GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
team I (handel)
zaaknummer : 200.350.925/01
zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : C/15/351442/ HA ZA 24-209
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 21 april 2026
in de zaak van
[appellant] ,
gevestigd te [plaats 2] , België,
appellante,
advocaat: mr. D.E. Thiescheffer te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonend in [plaats 1] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. P.J.A. van de Laar te Eindhoven.
Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.
1. De zaak in het kort
[geïntimeerde] heeft een ongeval veroorzaakt als bestuurder van een huurauto. De huurauto is WAM-verzekerd bij [appellant] . [appellant] heeft de schade van het slachtoffer vergoed. [appellant] stelt zich op het standpunt dat het gedrag van [geïntimeerde] dat leidde tot het ongeval als roekeloos in de zin van de polisvoorwaarden en artikel 7:952 BW heeft te gelden. Volgens [appellant] kan zij op grond van artikel 15 lid 1 WAM de schadevergoeding die zij aan het slachtoffer heeft betaald, verhalen op [geïntimeerde] . De rechtbank heeft de daarop gerichte vorderingen van [appellant] afgewezen. Centraal staat de vraag hoe het criterium ‘roekeloosheid’ in de zin van artikel 7:952 BW moet worden ingevuld. Het hof komt tot de conclusie dat de schade niet is veroorzaakt door roekeloosheid van [geïntimeerde] en bekrachtigt het bestreden vonnis.
2. Het geding in hoger beroep
[appellant] is bij dagvaarding van 15 januari 2025 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 16 oktober 2024 van de rechtbank Noord-Holland (zittingsplaats Alkmaar), onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellant] als oorspronkelijk eiseres, gedaagde in het verzet en [geïntimeerde] als oorspronkelijk gedaagde, eiser in het verzet.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, met één productie;
- memorie van antwoord.
Op 12 januari 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht. De advocaat van [appellant] heeft dat gedaan aan de hand van spreekaantekeningen die zijn overgelegd.
Ten slotte is arrest gevraagd.
3. Feiten
Het hof gaat uit van de volgende feiten.
Op 10 september 2019 omstreeks 02.18 uur heeft bij de kruising Stadhouderskade en Leidseplein te Amsterdam een verkeersongeval plaatsgevonden tussen een fietser en een personenauto die werd bestuurd door [geïntimeerde] . De fietser heeft daarbij ernstig letsel opgelopen.
De auto waarin [geïntimeerde] reed, had hij kort voor het ongeval gehuurd van de eigenaar, [bedrijf 1] . De auto was door [bedrijf 1] in het kader van de Wet Aansprakelijkheid Motorrijtuigen (hierna: WAM) verzekerd bij [appellant] . De PM 16 polisvoorwaarden (de Algemene Voorwaarden bij de [appellant] Auto- en Motorverzekering, hierna: de polisvoorwaarden) maken onderdeel uit van de tussen [bedrijf 1] en [appellant] gesloten verzekeringsovereenkomst.
In opdracht van [appellant] heeft [bedrijf 2] een toedrachtonderzoek uitgevoerd. Daarnaast heeft de politie Amsterdam uitgebreid onderzoek gedaan naar (de toedracht van) het ongeval. Vastgesteld is dat [geïntimeerde] aan het accelereren was toen hij het kruispunt naderde. Hij reed door rood licht en heeft pas geremd toen hij de fietser raakte. Bij het ongeval reed [geïntimeerde] met een snelheid van tussen de 61 en 68 kilometer per uur, terwijl maximaal 50 kilometer per uur was toegestaan.
[geïntimeerde] is strafrechtelijk vervolgd en veroordeeld wegens overtreding van art. 6 Wegenverkeerswet 1994. De rechtbank heeft geoordeeld dat het aan de schuld van [geïntimeerde] is te wijten dat het ongeval heeft plaatsgevonden. De rechtbank kwalificeert het verkeersgedrag van [geïntimeerde] als zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam (Rb. Amsterdam, 23 juni 2021 ECLI:NL:RBAMS:2021:3176).
In artikel 7 van de polisvoorwaarden is bepaald dat [appellant] schade die met opzet is veroorzaakt of het gevolg is van roekeloosheid niet betaalt. Het artikel luidt als volgt:
Wanneer betalen we niet?
In de voorwaarden bij uw verzekering staat wanneer we wel en niet betalen. Daarnaast betalen we nooit in de volgende situaties:
(…)
Schade door opzet of door roekeloosheid
We betalen niet als u de schade met opzet heeft veroorzaakt of roekeloos bent geweest.
De fietser heeft een schademelding gedaan bij [appellant] . [appellant] heeft als verzekeraar op grond van de WAM de afwikkeling van de (letsel)schade ter hand genomen en diverse (deel)betalingen aan de fietser verricht.
[appellant] heeft [geïntimeerde] bericht dat zij van mening is dat [geïntimeerde] roekeloos heeft gereden en dat [geïntimeerde] de schade die het gevolg is van het ongeval en door [appellant] is en zal worden vergoed, aan [appellant] moet terugbetalen. [geïntimeerde] heeft dit van de hand gewezen.
4. Procedure bij de rechtbank
Bij de rechtbank heeft [appellant] samengevat gevorderd:
een verklaring voor recht dat [geïntimeerde] bij het veroorzaken van het ongeval roekeloos heeft gehandeld en gehouden is alle schadevergoeding die [appellant] als gevolg van het ongeval dient te betalen, aan [appellant] dient te vergoeden;
veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling aan [appellant] van € 85.822,34 met rente;
veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding.
Bij vonnis van 5 januari 2022 zijn bij verstek alle vorderingen van [appellant] toegewezen.
[geïntimeerde] is tegen dat vonnis in verzet gekomen. In de verzetprocedure heeft de rechtbank in het bestreden vonnis geoordeeld dat [appellant] geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die kunnen leiden tot het oordeel dat [geïntimeerde] roekeloos heeft gehandeld in de zin van de polisvoorwaarden en/of artikel 7:952 BW, zodat het beroep van [appellant] op de uitsluitingsclausule vanwege opzet of roekeloosheid faalt. De rechtbank heeft het verstekvonnis vernietigd, alle vorderingen van [appellant] afgewezen en [appellant] in de proceskosten veroordeeld.
5. Vordering in hoger beroep
[appellant] vordert vernietiging van het bestreden vonnis en alsnog – uitvoerbaar bij voorraad – haar vorderingen toe te wijzen met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties met nakosten en rente.
[geïntimeerde] verzoekt het hof het bestreden vonnis te bekrachtigen, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [appellant] in de proceskosten.
6. Beoordeling
[appellant] heeft in hoger beroep vijf grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd. Deze grieven stellen gezamenlijk aan de orde dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor een beroep op de ‘tenzij-bepaling’ van artikel 15 lid 1 WAM en lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
[appellant] voert in hoger beroep kort gezegd het volgende aan. Het ongeval is veroorzaakt door roekeloos rijgedrag van [geïntimeerde] . In de polisvoorwaarden is schade die veroorzaakt is door roekeloosheid van dekking uitgesloten. [appellant] kan de door haar onder de WAM aan de fietser vergoede schade op [geïntimeerde] verhalen op grond van art. 15 lid 1 WAM omdat is voldaan aan de voorwaarden van de zogeheten ‘tenzij-bepaling’. [geïntimeerde] mocht niet te goeder trouw aannemen dat aansprakelijkheid voor schade die het gevolg is van roekeloos handelen door een verzekering zou worden gedekt. Voor de uitleg van het begrip roekeloosheid moet aansluiting worden gezocht bij artikel 7:952 BW en de daaraan in de jurisprudentie gegeven invulling, te weten een in laakbaarheid aan opzet grenzende schuld.
Het hof overweegt als volgt. Artikel 15 lid 1 WAM bepaalt het volgende:
De verzekeraar die ingevolge deze wet de schade van een benadeelde geheel of ten dele vergoedt, ofschoon de aansprakelijkheid voor die schade niet door een met hem gesloten verzekering was gedekt, heeft voor het bedrag der schadevergoeding verhaal op de aansprakelijke persoon. Het bepaalde in de vorige zin geldt niet ten aanzien van de aansprakelijke persoon, die niet is de verzekeringnemer, tenzij hij niet te goeder trouw mocht aannemen dat zijn aansprakelijkheid door een verzekering was gedekt.
Artikel 7 van de polisvoorwaarden bepaalt onder meer dat schade die het gevolg is van roekeloosheid van dekking is uitgesloten. Omdat [geïntimeerde] niet de verzekeringnemer onder de polis is, geldt dat [appellant] alleen de schade op [geïntimeerde] kan verhalen als deze niet te goeder trouw mocht aannemen dat zijn aansprakelijkheid door een verzekering was gedekt (de zogeheten tenzij-bepaling). Dit is het geval indien [geïntimeerde] wist dat zijn aansprakelijkheid niet door een verzekering werd gedekt of als hij dat in de gegeven omstandigheden behoorde te weten (HR 8 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1164). Hiervoor is in deze zaak allereerst bepalend of de schade is ontstaan door roekeloosheid van [geïntimeerde] . Het is aan [appellant] de feiten en omstandigheden te stellen en (bij voldoende gemotiveerde betwisting) te bewijzen die aan het beroep op de tenzij-bepaling ten grondslag worden gelegd.
Het hof is met partijen van oordeel dat voor de uitleg van het begrip roekeloosheid van artikel 7 van de polisvoorwaarden aangesloten dient te worden bij dat begrip in art. 7:952 BW en de daaraan in de jurisprudentie gegeven invulling. Dit artikel bepaalt dat de verzekeraar geen schade aan de verzekerde vergoedt die de schade met opzet of door roekeloosheid heeft veroorzaakt.
Onder roekeloosheid in de zin van art. 7:952 BW wordt een in laakbaarheid aan opzet grenzende vorm van schuld verstaan, ook wel aangeduid als grove schuld (HR 12 maart 1954, ECLI:NL:HR:1954:9, MvA, Kamerstukken I 2004/05, 19 529, B, p. 19). Daarvan is ook sprake in geval van zogeheten onbewuste roekeloosheid. Onder onbewuste roekeloosheid wordt de situatie verstaan waarin de dader zich niet bewust is van de aanmerkelijke kans op schade die zijn handeling kan meebrengen, maar hij zich daarvan wel bewust had behoren te zijn (MvA, Kamerstukken I 2004/05, 19 529, E, p. 13). De invulling van het begrip roekeloosheid wordt ingekleurd door het rechtsgebied waar het wordt gehanteerd. In dit geval gaat het om aansprakelijkheid onder de WAM. De WAM is erop gericht om aansprakelijkheid te dekken waartoe een motorrijtuig in het verkeer aanleiding kan geven. Dat is veelal aan de orde in het geval een bestuurder van een motorrijtuig een (verkeers)fout heeft gemaakt. Verzekerden onder de WAM mogen er daarom in beginsel van uitgaan dat aansprakelijkheid voor verkeersfouten is gedekt onder de (verplichte) WAM-verzekering. Hoewel verwijtbaar handelen in strijd met verkeersregels in het algemeen de kans op schade in het leven roept of vergroot, kan dergelijk gedrag niet zonder meer als roekeloos worden aangemerkt.
Voor de beoordeling van de vraag of [geïntimeerde] roekeloosheid kan worden verweten, zijn alle omstandigheden van het geval van belang. [appellant] heeft in het bijzonder gewezen op de volgende omstandigheden waaruit volgens haar blijkt dat het ongeval het gevolg is van roekeloosheid van [geïntimeerde] :
- [geïntimeerde] reed in het donker met een gemiddelde snelheid van 61 tot 68 km/u op een van de drukste en gevaarlijkste verkeerslocaties van Amsterdam, gelegen in een uitgaansgebied, waar een maximumsnelheid van 50 km/u geldt en waarvan bekend is dat in het gebied ook na middernacht nog voetgangers en fietsers aanwezig zijn die mogelijk onder invloed van alcohol verkeren.
- In plaats van af te remmen, nam zijn snelheid in de laatste 35 meter vóór de kruising toe tot tussen de 66 en 78 km/u;
- [geïntimeerde] negeerde de aan beide zijden van de weg rood uitstralende verkeerslichten, terwijl deze op dat moment al meer dan 32 seconden op rood stonden;
- De Stadhouderskade is vanaf de Overtoom een recht stuk rijbaan in de richting van de stoplichten en [geïntimeerde] heeft ongeveer vijf tot zes seconden ongehinderd en goed zicht gehad op de verkeerslichten;
- [geïntimeerde] passeerde een voertuig op de linkerrijstrook dat wél voor rood licht stilstond;
- [geïntimeerde] remde niet af voor een fietser die op dat moment door groen licht de kruising overstak;
- [geïntimeerde] was als regelmatig bezoeker van het nabijgelegen Holland Casino bekend met de omgeving;
- De betreffende kruising richting het Leidseplein is een kruising waarop fietsers, voetgangers en vaak onoplettende toeristen de Stadhouderskade kruisen;
- De betreffende kruising is gelegen in een uitgaansgebied waar het doorgaans ook in de nacht druk is.
Volgens [appellant] kwalificeert dit handelen als roekeloos omdat [geïntimeerde] met zijn rijgedrag bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij in aanrijding zou komen met een kruisende verkeersdeelnemer. Daarmee is [geïntimeerde] rijgedrag ten minste naar objectieve maatstaven als roekeloos aan te merken. Hierbij komt ook betekenis toe aan het strafvonnis waarin bewezen is verklaard dat [geïntimeerde] zich schuldig heeft gemaakt aan zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam verkeersgedrag waardoor een aan zijn schuld te wijten ongeval heeft plaatsgevonden. [appellant] voegt daaraan nog toe dat zij zich gesterkt voelt in haar overtuiging dat [geïntimeerde] handelswijze als roekeloos kan worden aangemerkt, omdat haar uit medische informatie duidelijk is geworden dat [geïntimeerde] sinds zijn jeugd al een bril nodig heeft maar desondanks zonder bril aan het verkeer deelnam. [appellant] betoogt verder dat indien zou worden geoordeeld dat [geïntimeerde] niet bewust door rood is gereden, evengoed geldt dat hij roekeloos geweest. Een dergelijke grove onachtzaamheid valt [geïntimeerde] evenzeer te verwijten als wanneer hij bewust door het rode licht zou zijn gereden, aldus [appellant] .
Het hof overweegt als volgt. Om aan te nemen dat het verkeersgedrag van [geïntimeerde] roekeloos is geweest, is vereist dat [geïntimeerde] zich, in elk geval in zekere mate, bewust was van zijn handelen. Of [geïntimeerde] zich bewust was van de aanmerkelijke kans op schade mag in dat geval naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Voldoende daarvoor is dat [geïntimeerde] zich van de aanmerkelijke kans op schade bewust had behoren te zijn.
[geïntimeerde] betwist dat hij goed bekend was met de plaats van het ongeval en dat de verkeerssituatie in de (doordeweekse) nacht waarin het ongeval plaatsvond druk was. Naar het oordeel van het hof kan dit evenwel in het midden blijven nu de overige door [appellant] aangevoerde omstandigheden door [geïntimeerde] niet voldoende gemotiveerd zijn betwist. Uit die omstandigheden valt af te leiden dat [geïntimeerde] ernstige verkeersfouten heeft gemaakt, die hem ook kunnen worden verweten. Deze fouten maken echter niet dat [geïntimeerde] in de hiervoor bedoelde zin roekeloos heeft gehandeld. [geïntimeerde] betwist dat hij zich bewust was van de gedragingen die hebben geleid tot het ongeval. Hij heeft verklaard dat hij ten tijde van het ongeval mentaal afwezig was en dat hij de kruising met de rode verkeerslichten niet heeft opgemerkt. Uit zijn verklaringen ter zitting, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, volgt dat hij langs een gebouw reed met een bord ‘Booking.com’. Hij herinnert zich dat hij dacht: Oh zit dat hier ook? Kennelijk is [geïntimeerde] daarna afgeleid geraakt, want het volgende moment dat hij zich bewust herinnert is het moment van de klap. Deze verklaring komt het hof niet onaannemelijk voor. [appellant] heeft geen feiten en omstandigheden aangedragen die erop wijzen dat [geïntimeerde] zich wel bewust was van zijn handelen toen hij het kruispunt naderde. De omstandigheid dat [geïntimeerde] bij het naderen van het kruispunt accelereerde geeft eerder steun aan de verklaring van [geïntimeerde] dat hij tijdelijk mentaal afwezig was. Voor iemand die zich bewust is van zijn handelen is het onlogisch om bij het naderen van een kruispunt te versnellen in plaats van te remmen of eenzelfde snelheid aan te houden. Hoezeer het [geïntimeerde] ook kan worden verweten dat hij niet de vereiste oplettendheid heeft betracht tijdens het rijden, is dat niet voldoende voor roekeloosheid in de zin van artikel 7:952 BW. De – door [geïntimeerde] betwiste – omstandigheid dat uit zijn medische informatie volgt dat hij sinds zijn jeugd een bril nodig heeft, leidt niet tot een ander oordeel. [geïntimeerde] heeft toegelicht dat hij sinds zijn jeugd een pterygium heeft, waaraan hij in 2018 is geopereerd. Hij heeft nooit een bril gedragen. Na de operatie is hem in december 2019 geadviseerd om een bril te gaan dragen met een sterkte van +2 en -0,75. Uit die medische informatie volgt niet dat bij [geïntimeerde] een dusdanige oogafwijking is vastgesteld, dat het rijden zonder bril ten tijde van het ongeval als roekeloos kan worden aangemerkt. Ook de omstandigheid dat [geïntimeerde] voor zijn rijgedrag strafrechtelijk is veroordeeld leidt niet tot een ander oordeel. Het strafvonnis gaat ervan uit dat [geïntimeerde] zich schuldig heeft gemaakt aan (ernstig) verwijtbaar verkeersgedrag. Het strafvonnis bevat echter geen aanknopingspunten voor het oordeel dat [geïntimeerde] zich bewust was van zijn handelen.
[appellant] heeft op verschillende plaatsen in de memorie van grieven gesteld dat [geïntimeerde] het ongeval opzettelijk heeft veroorzaakt, zonder dit feitelijk te onderbouwen. De conclusie van het hof dat [geïntimeerde] niet bewust heeft gehandeld, brengt met zich dat [geïntimeerde] ook geen verwijt van opzet treft.
Het hof komt tot de conclusie dat het handelen van [geïntimeerde] dat heeft geleid tot het ongeval niet als opzettelijk of als roekeloos kan worden aangemerkt. Er is daarom geen grond op basis waarvan [geïntimeerde] niet te goeder trouw mocht aannemen dat zijn aansprakelijkheid niet door de verzekering was gedekt. Het beroep van [appellant] op art. 15 lid 1 WAM faalt.
Het hoger beroep heeft geen succes. Dit leidt tot de slotsom dat het bestreden vonnis wordt bekrachtigd. Het hof ziet geen aanleiding om [appellant] toe te laten tot bewijslevering, omdat zij geen bewijs heeft aangeboden van voldoende concrete stellingen die, indien bewezen, tot een andere uitkomst kunnen leiden. [appellant] is in het hoger beroep in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep. Het hof stelt de proceskosten in hoger beroep als volgt vast:
- griffierecht € 362
- salaris advocaat € 4.704 (tarief IV, 2 punten)
Totaal € 5.066
7. Beslissing
Het hof:
bekrachtigt het bestreden vonnis;
veroordeelt [appellant] in de proceskosten in hoger beroep, tot nu vastgesteld op € 5.066;
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. J. van der Kraan, J.F. Aalders en K.A.J. Bisschop en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026.