GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
zaaknummer : 200.343.842/01
zaaknummers rechtbank : C/13/741610 HA RK 23-343 en C/13/744848 / HA RK 24-6
beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 12 mei 2026
inzake
[appellant] ,
wonende te [plaats 1] ,
appellant,
advocaat: mr. J.F.R. Eisenberger te Heemskerk,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [plaats 2] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. R.A. van den Heuvel te Rijswijk.
Partijen worden hierna wederom [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.
1. De zaak in het kort
Het hof is van oordeel dat [appellant] in hoger beroep alsnog aan een op hem rustende verzwaarde motiveringsplicht van zijn betwisting dat hij op de beslagdatum aandeelhouder van [bedrijf] was, heeft voldaan. Het hof vernietigt de bestreden beschikking, wijst het verzoek van [geïntimeerde] om de door haar inbeslaggenomen aandelen van [bedrijf] te mogen verkopen en overdragen, alsnog af en heft het beslag op de aandelen alsnog op.
2. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
In deze zaak heeft het hof op 25 november 2025 een tweede tussenbeschikking (hierna: de tweede tussenbeschikking) gegeven. Voor het verloop van het geding tot die datum wordt naar de tweede tussenbeschikking verwezen.
[appellant] heeft ter uitvoering van de tweede tussenbeschikking op 6 januari 2026 een akte uitlating met nadere producties genomen en [geïntimeerde] heeft daarna een antwoordakte genomen.
Vervolgens is wederom een datum voor het geven van een beschikking bepaald.
3. De verdere beoordeling
Het hof verwijst naar de tweede tussenbeschikking en blijft bij de inhoud daarvan.
In de tweede tussenbeschikking is aan [appellant] gelegenheid geboden om een aantal onder 3.3. sub a) tot en met e) van de tweede tussenbeschikking genoemde bescheiden over te leggen, waaruit het eigendom van de aandelen van [bedrijf] op het moment van beslaglegging (19 december 2023) volgt.
[appellant] heeft ter uitvoering van de tweede tussenbeschikking een drietal nadere producties overgelegd. Als productie 12 bij zijn akte van 6 januari 2026 heeft [appellant] overgelegd een kopie van het aandeelhoudersregister van [bedrijf] , met een begeleidende verklaring van [naam 1] , notaris in de gemeente [plaats 3] , inhoudende dat het stuk volgens informatie van het bestuur van [bedrijf] een eensluidend afschrift is van het (naar het hof begrijpt: origineel van het) door het bestuur van de vennootschap bijgehouden en bijgewerkte aandeelhoudersregister. Producties 13A en 13B betreffen (kopieën van) notulen van jaarvergaderingen van 15 februari 2024 en 19 februari 2025 betreffende [bedrijf] . Productie 14 is een kopie van de jaarrekening van [bedrijf] over 2023. [appellant] concludeert in zijn akte dat hij hiermee voldoende heeft ontzenuwd dat hij ooit aandeelhouder is geweest van [bedrijf] .
[geïntimeerde] heeft in haar antwoordakte aangevoerd dat [appellant] er niet in is geslaagd om met de door hem overgelegde producties aan te tonen dat hij geen aandeelhouder was van [bedrijf] op het moment van beslaglegging. De verklaring van de notaris is immers opgesteld op basis van de informatie van het bestuur van [bedrijf] , zijnde [appellant] zelf. Op basis van de jaarrekening kunnen volgens [geïntimeerde] weinig conclusies worden getrokken, omdat daarin niet staat wie ten tijde van de beslaglegging aandeelhouder was. Dit blijkt evenmin uit de notulen van de jaarvergaderingen, die bovendien beide dateren van na de datum van beslaglegging.
Het hof is van oordeel dat [appellant] alsnog heeft voldaan aan zijn verzwaarde motiveringsplicht en overweegt daartoe als volgt. De als producties 13A en 13B bij zijn akte overgelegde notulen die zijn ondertekend door [appellant] als bestuurder en [naam 2] als secretaris, zijn bescheiden als bedoeld onder 3.3 sub c) van de tweede tussenbeschikking. In de notulen staat dat [appellant] in zijn hoedanigheid van directeur (en niet ook in die van aandeelhouder) aanwezig was en dat [naam 4] aanwezig was namens grootaandeelhouder [naam 3] Het gegeven dat [appellant] in de notulen van 15 februari 2024 als directeur en niet (ook) als aandeelhouder wordt aangeduid, onderbouwt de betwisting van [appellant] dat hij ten tijde van de beslaglegging aandeelhouder van [bedrijf] was. Daaraan doet niet af dat de notulen dateren van na de datum van de beslaglegging, zoals [geïntimeerde] heeft aangevoerd. Uit de notulen uit 2024 en 2025 maakt het hof op dat er jaarlijks aan het begin van het kalenderjaar ter vaststelling van de jaarrekening wordt vergaderd, zodat de aandeelhouders de directie decharge kunnen verlenen voor het in het voorgaande jaar gevoerde beleid. Tegen deze achtergrond valt te begrijpen dat de jaarvergadering over het in 2023 gevoerde beleid eerst heeft plaatsgevonden in februari 2024.
De jaarrekening over 2023 - waarmee [appellant] uitvoering heeft gegeven aan hetgeen onder 3.3 sub (d) van de tweede tussenbeschikking is opgenomen - is (zoals [geïntimeerde] opmerkt) weliswaar van beperkte omvang, maar ondersteunt de verklaring van [appellant] dat bij [bedrijf] sprake was van een negatief vermogen en dat daarom geen dividend is uitgekeerd. Dit verklaart tevens het ontbreken van de onder 3.3. sub (b) en (e) van de tweede tussenbeschikking genoemde bescheiden waaruit de identiteit van de aandeelhouder(s) zou zijn af te leiden. Het hof gaat voorbij aan de stelling van [geïntimeerde] dat [appellant] (ook) de jaarrekeningen van 2024 en 2025 in het geding had moeten brengen. Het overleggen van die jaarrekeningen maakt geen deel uit van de opdracht aan [appellant] tot het overleggen van de onder 3.3 van de tweede tussenbeschikking genoemde bescheiden en bovendien valt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet in te zien wat de relevantie van de jaarrekeningen van 2024 en 2025 zou zijn voor de vraag of [appellant] op 19 december 2023 aandeelhouder was.
De door [appellant] overgelegde kopie van het aandeelhoudersregister is weliswaar niet gewaarmerkt door de notaris, maar uit de daarbij gevoegde verklaring van de notaris leidt het hof af dat [appellant] de notaris zodanige informatie heeft verschaft dat laatstgenoemde op basis daarvan heeft verklaard dat de kopie een eensluidend afschrift betreft van het door het bestuur bijgewerkte aandeelhoudersregister. Nu niet is gebleken van feiten en omstandigheden op grond waarvan aan dat laatste moet worden getwijfeld, heeft [appellant] met het overleggen van de kopie van het aandeelhoudersregister en de begeleidende verklaring van de notaris in voldoende mate voldaan aan hetgeen onder 3.3 sub (a) van de tweede tussenbeschikking aan hem is opgedragen.
Resumerend overweegt het hof dat [appellant] met het overleggen van de hiervoor genoemde bescheiden zijn betwisting dat hij op de datum beslaglegging aandeelhouder van [bedrijf] was, voldoende heeft onderbouwd. Hij heeft immers alle redelijkerwijs van hem te verwachten gegevens die binnen zijn domein liggen overgelegd. Daarmee heeft [appellant] gemotiveerd bestreden dat hij op de datum van beslaglegging aandeelhouder was.
Het voorgaande betekent dat het hoger beroep van [appellant] slaagt. Het hof zal de bestreden beschikking vernietigen, het verzoek van [geïntimeerde] om de aandelen in [bedrijf] te mogen verkopen en overdragen alsnog afwijzen en het gelegde beslag op de aandelen in kwestie alsnog opheffen. Omdat [geïntimeerde] in het ongelijk is gesteld, zal zij worden veroordeeld in de kosten van de procedure in hoger beroep, zoals in het dictum vastgesteld. Omdat [appellant] zijn betwisting pas in het hoger beroep afdoende heeft onderbouwd, ziet het hof geen aanleiding om [geïntimeerde] te veroordelen in de proceskosten in eerste aanleg. Het daartoe strekkende verzoek van [appellant] wordt afgewezen.
4. Beslissing
Het hof:
vernietigt de bestreden beschikking en doet opnieuw recht:
wijst het verzoek van [geïntimeerde] om te bepalen dat tot verkoop en overdracht van de bij exploot van 19 december 2023 in beslag genomen aandelen in [bedrijf] kan worden overgegaan en op welke wijze en onder welke voorwaarden deze verkoop zal dienen plaats te vinden, af;
heft op het bij exploot van 19 december 2023 gelegde beslag van [geïntimeerde] op de aandelen in [bedrijf] ;
veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in hoger beroep aan de zijde van [appellant] , tot op heden vastgesteld op € 349,00 aan verschotten en € 3.870,00 voor salaris;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.L.D. Akkaya, mr. A.S. Arnold en mr. R.L. de Graaff en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026.