Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
7 april 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.
Tenlasteleggingen
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
Zaak met parketnummer 13-173222-25 (zaak A):
hij op of omstreeks 4 juni 2025 te Amsterdam, althans in Nederland, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door
- die [slachtoffer] dreigend een mes, althans een scherp/puntig voorwerp, te tonen en/of voor te houden, en/of (vervolgens) met dat mes, althans dat scherpe/puntige voorwerp een of meer bewegingen te maken in de richting van die [slachtoffer] , en/of
- die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen "Hou je bek, ik ga je dood steken" en/of "ik steek je, ik steek je", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
Zaak met parketnummer 13-202864-25 (zaak B):
hij op of omstreeks 25 mei 2025 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [benadeelde partij] heeft mishandeld, door die [benadeelde partij] in/op/tegen het gezicht/hoofd/lichaam te slaan/stompen;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.
Bewijsoverweging (t.a.v. zaak A)
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat vaststaat dat de bedreiging is geuit, mede gelet op de verklaring van de verdachte. Volgens de advocaat-generaal kon bij de aangeefster gelet op de omstandigheden de redelijke vrees ontstaan dat de verdachte de bedreiging daadwerkelijk ten uitvoer zou leggen.
De verdediging heeft vrijspraak bepleit en heeft hiertoe – in tegenstelling tot de advocaat-generaal – aangevoerd dat geen sprake was van zodanige omstandigheden dat de aangeefster moest vrezen voor haar leven, omdat de verdachte de conflictsituatie heeft verlaten door de roltrap naar beneden te nemen en hij toen pas het mes, wat overigens een klein mesje betrof, heeft gepakt en aan de aangeefster heeft getoond. Ook heeft de verdachte geen stekende bewegingen gemaakt zoals de aangeefster heeft verklaard.
Oordeel van het hof
Het hof stelt voorop dat voor een veroordeling voor bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht of zware mishandeling is vereist dat door de bedreiging, gelet op de aard daarvan en de omstandigheden waaronder deze heeft plaatsgevonden, bij de betrokkene in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat deze het leven zou kunnen verliezen of zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen en dat het opzet van de verdachte daarop was gericht.
De verdachte is, nadat hij de aangeefster op het Amstelstation twee keer tevergeefs om geld heeft gevraagd, boos geworden en vervolgens de aangeefster en haar schoonmoeder gevolgd naar het perron. Op het perron is de verdachte de aangeefster gaan uitschelden. Hierna is hij met de roltrap naar beneden gegaan. Op de roltrap haalde hij een mes uit zijn zak waarmee hij op een afstand van ongeveer anderhalve meter richting de aangeefster wees, haar in de ogen keek en zei: “Hou je bek, ik ga je doodsteken” en “Ik steek je, ik steek je”.
Gelet op deze feiten en omstandigheden stelt het hof vast dat bij de aangeefster in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat zij het leven zou kunnen verliezen en dat het opzet van de verdachte daar ook op was gericht.
Het verweer wordt verworpen.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in zaak A en zaak B tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
Zaak A:
hij op 4 juni 2025 te Amsterdam, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door
- die [slachtoffer] dreigend een mes te tonen, en
- die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen "Hou je bek, ik ga je dood steken" en "ik steek je, ik steek je", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
Zaak B:
hij op 25 mei 2025 te Amsterdam, [benadeelde partij] heeft mishandeld, door die [benadeelde partij] tegen het gezicht te slaan.
Hetgeen in zaak A en zaak B meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in zaak A en zaak B bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het in zaak A bewezenverklaarde levert op:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.
Het in zaak B bewezenverklaarde levert op:
mishandeling.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het in zaak A en zaak B bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straffen
De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie weken met aftrek van voorarrest.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.
Oordeel van het hof
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon en draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging met een mes van een volstrekt willekeurig persoon op het Amstelstation. Door de bedreiging heeft de verdachte het slachtoffer angst aangejaagd.
Daarnaast heeft de verdachte zich – een paar dagen voor de bedreiging – schuldig gemaakt aan mishandeling, door een jonge vrouw met een vuist in het gezicht te slaan. Evenals de bedreiging is de mishandeling door de verdachte op het Amstelstation gepleegd jegens een volstrekt willekeurig persoon. De verdachte heeft door zijn handelen inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer, en bij haar pijn en letsel veroorzaakt. Ook heeft de verdachte gevoelens van angst veroorzaakt bij het slachtoffer. De verdachte heeft ervoor gezorgd dat het slachtoffer – die dagelijks langs het Amstelstation komt – continu geconfronteerd wordt met gevoelens van vrees en onveiligheid.
Blijkens het strafblad van de verdachte van 26 maart 2026 is hij eerder onherroepelijk veroordeeld voor soortgelijke feiten, hetgeen in zijn nadeel weegt.
Gelet op de ernst van de feiten en de recidive is het hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere dan een vrijheidsbenemende straf. Het hof acht een gevangenisstraf voor de duur van drie weken, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, passend en geboden.
Het in de zaak A tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan met behulp van het hierna te noemen in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerp. Het behoort de verdachte toe. Het zal daarom worden verbeurdverklaard.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] (zaak B)
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 400,00 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 250,00 aan immateriële schade. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Het hof heeft in hoger beroep te oordelen over de gevorderde schadevergoeding voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij dient te worden toegewezen.
De raadsman heeft zich ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Het hof overweegt als volgt.
De benadeelde partij heeft door het handelen van de verdachte lichamelijk letsel opgelopen, te weten een zwelling op haar wang. Gelet hierop heeft de benadeelde partij op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek recht op vergoeding van immateriële schade. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, zal het hof de vordering tot immateriële schadevergoeding toewijzen tot een bedrag van € 250,00.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 36f, 57, 63, 285 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder parketnummer 13-173222-25 (zaak A) en het onder parketnummer 13-202864-25 (zaak B) tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het in zaak A en zaak B bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) weken.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verklaart verbeurd het ten aanzien van zaak A in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
- 1 STK Mes (BZAM1727).
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] (zaak B)
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het in zaak B bewezenverklaarde tot het bedrag van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het in zaak B bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 2 (twee) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.C. Bijlsma, mr. M.L.M. van der Voet en mr. M.T.C. de Vries, in tegenwoordigheid van mr. S.B. Zoet, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
21 april 2026.
mr. M.T.C. de Vries is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.