Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 9 april 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.hij op of omstreeks 25 juli 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [benadeelde partij] heeft mishandeld door voornoemde [benadeelde partij] op/tegen de borst en/of het lichaam te slaan en/of duwen en/of in de nek te bijten;
2.hij op of omstreeks 25 juli 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander en/of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde partij] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een honkbalknuppel op/tegen het hoofd van voornoemde [benadeelde partij] te slaan (terwijl voornoemde [benadeelde partij] op de grond lag), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3.hij op of omstreeks 25 juli 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen [benadeelde partij] heeft mishandeld door voornoemde [benadeelde partij] (met een honkbalknuppel) op/tegen het lichaam en/of het hoofd te slaan en/of in de schouder te bijten.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de kinderrechter.
Vrijspraak feit 1
Het hof stelt op grond van de inhoud van de verklaringen in het dossier vast dat het op 25 juli 2024 in de [bedrijf 1] aan de [adres] tegen de aangever gepleegde geweld valt te onderscheiden in twee fases: geweld in de toko vóór de komst van de politie (de eerste fase) en geweld nadat de politie ter plaatse was gekomen (de tweede fase). Het onder feit 1 tenlastegelegde feit ziet op het gepleegde geweld in de eerste fase.
Vaststaat dat tussen de aangever en de verdachte na een woordenwisseling tijdens het eerste incident een gevecht heeft plaatsgevonden. Aangezien het hof de feiten (op voor de juridische waardering van deze zaak cruciale momenten) op grond van het procesdossier en het onderzoek ter terechtzitting niet met de daarvoor vereiste voldoende mate van zekerheid kan vaststellen dient de verdachte naar het oordeel van het hof te worden vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde feit.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
2.hij op 25 juli 2024 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde partij] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een honkbalknuppel op/tegen het hoofd van voornoemde [benadeelde partij] heeft geslagen terwijl voornoemde [benadeelde partij] op de grond lag, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3.hij op 25 juli 2024 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen [benadeelde partij] heeft mishandeld door voornoemde [benadeelde partij] met een honkbalknuppel op/tegen het lichaam te slaan en in de schouder te bijten.
Hetgeen onder 2 en 3 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 2 en 3 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van poging tot zware mishandeling.
Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van mishandeling.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 2 en 3 bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
De kinderrechter heeft de verdachte van het onder 1 en 2 tenlastegelegde vrijgesproken en voor het onder 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een onvoorwaardelijke werkstraf voor de duur van 30 uren, met aftrek, te vervangen door 15 dagen jeugddetentie.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 80 uren subsidiair 40 dagen jeugddetentie.
Oordeel van het hof
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte is na een eerdere vechtpartij met de aangever naar huis gegaan en samen met de (onbekend gebleven) medeverdachten teruggekomen om verhaal te halen. Tijdens de vechtpartij die vervolgens is ontstaan heeft de verdachte zich samen met de medeverdachten schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van het slachtoffer door het slachtoffer met een honkbalknuppel tegen het hoofd te slaan, terwijl hij op de grond lag. Daarnaast heeft de verdachte zich (met zijn medeverdachten) schuldig gemaakt aan mishandeling door het slachtoffer te bijten en met de knuppel tegen het lichaam te slaan. Door zo te handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en hem pijn en letsel toegebracht. Zoals onder meer blijkt uit de toelichting van de benadeelde partij op de vordering heeft het handelen van de verdachte grote impact gehad op het slachtoffer. Gelet op de aard en ernst van de in hoger beroep bewezenverklaarde feiten, meer in het bijzonder de poging tot zware mishandeling, is het hof van oordeel dat een zwaardere straf(modaliteit) dan in eerste aanleg is opgelegd passend is. Het hof heeft bij het bepalen van de hoogte van de straf acht geslagen op de Landelijke Oriëntatiepunten voor straftoemeting Jeugd en straffen die door rechters doorgaans worden opgelegd in vergelijkbare zaken. In die zaken geldt als uitgangspunt voor een (poging tot zware) mishandeling met behulp van een (slag)wapen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enkele weken of maanden. Dat acht het hof in deze zaak echter niet passend.
Daarbij heeft het hof onder meer in aanmerking genomen dat hoewel de verdachte een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan de escalatie van het geweldsincident en zich bewust was van (het gebruik van) de honkbalknuppel, niet kan worden vastgesteld dat de verdachte zelf het slachtoffer heeft geslagen met de honkbalknuppel. Het hof houdt daarnaast in het voordeel van de verdachte rekening met de tijd die sinds de bewezenverklaarde feiten is verstreken, de (destijds) jeugdige leeftijd van de verdachte en de omstandigheid dat de verdachte sinds het plegen van de bewezenverklaarde feiten niet meer met politie en justitie in aanraking is gekomen.
Het hof acht, alles afwegende het opleggen van een gevangenisstraf voor de duur van één maand voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar passend en geboden.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 16.111,48, bestaande uit € 13.311,48 ter compensatie van materiële schade en € 2.800,00 ter compensatie van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering is door de kinderrechter toegewezen tot een bedrag van € 500,00 aan immateriële schade en voor het overige afgewezen. De benadeelde partij is door de kinderrechter niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering tot materiële schadevergoeding. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij door het hof geheel zal worden toegewezen vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de pleegdatum en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het hof overweegt als volgt.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 en 3 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.
Materiële schade
De gevorderde materiële schade € 13.311,48 valt uiteen in de volgende onderdelen:
1. Inkomensverlies periode 26 juli t/m 27 november 2024: € 9.445,82;
2. Oordoppen: € 29,00
3. Fysiotherapie: € 1.530,00
4. Diensten (verslaglegging) spirituele peace servant: € 2.316,66
Vordering niet-ontvankelijk
Het hof stelt voorop dat voor de toewijsbaarheid van de vordering van de benadeelde partij niet de bewijs(minimum)regels van het Wetboek van Strafvordering, maar de regels van stelplicht en bewijslastverdeling in civiele zaken gelden. Daarbij is het uitgangspunt op grond van artikel 149 Rv dat de rechter ten aanzien van feiten of rechten die door de ene partij zijn gesteld en door de wederpartij niet zijn betwist zal uitgaan van de juistheid van de daaraan ten grondslag gelegde feiten, behoudens zijn bevoegdheid bewijs te verlangen.
Hoewel de verdachte niet ter terechtzitting in hoger beroep is verschenen - en de vordering van de benadeelde partij in zoverre niet is betwist - zal het hof de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de onderdelen verlies van arbeidsvermogen, fysiotherapie, oordoppen en de kosten voor de diensten van de spirituele peace servant niet-ontvankelijk verklaren.
Ten aanzien van de oordoppen kan de benadeelde partij niet in de vordering worden ontvangen omdat de verdachte niet schuldig wordt verklaard ter zake van het bewezenverklaarde tenlastegelegde handelen (feit 1) waardoor de gestelde schade aan de oordoppen zou zijn veroorzaakt. Immers uit de aangifte volgt dat de aangever na het eerste incident in de toko op zoek was naar zijn oordoppen zodat het hof het plausibel acht dat de oordoppen van het slachtoffer door het gevecht met de verdachte zijn kwijtgeraakt. Reeds daarom kan de benadeelde partij in dit onderdeel van de schade niet worden ontvangen.
Ten aanzien van de andere onderdelen van de vordering kan de benadeelde partij niet worden ontvangen in de vordering omdat de vordering naar het oordeel van het hof ten aanzien van deze onderdelen onvoldoende is onderbouwd. In zoverre kan de benadeelde partij ten aanzien van voormelde schadeposten zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Het hof licht dat als volgt toe.
Inkomensverlies
Ter onderbouwing van de schadepost inkomensverlies heeft de (gemachtigde van de) benadeelde partij een uitzendovereenkomst op basis van een 0-uren contract overgelegd van [bedrijf 2] B.V. (bijlage 13) en een door de benadeelde partij opgesteld overzicht van inkomsten vanuit [bedrijf 2] bestaande uit bij- en afschrijvingen in de drie maanden voorafgaand aan het misdrijf (bijlage 14) en inkomsten uit arbeid in de periode maart-juli 2024 (bijlage 15). Het hof merkt op dat bijlage 15 screenshots bevat van bijschrijvingen van een bankrekening, maar dat uit deze screenshots niet blijkt om welk rekeningnummer het gaat, wie de rekeninghouder is en wat de omschrijving is van de overboeking. Bij gebrek aan loonstroken van de werkgever, duidelijke bankafschriften en een roosterplanning en/of brief of e-mail van de werkgever waaruit blijkt dat en wanneer de benadeelde zich heeft ziekgemeld acht het hof dit onderdeel van de vordering onvoldoende onderbouwd.
Fysiotherapie
Ten aanzien van de gevorderde kosten met betrekking tot de fysiotherapie acht het hof het van belang dat de benadeelde partij in het strafproces vergoeding kan vorderen van de schade die zij door een strafbaar feit heeft geleden indien tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de schade voldoende verband bestaat om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden (HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019, 379, m.nt. W.H. Vellinga). Hoewel uit de schade-onderbouwing voldoende is gebleken dat de benadeelde partij fysiotherapie heeft gehad is naar het oordeel van het hof uit de schade-onderbouwing – en meer in het bijzonder het huisartsenjournaal en de bijgevoegde facturen van [fysio] – niet gebleken voor welke klachten de benadeelde partij werd behandeld. In het huisartsenjournaal blijkt niet van een doorverwijzing naar de fysiotherapeut (voor specifieke klachten) ten gevolge van het bewezenverklaarde handelen en uit de facturen van de fysiotherapie blijkt evenmin voor welke klachten de benadeelde partij is behandeld. Gelet op deze onduidelijkheden is het causaal verband tussen de fysiotherapie behandeling en de bewezenverklaarde mishandeling naar het oordeel van het hof onvoldoende gebleken. Het hof kan daardoor niet vaststellen of de gemaakte kosten een rechtstreeks gevolg zijn van het strafbare handelen van de verdachte.
Spirituele peace servant
Hoewel het hof onderkent dat de benadeelde partij de diensten van de spirituele peace servant noodzakelijk heeft geacht vanuit een diepgewortelde overtuiging is het hof alles afwegende van oordeel dat de noodzaak van de diensten van de peace servant – en de daarmee gepaard gaande kosten – onvoldoende vast is komen te staan op basis van de overgelegde stukken.
Het hof acht in dat kader van belang dat uit het huisartsenjournaal en het verslag van GGZ-psycholoog [deskundige] (bijlage 11 van de schade-onderbouwing) blijkt dat de benadeelde partij naar aanleiding van de diagnose Posttraumatische Stressstoornis (hierna: PTSS) in de periode van augustus 2024 tot en met (in ieder geval) 14 maart 2025 via Cumulus Home cognitieve gedragstherapie en exposuretherapie ontving om de psychische gevolgen van zijn trauma te behandelen.
Hoewel het de benadeelde partij vrijstaat om binnen redelijke grenzen passende, zo nodig alternatieve, hulp te zoeken is naar het oordeel van het hof onvoldoende gebleken in hoeverre de diensten van de spirituele peace servant noodzakelijk waren voor zijn herstel, mede gelet op de al lopende behandeling bij de GGZ-psycholoog. Er is niet gebleken van een medische noodzaak voor de diensten van de spirituele peace servant (al dan niet in aanvulling op de behandeling van de GGZ). Het hof zal de benadeelde partij ten aanzien van dit onderdeel van haar vordering daarom niet-ontvankelijk verklaren.
Immateriële schade
Artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, Burgerlijk Wetboek (BW) brengt mee dat de benadeelde recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding indien hij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Het hof acht op grond van het strafdossier, de onderbouwing van de vordering door (de gemachtigde van) de benadeelde partij en het onderzoek ter terechtzitting voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks nadeel is toegebracht dat niet in vermogensschade bestaat.
Gelet op het vastgestelde lichamelijk letsel van het slachtoffer komt de immateriële schade van de benadeelde partij voor vergoeding in aanmerking. Uit de schade-onderbouwing van de benadeelde partij blijkt dat de benadeelde onder meer trauma capitis (hoofdletsel), bijtwonden en kneuzingen heeft opgelopen. De bult op zijn voorhoofd, de bijtwonden en kneuzing van de linker ribben zijn volgens de schade-onderbouwing na circa vier à vijf weken genezen.
Daarbij komt dat het hof uit de (schriftelijke) toelichting van de benadeelde partij is gebleken dat de benadeelde partij ook op andere wijze in zijn persoon is aangetast, omdat de benadeelde partij ten gevolge van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte, psychische schade (PTSS) heeft geleden, waarvoor hij ook sinds augustus 2024 onder behandeling is geweest bij een GGZ-psycholoog.
Het hof heeft voor het bepalen van de omvang van de immateriële schade aansluiting gezocht bij de geïndiceerde bandbreedte voor licht (lichamelijk) letsel (hoofdstuk 13 categorie b) en de geïndiceerde bandbreedte voor geobjectiveerd geestelijk letsel (PTSS) (hoofdstuk 14 categorie d) in de Rotterdamse Schaal. Het hof heeft daarbij gelet op de duur van de beperkingen en de intensiteit en aard van het lichamelijk letsel en de ernst van de gevolgen voor de benadeelde partij.
Het hof stelt de omvang van de immateriële schade daarom op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW naar maatstaven van billijkheid vast op € 2000,00. Het hof zal daarnaast de gevorderde wettelijke rente vanaf 25 juli 2024 toewijzen en de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Hoofdelijkheid
Op basis van de inhoud van het dossier stelt het hof vast dat bij het onder 2 en 3 bewezenverklaarde drie personen betrokken zijn geweest. Nu de verdachte en zijn twee (tot nu toe onbekend gebleven) medeverdachten ieder een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij ieder hoofdelijk aansprakelijk voor dezelfde schade. Het hof zal het toegewezen deel van de vordering van de benadeelde partij dan ook hoofdelijk toewijzen. Indien en voor zover één van hen (een deel van) deze schade betaalt, zal ook de ander daardoor zijn bevrijd van zijn betalingsverplichting.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 45, 47, 77a, 77g, 77h, 77i, 77x, 77y, 77z, 77gg, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 1 (één) maand.
Bepaalt dat de jeugddetentie niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 1 (één) jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het onder 2 en 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 2.000,00 (tweeduizend euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van € 800,00 (achthonderd euro) aan immateriële schade af.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het onder 2 en 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.000,00 (tweeduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 0 (nul) dagen.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 25 juli 2024.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Iedema, mr. N.R.A. Meerbeek en mr. R.A.E. van Noort, in tegenwoordigheid van mr. S.S.I. Jackson, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 23 april 2026.
Mr. M. Iedema is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.