rechtbank neemt het hof deze LOVS-oriëntatiepunten als uitgangspunt in de straftoemeting. Het hof is namelijk van oordeel dat de beginselen van rechtseenheid, rechtszekerheid en voorspelbaarheid (waaronder voorzienbaarheid) met het gebruik van deze oriëntatiepunten worden gediend.

Dat neemt niet weg dat het hof oog heeft voor de specifieke aard van de ‘koerierszaken’ en de door de rechtbank gesignaleerde disbalans in straftoemeting, die zich kan voordoen of voordoet tussen enerzijds deze zaken en anderzijds zaken waarin aanzienlijk grotere hoeveelheden harddrugs zijn in- of uitgevoerd en/of waarin de verdachte een andere (veelal grotere, organiserende) rol had. Indien deze door de rechtbank genoemde disbalans als meewegende factor in de straftoemeting zou moeten leiden tot aanpassing van de oriëntatiepunten, is het aan de Commissie Rechtseenheid om het LOVS daarover te adviseren; daarop zal het hof niet vooruitlopen door gebruik te maken van andere uitgangspunten dan de LOVS-oriëntatiepunten. Bij een (hernieuwde) doordenking van de oriëntatiepunten door de Commissie Rechtseenheid zou de gedachte kunnen worden betrokken van een oriënterend strafplafond (bijvoorbeeld van 40 maanden gevangenisstraf) voor de ‘koerierszaken’.

Daarbij komt dat het hof geen aanwijzingen heeft (verkregen) dat de Nederlandse samenleving in algemene zin milder over de straftoemeting in zaken betreffende harddrugs is gaan denken dan voorheen. Eerder lijkt het tegendeel het geval. Het hof wijst in dat verband op het op 7 maart 2025 ingediende wetsvoorstel tot wijziging van de Opiumwet in verband met de verhoging van het wettelijk strafmaximum van het aanwezig hebben, de handel, de productie en de in- en uitvoer van verdovende middelen als bedoeld in lijst 1 bij de Opiumwet (‘verhoging strafmaxima grootschalige drugscriminaliteit)’, dat tot doel heeft om (ondermijnende) drugscriminaliteit strenger te normeren en de maximaal op te leggen straffen te verhogen.

Het hof merkt in deze algemene beschouwingen tot slot op dat de hiervoor genoemde straftoemetingsvrijheid van de feitenrechter expliciet wordt aanvaard in de LOVS-oriëntatiepunten, ook wat betreft de hierboven weergegeven oriëntatiepunten voor de in- en uitvoer van harddrugs. Naast de hoeveelheid harddrugs kunnen immers onder meer de rol en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte meewegen bij de bepaling van de straf, evenals de specifieke omstandigheden waaronder het feit is begaan. Het hof benadrukt dat deze straftoemetingsfactoren er nu al toe kunnen leiden dat een (aanzienlijk) lagere straf wordt opgelegd dan de straf die in de LOVS-oriëntatiepunten voor de desbetreffende hoeveelheid gesmokkelde harddrugs wordt genoemd en dat (onder omstandigheden) ook andere strafmodaliteiten dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in beeld kunnen komen, zodat maatwerk (nu al) in alle gevallen mogelijk is en blijft. Het hof plaatst daarbij wel de kanttekening dat de wijze waarop een straf mogelijk ten uitvoer zal worden gelegd, waaronder regelingen met betrekking tot strafonderbreking en voorwaardelijke invrijheidsstelling, in de regel geen rol speelt bij de straftoemeting.

Toepassing op deze zaak

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon en draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de invoer van ongeveer 1.804 gram cocaïne, door deze (verstopt in voorwerpen) in haar bagage te vervoeren en vanuit Colombia naar Nederland te brengen. Cocaïne is een voor de volksgezondheid schadelijke stof. Uit de hoeveelheid cocaïne en wijze van verpakken is af te leiden dat de cocaïne bedoeld moet zijn geweest voor verdere verspreiding en verhandeling. Met haar handelen heeft de verdachte aldus een bijdrage geleverd aan de instandhouding van de internationale drugshandel, die gepaard gaat met vele andere vormen van (niet zelden gewelddadige) criminaliteit.

Op de wijze zoals hiervoor uiteengezet, heeft het hof bij de bepaling van de hoogte van de op te leggen straf gelet op de straffen genoemd in de LOVS-oriëntatiepunten. Daarin wordt voor de invoer van 1.500 tot 2.000 gram harddrugs een gevangenisstraf van 12 tot 24 maanden genoemd. Het hof neemt dit dan ook als uitgangspunt, hetgeen meebrengt dat het hof alleen een vrijheidsbenemende straf passend acht.

Het hof houdt in strafverminderende zin rekening met de omstandigheid dat de verdachte – die naar het hof heeft begrepen werkloos is – zorg draagt voor haar twee kinderen en hulpbehoevende moeder en hen financieel moet onderhouden. Hierin ziet het hof aanleiding om aansluiting te zoeken bij de ‘onderkant’ van voornoemde bandbreedte genoemd in de LOVS-oriëntatiepunten.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Het hof zal daarnaast het onder de verdachte in beslag genomen geldbedrag van € 900,00 verbeurd verklaren. Dit geldbedrag behoort aan de verdachte toe. Uit de verklaring die de verdachte bij de Koninklijke Marechaussee heeft afgelegd, is gebleken dat dit geldbedrag door middel van het bewezenverklaarde feit is verkregen als voorschot op de beloning die de verdachte voor de smokkel zou krijgen. Het hof gaat eraan voorbij dat de verdachte later van deze verklaring is teruggekomen.

4. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 33 en 33a van het Wetboek van Strafrecht.

5. BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straffen (gevangenisstraf en verbeurdverklaring) en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

een geldbedrag van € 900,00 (omschrijving: PL2700-25-092473).

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan die van de (tenuitvoerlegging van de) straf.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. E.J. Hofstee, mr. M.J.A. Plaisier en mr. M.L.M. van der Voet, in tegenwoordigheid van mr. C.H. Sillen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 21 april 2026.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. C.H. Sillen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NJFS 2026/134
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand