ECLI:NL:GHAMS:2026:1061

ECLI:NL:GHAMS:2026:1061

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 09-04-2026
Datum publicatie 24-04-2026
Zaaknummer 200.361.273
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

kopje volgt

Uitspraak

GeRechtshof Amsterdam

zaaknummer : 200.361.273/02

zaaknummer hoofdzaak : 200.361.273/01

Beslissing van de wrakingskamer van 9 april 2026

op het wrakingsverzoek ingediend door

[verzoekster] ,

gevestigd te [plaats] ,

bijgestaan door mr. T.G.L.M. Meevis te Eindhoven,

hierna: verzoekster.

1. De procedure

De hoofdzaak betreft het hoger beroep van verzoekster tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam van 24 oktober 2025, waarbij – samengevat – de vorderingen van verzoekster tot betaling door de heer [naam] zijn afgewezen en zij in reconventie is veroordeeld tot medewerking aan de teruglevering van aandelen (aan haarzelf) in de vennootschap [bedrijf] (hierna: [bedrijf] ) en tot betaling aan de heer [naam] .

De appeldagvaarding bevat een incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis. Bij arrest in het incident van 24 februari 2026 is deze incidentele vordering afgewezen. Dit tussenarrest is gewezen door mrs. L. Alwin, J.W.M. Tromp en M.C. Bosch (hierna: de raadsheren).

Verzoekster heeft bij op 27 februari 2026 ingekomen schriftelijk stuk de wraking verzocht van de raadsheren.

De raadsheren hebben op 9 maart 2026 schriftelijk gereageerd op het verzoek tot wraking.

Het wrakingsverzoek is op 31 maart 2026 door de wrakingskamer in het openbaar behandeld. Op de zitting was mr. Meevis, voornoemd, aanwezig. Hij heeft namens verzoekster het woord gevoerd. De raadsheren zijn niet verschenen.

2. Het wrakingsverzoek en de standpunten daarover

De gronden van het wrakingsverzoek blijken uit het schriftelijke verzoek. De advocaat van verzoekster heeft het verzoek op de zitting van de wrakingskamer verder toegelicht. Samengevat stelt verzoekster dat er twee gronden zijn voor wraking:

1. De raadsheren hebben ten onrechte niet voor het wijzen van het tussenarrest hun namen bekend gemaakt bij de procespartijen. De namen van de raadsheren zijn verzoekster pas bekend geworden na ontvangst van het tussenarrest. Daarmee is verzoekster de mogelijkheid ontnomen om vooraf om haar moverende redenen twee leden, mrs. Alwin en Tromp, te wraken. Door het ontnemen van dit rechtsmiddel hebben de gewraakte rechters een fundamenteel rechtsbeginsel veronachtzaamd; van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de incidentele vordering kon geen sprake zijn. Het wrakingsverzoek ziet niet op de inhoud van het gewezen tussenarrest van 24 februari 2026.

2. Mr. Alwin is vaker betrokken geweest bij procedures waarbij de heer Aachboun, bestuurder van cliënte, partij was, namelijk bij het arrest van 13 februari 2024 met zaaknummer 200.309.878/01. Ook is mr. Alwin op 6 december 2021 gewraakt door de vennootschap [bedrijf] die in de hoofdzaak onderwerp van discussie is. Mr. Tromp is kroonlid van het Hof van Discipline. De heer Aachboun heeft eerder het gehele Hof van Discipline gewraakt in een andere zaak. Daardoor zou mr. Tromp zich in deze procedure kunnen laten leiden. Op basis van het vorenstaande kan niet worden uitgesloten dat mr. Bosch door mrs. Alwin en Tromp inmiddels is ‘besmet’ in zijn oordeel over onderhavige procedure.

De raadsheren hebben in hun schriftelijke reactie meegedeeld dat zij niet in het verzoek tot wraking berusten en geen grond zien voor wraking van één van hen. Samengevat voeren de raadsheren het volgende aan naar aanleiding van de wrakingsgronden:

1. Dat hun namen niet voorafgaand aan het arrest in het incident zijn medegedeeld, maakt nog niet aannemelijk dat er vooringenomenheid van één van hen zou zijn, of vrees daarvoor die objectief gerechtvaardigd is. Het is overigens ook niet verplicht om voorafgaand aan de uitspraak namen bekend te maken als geen mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden.

2. Mr. Alwin wijst erop dat zij het in het verzoek genoemde arrest van 13 februari 2024 (ECLI:NL:GHAMS:2024:371) niet heeft meegewezen en ook niet op 6 december 2021 is gewraakt door de vennootschap [bedrijf] . Mr. Tromp betwist dat een eerdere wraking van het gehele Hof van Discipline, waarvan hij kroonlid is, kan leiden tot vrees voor vooringenomenheid die objectief gerechtvaardigd is. Mr. Bosch voert aan dat uit niets blijkt dat de vrees voor vooringenomenheid jegens hem objectief gerechtvaardigd is.

3. De beoordeling

Juridisch kader

Artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) houdt in dat op verzoek van een partij, elk van de rechters die een zaak behandelen kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Deze bepaling is ook van toepassing op de raadsheren die het hoger beroep behandelen.

Een rechter kan alleen gewraakt worden als hij tegenover een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Uitgangspunt is dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van uitzonderlijke omstandigheden. Het moet dan gaan om omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van partijdigheid of van de objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid.

Beoordeling in deze zaak

Mr. Meevis heeft tijdens de wrakingszitting desgevraagd bevestigd dat het wrakingsverzoek erop is gericht dat de raadsheren die het arrest in het incident hebben gewezen, geen verdere bemoeienis met de zaak zullen hebben en dat de eerste wrakingsgrond in samenhang moet worden bezien met de tweede wrakingsgrond. Het hof begrijpt dat verzoekster niet betoogt dat het enkele niet bekend maken van de namen van de raadsheren voorafgaand aan het wijzen van het arrest in het incident, op zichzelf de objectieve vrees voor vooringenomenheid rechtvaardigt, maar dat dit moet worden beoordeeld in samenhang met de omstandigheden die hebben geleid tot de tweede wrakingsgrond. De in dat verband gestelde omstandigheden zullen daarom eerst worden behandeld.

Wrakingsgrond II

Zoals mr. Alwin terecht heeft aangevoerd, was zij niet betrokken bij het arrest van 13 februari 2024 (ECLI:NL:GHAMS:2024:371) waarnaar verzoekster verwijst. Zij is niet één van de raadsheren die dat arrest hebben gewezen. Ook is niet gebleken van een op 6 december 2021 door de vennootschap [bedrijf] tegen mr. Alwin gericht wrakingsverzoek. Verzoekster heeft geen andere zaken genoemd waarbij zowel verzoekster, dan wel haar bestuurders, en mr. Alwin betrokken zijn geweest. Daarmee mist deze wrakingsgrond feitelijke grondslag en faalt deze reeds om die reden. Ook overigens geldt dat de enkele omstandigheid dat een rechter betrokken is geweest bij een eerdere procedure, waarin een verzoeker partij is, onvoldoende grond voor wraking oplevert.

Ten aanzien van mr. Tromp overweegt de wrakingskamer dat het enkele feit dat mr. Tromp kroonlid van het Hof van Discipline is en (de bestuurder van) verzoekster eerder een wrakingsverzoek heeft ingediend tegen alle (kroon)leden van het Hof van Discipline, geen objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid oplevert. Verzoekster heeft niet uitgelegd waarom de eerdere wraking van (kroon)leden van het Hof van Discipline, de objectiviteit en onpartijdigheid van mr. Tromp in deze zaak zou kunnen beïnvloeden. In dat kader heeft te gelden dat het namens verzoekster bepleite uitgangspunt dat het indienen van een wrakingsverzoek tegen een rechter (nog los van de vraag of dat verzoek gegrond wordt verklaard) reeds leidt tot de objectieve vrees voor vooringenomenheid van die rechter, in zijn algemeenheid niet als juist kan worden aanvaard. Om dezelfde reden ziet mr. Sturhoofd ook geen aanleiding om zich te verschonen, zoals tijdens de wrakingszitting aanvullend door mr. Meevis is verzocht.

Omdat de wrakingsverzoeken ten aanzien van mrs. Alwin en Tromp niet slagen, bestaat geen aanleiding voor een afgeleide objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid of partijdigheid van mr. Bosch. Rechters worden vermoed onpartijdig te zijn. Ten aanzien van geen van de raadsheren zijn omstandigheden aangevoerd die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van partijdigheid of vooringenomenheid.

Wrakingsgrond I

Gelet op wat hiervoor is overwogen, kan ook de eerste wrakingsgrond niet slagen. Ten overvloede wordt overwogen dat het niet aan de wrakingskamer is om te oordelen over de juistheid van procedurele beslissingen. Voor zover al gezegd kan worden dat de raadsheren met het niet mededelen van hun namen voorafgaand aan het wijzen van het arrest in incident een procedurele fout hebben gemaakt, geldt dat niet een wrakingsverzoek maar cassatie het geëigende middel is om daartegen op te komen.

4. De beslissing

De wrakingskamer wijst het verzoek tot wraking af.

Deze beslissing is gegeven door mrs. N. van der Wijngaart, A.R. Sturhoofd en J.F. Aalders in tegenwoordigheid van mr. L.A.M. Veelers als griffier en getekend door de voorzitter en de griffier op 9 april 2026.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. L.A.M. Veelers als griffier

Griffier

  • mr. L.A.M. Veelers

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?