GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.333.503/01
zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : C/15/324330/HA ZA 22-58
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 14 april 2026
in de zaak van
1. [appellant 1] ,
wonende te [plaats 1] , gemeente [plaats 2] ,
hierna: [appellant 1] ,
2. [appellant 2],
wonende te [plaats 2] ,
hierna: [appellant 2] ,
3. [appellant 3],
wonende te [plaats 2] ,
hierna: [appellant 3] ,
4. [appellant 4],
wonende te [plaats 3] ,
hierna: [appellant 4] ,
5. [appellant 5],
wonende te [plaats 4] ,
hierna: [appellant 5] ,
6. [appellant 6],
wonende te [plaats 5] , Maleisië,
hierna: [appellant 6] ,
7. [appellant 7] ,
wonende te [plaats 6] ,
hierna, [appellant 7] ,
8. [appellant 8] ,
wonende te [plaats 7] , Portugal,
hierna: [appellant 8] ,
9. [appellant 9] ,
wonende te [plaats 8] , Noorwegen,
hierna: [appellant 9] ,
10. [appellant 10],
wonende te [plaats 3] ,
hierna: [appellant 10] ,
11. [appellant 11] ,
wonende te [plaats 9] ,
hierna: [appellant 11] ,
appellanten,
tevens incidenteel geïntimeerden,
hierna ook gezamenlijk: [appellanten] ,
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [plaats 10] ,
geïntimeerde,
tevens incidenteel appellant,
hierna: [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. A. Heilig te Wognum.
1. Het geding in hoger beroep
Het hof verwijst naar het tussenarrest van 3 juni 2025. Daarin is onder meer bepaald dat [appellanten] in de gelegenheid worden gesteld het bestaan en de omvang van de schade die als gevolg van de tekortkoming van [geïntimeerde] is ontstaan bij akte nader te onderbouwen.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
Ten slotte is een datum voor arrest bepaald.
2. Beoordeling
Het hof heeft in 5.13 en 5.14 van het tussenarrest bepaald dat per appellant dient te worden uiteengezet wat de ingelegde cryptovaluta zouden hebben opgeleverd in het hypothetische geval dat [appellanten] na eind oktober 2018 hun reeds bij [geïntimeerde] ingelegde cryptovaluta en nadien ingelegde cryptovaluta elders ter belegging hadden ondergebracht, in vergelijking met wat zij daadwerkelijk van [geïntimeerde] hebben ontvangen. Verder is bepaald dat in de schadebegroting bij de hoeveelheden aan cryptovaluta die zijn ingelegd en uitgekeerd dient te worden uitgegaan van de tegenwaarde in euro op de desbetreffende data van inleg of uitkering. De peildatum voor de schadebegroting is bepaald op 1 oktober 2020.
Voor [appellant 11] hebben [appellanten] uiteengezet wat volgens hen, na het waardeloos worden van PRL eind oktober 2018, nog resteerde van zijn inleg met de tegenwaarde daarvan in euro (€ 705). Zij hebben daarbij ook berekend wat deze inleg vanaf dat moment tot aan 1 oktober 2020 zou hebben opgeleverd als deze elders ter belegging was ondergebracht (€ 1.323 bij een rendement van 8%). Bij de vergelijking met wat [appellant 11] daadwerkelijk van [geïntimeerde] heeft ontvangen, stellen [appellanten] dat aan [appellant 11] “ter waarde van 0,06 BTC” is uitgekeerd, en dat dit op de peildatum een waarde vertegenwoordigde van € 568. Uit het door [geïntimeerde] overgelegde overzicht met gegevens over inleg en uitbetalingen van/aan [appellant 11] (productie 11 bij conclusie van antwoord), waarvan de juistheid door [appellanten] niet is betwist, volgt echter dat op verschillende data in december 2020 en januari 2021 aan [appellant 11] in ethereum is uitbetaald, terwijl de tegenwaarde daarvan zoals vermeld in het overzicht (in USD) niet strookt met de door [appellanten] genoemde tegenwaarde in euro op de peildatum. [appellanten] hebben geen verklaring gegeven voor dit verschil, en zij hebben niet toegelicht waarop hun stelling is gebaseerd dat “ter waarde van 0,06 BTC” is uitgekeerd. Deze wijze van berekening is in elk geval in strijd met wat het hof in het tussenarrest heeft bepaald over de wijze waarop de schade moet worden berekend.
Hetzelfde geldt voor de schadeberekening voor [appellant 1] . Volgens [appellanten] is “ter waarde van 8,0165 BTC” aan [appellant 1] uitgekeerd, met een tegenwaarde van € 72.489 op de peildatum. Uit het niet betwiste overzicht van [geïntimeerde] met gegevens over [appellant 1] (productie 1 bij conclusie van antwoord) volgt echter dat aan [appellant 1] uitkeringen zijn gedaan in ethereum met tegenwaardes in USD die zich niet verdragen met de door [appellanten] genoemde tegenwaarde van de uitkeringen op de peildatum.
De door [appellanten] gehanteerde schadebegroting is kennelijk mede ingegeven door hun standpunt dat, uitgaande van een peildatum 1 oktober 2020, [geïntimeerde] op dat moment de cryptovaluta had moeten uitkeren (of de tegenwaarde daarvan in euro), en een daarop gebaseerd hypothetisch scenario dat [appellanten] daarmee (weer) cryptovaluta hadden gekocht, waarbij zij
door de lagere koers op 1 oktober 2020 meer cryptovaluta hadden gehad dan zij met de betaling in cryptovaluta in december 2020 en januari 2021 in werkelijkheid hebben ontvangen, waardoor zij (koers)schade lijden. In het tussenarrest is echter niet geoordeeld dat op [geïntimeerde] een verplichting rustte om de voor [appellanten] gehouden cryptovaluta (of de waarde daarvan) op 1 oktober 2020 aan hen uit te keren. Voor een dergelijke verplichting van [geïntimeerde] , en het tekortschieten daarin, biedt hetgeen [appellanten] bij memorie van grieven hebben aangevoerd overigens ook geen grondslag.
Het lag op de weg van [appellanten] om in de schadebegroting, bij het maken van de vergelijking met wat zij daadwerkelijk van [geïntimeerde] hebben ontvangen, uiteen te zetten wat de tegenwaarde in euro is geweest van de cryptovaluta die zij van [geïntimeerde] (voornamelijk in de maanden december 2020 en januari 2021) uitgekeerd hebben gekregen, eventueel met een contante-waarde berekening per de peildatum van 1 oktober 2020. Dat hebben zij echter niet gedaan. Voor zover [appellanten] betogen dat bij de schadebegroting vergeleken moet worden met de cryptovaluta (of de tegenwaarde in euro) die [geïntimeerde] op 1 oktober 2020 voor hen hield, lag het op de weg van [appellanten] om deze hoeveelheid cryptovaluta (en tegenwaarde in euro) die [geïntimeerde] per 1 oktober 2020 voor hen hield per appellant uiteen te zetten. Ook deze gegevens ontbreken echter.
Het hof komt tot de conclusie dat [appellanten] , ondanks de daartoe gegeven instructies in het tussenarrest, niet de gegevens en toelichting hebben verstrekt die nodig zijn om te beoordelen of [appellanten] schade hebben geleden en, zo ja, wat de omvang daarvan is. Voor andere appellanten dan [appellant 11] en [appellant 1] hebben [appellanten] bovendien volstaan met een ‘schadeoverzicht’ dat in het geheel geen inzicht geeft in de wijze waarop de daarin vermelde bedragen zijn berekend.
Wat de positie van [appellant 5] betreft geldt dat, ook als ervanuit gegaan wordt dat hij, zoals hij stelt, de positie van een ander heeft overgenomen, eveneens onvoldoende gegevens zijn verschaft om te kunnen beoordelen of, en zo ja, in welke mate, hij schade heeft geleden. Het hof verwijst naar het vorenstaande.
De slotsom is daarom dat [appellanten] niet hebben aangetoond dat zij schade hebben geleden, zodat hun vorderingen tot betaling van schadevergoeding en kosten niet toewijsbaar zijn. Bij de gevorderde verklaring voor recht hebben zij, mede gelet op het ontbreken van een concrete toelichting op dat punt, onvoldoende belang. Het bestreden vonnis zal daarom worden bekrachtigd.
[appellanten] zullen in de proceskosten worden veroordeeld van het principaal hoger beroep. Het hof begroot deze kosten aan de zijde van [geïntimeerde] als volgt.
- griffierecht € 1.780,-
- salaris advocaat € 16.522,50 (tarief VIII, 2,5 punten)
Totaal € 18.302,50.
[geïntimeerde] zal in de proceskosten worden veroordeeld van het incidenteel hoger beroep. Het hof begroot deze kosten aan de zijde van [appellanten] als volgt.
- salaris advocaat € 3.340,- (tarief III, 2 punten).
3. Beslissing
Het hof:
rechtdoende in principaal en incidenteel appel:
bekrachtigt het bestreden vonnis;
veroordeelt [appellanten] hoofdelijk in de kosten van het geding in principaal hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 18.302,50, en op € 189 voor nasalaris, te vermeerderen met € 98 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot indien niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan en betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente van artikel 6:119 BW, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan, en verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in incidenteel hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [appellanten] vastgesteld op € 3.340,-.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.C.H. Molin, P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en E.E. van Tuyll van Serooskerken-Röell en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 14 april 2026.