Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
10 april 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.
Gedeeltelijke vernietiging vonnis
Het hof verenigt zich met het vonnis en zal dit daarom bevestigen behalve ten aanzien van de opgelegde straf – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof:
de ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweren zal bespreken;
na het eventueel instellen van beroep in cassatie de bewijsmiddelen zal opnemen in een aanvulling op dit arrest.
Bespreking van verweren
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het in zaak A tenlastegelegde. Hij heeft daartoe primair aangevoerd dat de verklaring van aangeefster [aangeefster] geen steun vindt in de overige inhoud van het dossier, en subsidiair dat sprake is geweest van een misverstand.
Het hof stelt vast dat aangeefster [aangeefster] tijdens het doen van aangifte bij de politie en, onder ede, bij de raadsheer-commissaris gedetailleerd en consistent heeft verklaard over wat haar is overkomen, niet alleen over wat de verdachte zou hebben gedaan, maar ook over wat de verdachte zou hebben gezegd. De omstandigheid dat zij heeft willen nadenken over het doen van aangifte geeft geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid daarvan. Deze verklaring wordt bovendien op essentiële punten ondersteund door de verklaring van getuige [getuige] . En hoewel naar aanleiding van de omstandigheden waaronder de verklaring van [getuige] ten overstaan van de politie is afgelegd eerder nog kon worden getwijfeld aan de betrouwbaarheid van die verklaring, heeft ook hij zijn verklaring bij de raadsheer-commissaris onder ede bevestigd. Daar komt bij dat op de camerabeelden van het station is te zien dat een man, later door meerdere verbalisanten herkend als de verdachte, opvallend vaak achterom kijkt richting de toiletten waar de bedreiging heeft plaatsgevonden, terwijl hij rennend het station verlaat. Voor dit opvallende gedrag heeft de verdachte geen aannemelijke verklaring gegeven.
Het hof is daarom van oordeel dat de verklaring van aangeefster [aangeefster] voldoende wordt ondersteund door de verklaring van getuige [getuige] en de beschrijving van de camerabeelden. In het dossier heeft het hof geen aanknopingspunten gevonden om te veronderstellen dat sprake is geweest van een misverstand.
Het hof acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het in zaak A tenlastegelegde.
Oplegging van straf
De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken met een proeftijd van twee jaren.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand met een proeftijd van twee jaren.
De raadsman heeft ten aanzien van de strafoplegging geen verweer gevoerd.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging door een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) aan de slachtoffers te tonen en op hen te richten. Zij zijn in paniek het dichtstbijzijnde toilet in gevlucht en hebben daar gewacht tot de politie arriveerde. Eén van de slachtoffers heeft later verklaard dat zij vreesde voor haar leven en dacht dat de verdachte door de deur van het hokje zou schieten. Deze situatie moet voor hen beiden ongetwijfeld bijzonder bedreigend en beangstigend zijn geweest.
De verdachte heeft zich verder schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben en vervoeren van een gasdrukpistool dat zeer veel leek op een echt vuurwapen. Vuurwapens, daaronder begrepen voorwerpen die op een vuurwapen lijken, worden gebruikt bij het plegen van ernstige strafbare feiten en kunnen tot zeer bedreigende situaties leiden. Dat dit een geenszins denkbeeldig scenario betreft, blijkt wel uit het feit dat in deze zaak bewezen is verklaard dat de verdachte een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) heeft gebruikt om twee mensen te bedreigen.
Het hof heeft bij het bepalen van de strafoplegging acht geslagen op de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. In die oriëntatiepunten wordt voor bedreiging met het tonen van een (nep)vuurwapen een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden genoemd. Het hof neemt deze straf voor het in zaak A én zaak B bewezenverklaarde als uitgangspunt. De verdachte, die zowel in eerste aanleg als in hoger beroep niet ter terechtzitting is verschenen, heeft geen enkele reden gegeven om daarvan ten voordele van hem af te wijken. Ook door de raadsman zijn geen persoonlijke omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven een lichtere straf op te leggen. De verdachte is blijkens het uittreksel justitiële documentatie van 27 maart 2026 eerder veroordeeld, maar die veroordelingen zijn van langer geleden, zodat het hof daarmee in strafverzwarende zin geen rekening zal houden.
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van zes maanden passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 57, 63 en 285 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13 en 55 van de Wet wapens en munitie.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J. Piena, mr. R.A. Boon en mr. P.K. van Riemsdijk, in tegenwoordigheid van
mr. L. van Dijk, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
24 april 2026.
Mr. P.K. van Riemsdijk is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]