Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
7 april 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.hij op of omstreeks 23 februari 2024 te Zuid-Scharwoude, gemeente Dijk en Waard, in elk geval in Nederland op een parkeerterrein aan de Oostelijke Randweg ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een iPad in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde partij 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze voorgenomen diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [benadeelde partij 1] te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,
- een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op die [benadeelde partij 1] heeft gericht en/of
- met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op het hoofd van die [benadeelde partij 1] heeft geslagen terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.hij op of omstreeks 23 februari 2024 te Zuid-Scharwoude, gemeente Dijk en Waard, althans in Nederland een wapen van categorie I, onder 7 van de Wet Wapens en Munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en/of dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een nabootsing van een pistool, dat een sprekende gelijkenis vertoont met een bestaand vuurwapen, te weten een vuurwapen van het merk Glock 19, type Gen 3, voorhanden heeft gehad;
3.hij op of omstreeks 12 augustus 2022 te [adres 2] uit een woning, gelegen aan [adres 3] een jas (merk: the North Face ) en/of sieraden (een Seiko horloge en/of een goudkleurige armband en/of een goudkleurige ketting) en/of een Nintendo Switch en/of een geldbedrag, in elk geval enig(e) goed(eren, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde partij 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing omtrent de bewijsvraag komt dan de rechtbank.
Bewijsoverweging
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle drie de tenlastegelegde feiten.
Ten aanzien van de vraag of de eerste DNA-afname rechtmatig heeft plaatsgevonden, heeft de advocaat-generaal zich op het volgende standpunt gesteld. Gelet op de tekst van artikel 151b, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) en de wetsgeschiedenis is het de vraag of de wetgever heeft bedoeld om een absoluut verbod in de wet op te nemen om, ingeval van verzet van de verdachte tegen DNA-afname, met behulp van de sterke arm wangslijmvlies af te nemen. De in de eerste en tweede zin van de in lid 3 neergelegde volgorde van de wijze van afname van celmateriaal, is dwingend. De afname van wangslijmvlies staat voorop, omdat de afname van dit soort celmateriaal voor de verdachte het minst belastend is. Het is daarom maar de vraag of de afname van wangslijmvlies niet met behulp van de sterke arm zou mogen plaatsvinden. Indien het hof echter tot de conclusie komt dat het op grond van artikel 151b, derde lid, Sv niet is toegestaan wangslijmvlies af te nemen met behulp van de sterke arm, dan is in strijd met deze wettelijke bepaling gehandeld en is sprake van een vormverzuim. De rechtbank heeft dit vormverzuim echter onterecht als onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv aangemerkt. Het bevel van de officier van justitie tot het afnemen van wangslijm is rechtmatig afgegeven en er kon opnieuw celmateriaal bij de verdachte worden afgenomen, wat inmiddels ook is gebeurd. Daarmee is het vormverzuim hersteld. Indien het hof oordeelt dat wel sprake is van een onherstelbaar vormverzuim, is de advocaat-generaal van mening dat bewijsuitsluiting een te vergaande sanctie is en dat volstaan kan worden met strafvermindering.
Ten aanzien van de bewijsvraag heeft de advocaat-generaal het volgende aangevoerd. Gelet op de tweede DNA-afname die in een andere zaak heeft plaatsgehad en die tot dezelfde matches heeft geleid, kan tot een veroordeling van alle drie de tenlastegelegde feiten worden gekomen. Uit deze tweede afname blijkt wederom dat het aangetroffen sporenmateriaal matcht met het DNA van de verdachte. Ten aanzien van feit 1 en feit 2 zijn bloedsporen van de verdachte aangetroffen op de jassen van het slachtoffer en de getuige, tevens is op het wapen celmateriaal van de verdachte aangetroffen. De DNA-match wordt ondersteund door het feit dat de verdachte letsel had, wat goed past bij hetgeen is voorgevallen.
Ten aanzien van feit 3 heeft de advocaat-generaal aangevoerd dat aan de binnenzijde van het stukje latex-handschoen dat is aangetroffen op de vensterbank van de woning waar de inbraak heeft plaatsgevonden, celmateriaal van de verdachte is aangetroffen.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak van alle drie de tenlastegelegde feiten bepleit. Hij heeft hiertoe
– kort gezegd – het volgende aangevoerd.
Er is sprake van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv, nu het DNA-profiel van de verdachte in strijd met artikel 151b, derde lid, Sv is verkregen en daarbij een ernstige inbreuk is gemaakt op de lichamelijke integriteit van de verdachte. De daarop gebaseerde onderzoeksresultaten dienen te worden uitgesloten van het bewijs.
Het vormverzuim is niet hersteld door de tweede DNA-afname. Uit het nieuwe NFI-rapport van
31 januari 2025 kan immers niet worden opgemaakt dat er op basis van deze tweede DNA-afname opnieuw DNA-onderzoek heeft plaatsgevonden. In dit rapport wordt verwezen naar de eerdere rapportages waarbij het aangetroffen sporenmateriaal is vergeleken met het uit de eerste DNA-afname verkregen DNA-profiel. Daarmee borduurt het rapport voort op onrechtmatig verkregen bewijs. Nu de onrechtmatige handeling (de eerste DNA-afname) van bepalende invloed is geweest op het verloop van het opsporingsonderzoek en/of de (verdere) vervolging van de verdachte en het tweede NFI-rapport moet worden aangemerkt als het direct gevolg van dit verzuim, dient ook het NFI-rapport van 31 januari 2025 op grond van artikel 359a Sv respectievelijk artikel 3 en artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) van het gebruik voor het bewijs te worden uitgesloten. Er is hoe dan ook sprake van een onherstelbaar vormverzuim omdat de geweldstoepassing jegens de verdachte niet kan worden hersteld.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bestaat om tot een bewezenverklaring te komen. De verdachte dient te worden vrijgesproken van de feiten 1, 2 en 3.
Oordeel van het hof
Het hof overweegt het volgende.
Indien blijkt dat bij het voorbereidend onderzoek vormen zijn verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld en de rechtsgevolgen daarvan niet uit de wet blijken, dient de rechter te bepalen of aan dat vormverzuim een rechtsgevolg moet worden verbonden in de zin van artikel 359a Sv. De vragen die dit in deze zaak oproept is of sprake is geweest van een vormverzuim bij het voorbereidend onderzoek, en zo ja: of dit vormverzuim herstelbaar is of niet, en zo ja; of aan het vormverzuim een rechtsgevolg moet worden verbonden.
Feiten en omstandigheden
Het hof stelt op basis van het dossier en hetgeen ter terechtzitting is besproken het volgende vast.
De officier van justitie heeft aan de verdachte, na uitleg aan de verdachte en zijn raadsman, een bevel tot DNA-afname gegeven. De verdachte heeft geweigerd daaraan mee te werken, ook nadat meermaals werd aangedrongen en hem werd meegedeeld dat geweld zou worden gebruikt bij weigering. Uiteindelijk is de verdachte met gespreide armen naar achteren gelopen terwijl hij riep “kom maar op” (of woorden van gelijke strekking). De verdachte is vervolgens door meerdere politieambtenaren van de Afdeling Arrestanten Taken (AAT) naar de grond gewerkt en gefixeerd, waarbij gebruik is gemaakt van een zogenoemde ‘bokkenpoot’. Daarna is de mond van de verdachte door middel van een duim op de wang met kracht opengeduwd. De forensisch arts heeft zo alsnog het wangslijmvlies van de verdachte kunnen afnemen.
Het wangslijmvlies van de verdachte is gebruikt voor DNA-onderzoek. Gelet op de onderzoeksresultaten van het DNA-onderzoek stelt het hof vast dat het aangetroffen DNA-(meng)profiel van het sporenmateriaal op de jassen van het slachtoffer en de getuige, het wapen en op de binnenzijde van het stukje latex handschoen dat is aangetroffen in de woning aan de [adres 3] DNA bevat dat afkomstig is van de verdachte.
Juridisch kader
Artikel 151b, derde lid, Sv schrijft voor dat het bevel van de officier van justitie tot het afnemen van celmateriaal in beginsel ten uitvoer wordt gelegd door afname van wangslijmvlies, tenzij afname van wangslijmvlies ‘vanwege het verzet van de verdachte onwenselijk is dan wel geen geschikt celmateriaal oplevert’. In dat geval wordt bloed of worden haarwortels afgenomen, zo nodig met behulp van de sterke arm.
De woorden ‘vanwege het verzet van de verdachte onwenselijk’ lijken enige ruimte te bieden om bij geringe vormen van verzet toch wangslijmvlies af te nemen. Hierbij kan worden gedacht aan een verdachte die, ondanks zijn protest, zijn mond opendoet en op die manier duldt dat zijn wangslijmvlies met een wattenstaafje wordt afgenomen. Omdat juist het afnemen van wangslijmvlies in geval van verzet buitengewoon problematisch kan zijn, heeft de wetgever met de tekst van artikel 151b, derde lid, Sv het expliciet mogelijk gemaakt om in een dergelijke situatie uit te wijken naar het afnemen van haarwortels of bloed, zo nodig met behulp van de sterke arm. Uit de tekst van artikel 151b, derde lid, Sv en de wetsgeschiedenis leidt het hof af dat de mogelijkheid tot het inroepen van de hulp van de sterke arm tot die situaties is beperkt (zie: Kamerstukken II 1999/2000, 26 271, nr. 7 (nota van wijziging), p. 6) en dat afname van wangslijmvlies met behulp van de sterke arm niet is toegestaan.
Toepassing in deze zaak
Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte op een dusdanige manier weerstand geboden tegen de afname van het celmateriaal dat niet langer kan worden gesproken van ‘protest’ of ‘gering verzet’, maar van daadwerkelijk ‘verzet’ in de zin van artikel 151b, derde lid, Sv. De afname van wangslijmvlies bij de verdachte met behulp van de sterke arm, terwijl de verdachte zich verzette, heeft tot gevolg dat gehandeld is in strijd met artikel 151b, derde lid, Sv. Om die reden concludeert het hof dat sprake is van een vormverzuim bij het voorbereidend onderzoek in de zin van artikel 359a Sv. Het hof acht dit verzuim ernstig.
Nu het hof heeft vastgesteld dat sprake is van een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv, dient de vraag te worden beantwoord of dit verzuim al dan niet onherstelbaar is. Het hof overweegt dat de verdachte, zonder wettelijke basis, disproportioneel en onnodig geweld heeft moeten dulden waarmee een inbreuk is gemaakt op zijn lichamelijke integriteit. Deze inbreuk is niet terug te draaien. Het hof is daarom met de verdediging van oordeel dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv.
Om te bepalen of aan dit vormverzuim een rechtsgevolg dient te worden verbonden (en zo ja welk), moet gekeken worden naar het belang van het geschonden voorschrift, de ernst van het verzuim en het nadeel dat hierdoor voor de verdachte is veroorzaakt (artikel 359a, tweede lid, Sv).
Het hof gaat bij de beoordeling uit van het toetsingskader van de Hoge Raad (vgl. ECLI:NL:HR:2004:AM2533 en ECLI:NL:HR:2020:1889). Daaruit volgt dat strafvermindering, in die zin dat de hoogte van de op te leggen straf in verhouding tot de ernst van het verzuim wordt verlaagd, slechts in aanmerking komt, indien aannemelijk is dat (a) de verdachte daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden, (b) dit nadeel is veroorzaakt door het verzuim, (c) het nadeel geschikt is voor compensatie door middel van strafvermindering, en (d) strafvermindering ook in het licht van het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim gerechtvaardigd is. Voorts heeft de Hoge Raad overwogen dat strafvermindering geschikt is in het geval van vormverzuimen die een inbreuk hebben gemaakt op de lichamelijke integriteit van de verdachte.
Het hof overweegt dat de verdachte daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden door de onrechtmatige DNA-afname. Doordat bij de verdachte in strijd met artikel 151b, derde lid, Sv, celmateriaal is afgenomen, is een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de verdachte. Naar het oordeel van het hof is daarom strafvermindering in deze zaak een passend en geschikt rechtsgevolg. Het hof volgt de rechtbank niet in het verdergaande oordeel dat hier bewijsuitsluiting dient te volgen. Het hof weegt mee dat kennelijk onduidelijkheid heeft bestaan bij zowel de officier van justitie als de forensisch arts ten aanzien van de toelaatbaarheid van het afnemen van wangslijmvlies in een dergelijke verzetssituatie. Naar het hof aanneemt bestaat die onduidelijkheid nu niet meer en is het niet nodig opsporingsambtenaren hiervan te doordringen door middel van bewijsuitsluiting. Dit brengt tevens met zich mee dat de resultaten van het (eerste) DNA-onderzoek voor het bewijs kunnen worden gebruikt en dat het hof aan het standpunt van de raadsman dat bewijsuitsluiting als rechtsgevolg aan het vormverzuim moet worden verbonden, voorbijgaat.
Overwegingen ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3
Gelet op bovenstaande overweegt het hof ten aanzien van feit 1 en feit 2 het volgende. Het proces-verbaal van aangifte, het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] , het proces-verbaal van bevindingen onderzoek naar het wapen (feit 2) en de resultaten van het eerste DNA-onderzoek vormen naar het oordeel van het hof voldoende wettig en overtuigend bewijs voor bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten 1 en 2.
Ten aanzien van feit 3 overweegt het hof als volgt. Het proces-verbaal van aangifte, het proces-verbaal van forensisch onderzoek in de woning waarbij een afgescheurd deel van een latex handschoen is aangetroffen en de resultaten van het eerste DNA-onderzoek van het deel van de latex handschoen vormen naar het oordeel van het hof voldoende wettig en overtuigend bewijs voor bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit 3.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.hij op 23 februari 2024 te Zuid-Scharwoude, gemeente Dijk en Waard, op een parkeerterrein aan de Oostelijke Randweg ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een iPad toebehorende aan [benadeelde partij 1] weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze voorgenomen diefstal te doen vergezellen van geweld en bedreiging met geweld tegen [benadeelde partij 1] te plegen met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken
- een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op die [benadeelde partij 1] heeft gericht en
- met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op het hoofd van die [benadeelde partij 1] heeft geslagen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.hij op 23 februari 2024 te Zuid-Scharwoude, gemeente Dijk en Waard, een wapen van categorie I, onder 7 van de Wet Wapens en Munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en/of dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een nabootsing van een pistool, dat een sprekende gelijkenis vertoont met een bestaand vuurwapen, te weten een vuurwapen van het merk Glock 19, type Gen 3, voorhanden heeft gehad;
3.hij op 12 augustus 2022 te [adres 2] uit een woning, gelegen aan [adres 3] een jas (merk: the North Face ) en sieraden (een Seiko horloge en/of een goudkleurige armband en een goudkleurige ketting) en een Nintendo Switch en een geldbedrag toebehorende aan [benadeelde partij 2] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.
Hetgeen onder 1, 2 en 3 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
poging tot diefstal, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:
diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
De rechtbank heeft de verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde vrijgesproken.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden met aftrek van het voorarrest.
De raadsman heeft verzocht een zodanige (gevangenis)straf op te leggen dat die niet de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht zal overstijgen, eventueel in combinatie met een voorwaardelijk deel.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot diefstal met geweld. Daarnaast heeft de verdachte zich, tijdens de poging tot diefstal met geweld, schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een nepvuurwapen die hij niet enkel aan het slachtoffer en zijn vriend heeft getoond, maar waarmee hij het slachtoffer ook heeft geslagen. Door op deze manier te handelen heeft de verdachte niet alleen een inbreuk proberen te maken op het eigendomsrecht van het slachtoffer, maar hem ook een zeer beangstigende ervaring bezorgd. Algemeen bekend is dat slachtoffers nog lang last kunnen ondervinden van een dergelijke (poging tot) gewelddadige beroving. Dit wordt bevestigd door de slachtofferverklaring die de zus van het slachtoffer ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd, waaruit blijkt dat het slachtoffer nog lange tijd gevolgen heeft ondervonden van het handelen van de verdachte. Pas nu, ruim twee jaar later, heeft het slachtoffer zijn leven weer enigszins op kunnen pakken. Het hof rekent dit de verdachte aan.
Ook heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een woninginbraak. Hiermee heeft de verdachte een inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer en zijn gezin, de bewoners van het huis. Woninginbraken veroorzaken, naast materiële schade en hinder voor slachtoffers, ook maatschappelijke onrust en een groot gevoel van onveiligheid. De verdachte heeft laten zien geen respect te hebben voor het eigendomsrecht van anderen en er niet voor terug te deinzen om daar met het oog op eigen gewin inbreuk op te maken.
Uit het strafblad van de verdachte van 26 maart 2026 blijkt dat hij eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een geweldsdelict. Het hof neemt dit mee in het nadeel van de verdachte.
De ernst van de bewezenverklaarde feiten rechtvaardigen in beginsel de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van geruime duur. In beginsel acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden dan ook passend.
Zoals hiervoor is overwogen, is in deze zaak sprake van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv. Het hof verbindt hier het rechtsgevolg van strafvermindering aan. Alles afwegende acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 3.036,00 waarvan € 2.186,00 aan materiële schade en € 850,00 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij dient te worden toegewezen tot een bedrag van € 2.362,00, bestaande uit € 1.512,00 aan materiële schade en € 850,00 aan immateriële schade.
De verdediging heeft het hof, gelet op de bepleite vrijspraak, primair verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering tot schadevergoeding. Subsidiair heeft de verdediging verzocht om, in geval van bewezenverklaring, de vordering te matigen gelet op het eigen aandeel van de benadeelde partij.
Het hof overweegt als volgt.
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Er wordt een vergoeding gevorderd wegens schade aan de jas van de benadeelde partij die door bloedvlekken onbruikbaar is geworden (te weten: € 768,00), de reparatie van de iPhone van de benadeelde partij die door de worsteling uit de auto is gevallen (te weten: € 338,00) en de kosten voor de psycholoog (te weten: €486,00). De verdachte is tot vergoeding van het totaalbedrag van € 1.592,00 aan materiële schade gehouden, zodat de vordering zal worden toegewezen.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft door het handelen van de verdachte lichamelijk letsel opgelopen in de vorm van een bloedende wond aan zijn wenkbrauw. De benadeelde partij heeft de volgende dag de huisartsenpost bezocht waar de wond aan zijn wenkbrauw is gelijmd. Daarnaast heeft de benadeelde partij door het handelen van de verdachte psychische gevolgen ondervonden, waarvoor hij inmiddels vijf EMDR-behandelingen heeft gehad. Zowel het lichamelijk als het psychisch letsel zijn door de benadeelde partij goed onderbouwd. Deze onderbouwing blijkt niet alleen uit het schade-onderbouwingsformulier, maar ook uit hetgeen de zus van de benadeelde partij (tevens slachtoffer) ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard. De situatie heeft een grote invloed gehad op meerdere aspecten van het dagelijkse leven van de benadeelde partij: hij is gestopt met zijn bedrijf, kreeg veel flashbacks en werd genoodzaakt professionele hulp te zoeken. Ook op de rest van het gezin heeft het voorval een grote invloed gehad. Hiermee is voldoende onderbouwd dat de benadeelde partij immateriële schade heeft opgelopen. Op grond van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij dan ook recht op een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding. Naast de hiervoor genoemde omstandigheden heeft het hof bij deze begroting ook gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend en op de zogeheten Rotterdamse schaal. Al met al acht het hof het gevorderde bedrag van € 850,00 billijk en zal de vordering tot dit bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 45, 57, 63, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13 en 55 van de Wet wapens en munitie.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 2.442,00 (tweeduizend vierhonderdtweeënveertig euro) bestaande uit € 1.592,00 (duizend vijfhonderdtweeënnegentig euro) materiële schade en € 850,00 (achthonderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.442,00 (tweeduizend vierhonderdtweeënveertig euro) bestaande uit € 1.592,00 (duizend vijfhonderdtweeënnegentig euro) materiële schade en € 850,00 (achthonderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 24 (vierentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op
23 februari 2024.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.T.C. de Vries, mr. M.L.M. van der Voet en mr. V.J.M. Goldschmeding, in tegenwoordigheid van mr. S.B. Zoet, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 21 april 2026.
mr. M.T.C. de Vries en mr. V.J.M. Goldschmeding zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.