Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
10 april 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.
Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
De verdachte is door de rechtbank partieel vrijgesproken van het onder 2 tenlastegelegde geldbedrag van € 137.721,65. Dat geldbedrag is aan de verdachte impliciet cumulatief ten laste gelegd.
De verdachte heeft onbeperkt hoger beroep tegen het vonnis ingesteld. Dit betekent dat het hoger beroep mede gericht is tegen deze beslissing tot vrijspraak. Gelet op artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing evenwel geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte daarom in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de kwalificatie van feit 2 en de opgelegde straf – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof na het eventueel instellen van beroep in cassatie de bewijsmiddelen in de bijlage bij het vonnis van de rechtbank zal aanvullen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Kwalificatie feit 2
De rechtbank heeft het door haar bewezenverklaarde feit 2 in het dictum van het vonnis gekwalificeerd als eenvoudig witwassen en als toepasselijk wetsartikel artikel 420bis.1 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) vermeld, terwijl de bewezenverklaring niet alleen het ‘enkel verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit enig eigen misdrijf’ betreft, maar ook het gebruikmaken daarvan. In verband hiermee zal het hof het vonnis waarvan beroep vernietigen voor wat betreft de kwalificatie van feit 2 en bepalen dat feit 2 ‘witwassen’ oplevert (met vermelding van artikel 420bis Sr in plaats van artikel 420bis.1 Sr).
Oplegging van straf
De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
De raadsman heeft verzocht rekening te houden met de proceshouding en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Hij heeft, gelet hierop, primair verzocht om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen en subsidiair om een groot deel voorwaardelijk op te leggen en aan dat voorwaardelijke deel bijzondere voorwaarden te verbinden.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verduistering in dienstbetrekking en aan witwassen. Hij heeft gedurende een periode van meer dan drie-en-een-half jaar geldbedragen overgemaakt van de rekening van zijn toenmalige werkgever [stichting] naar zijn eigen rekening. De verdachte heeft hiermee in ernstige mate misbruik gemaakt van zijn positie als senior financieel medewerker en het door zijn werkgever in hem gestelde vertrouwen. Hij heeft zich daarbij laten leiden door financieel gewin en geen rekening gehouden met de gevolgen voor anderen.
Het hof heeft bij het bepalen van de strafoplegging acht geslagen op de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. In die oriëntatiepunten wordt voor fraude bij een benadelingsbedrag van € 250.000,00 tot € 500.000,00 een gevangenisstraf voor de duur van twaalf tot achttien maanden genoemd.
De verdachte heeft – nadat hij zich bij de politie op zijn zwijgrecht heeft beroepen en tijdens de inhoudelijk behandeling bij de rechtbank niet aanwezig was – in hoger beroep zijn betrokkenheid bij het tenlastegelegde bekend. Hij heeft ter terechtzitting in hoger beroep verder verklaard dat hij vanwege een moeilijke periode in zijn leven niet wist waar hij mee bezig was, maar lijkt in te zien dat hij desondanks andere keuzes had moeten maken.
Daar staat tegenover dat de verdachte werkzaam was in een functie met veel verantwoordelijkheden bij een stichting die zich inzet voor kwetsbare Amsterdammers. Van deze stichting heeft hij gedurende een lange periode op een slinkse manier – de verdachte maakte telkens kleinere bedragen over en zijn handelen werd pas opgemerkt na controle door een externe partij – een groot geldbedrag afhandig gemaakt en gebruikt om in zijn eigen luxe(re) leven te kunnen voorzien. Dat getuigt, anders dan de verdachte heeft verklaard, van doelbewust handelen. En hoewel de verdachte nu een eerste begin van verantwoordelijkheid heeft genomen door ter terechtzitting in hoger beroep zijn verhaal te doen, heeft hij, ondanks dat hij in een civiele procedure is veroordeeld tot terugbetaling van het geldbedrag, nog geen enkele stap gezet om in elk geval een klein gedeelte van het geldbedrag terug te betalen.
Het hof is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat niet kan worden volstaan met een geheel of deels voorwaardelijke gevangenisstraf, maar ziet in de proceshouding van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep wel aanleiding om een lagere straf op te leggen dan door de advocaat-generaal is gevorderd.
Het hof vindt, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Voorwaardelijk verzoek
De raadsman heeft – naar het hof begrijpt – verzocht het onderzoek ter terechtzitting te heropenen om een reclasseringsadvies te laten opmaken, indien de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal worden opgelegd. Nu het hof van oordeel is dat niet kan worden volstaan met een deels of geheel voorwaardelijke gevangenisstraf, zullen aan de verdachte ook geen bijzondere voorwaarden (kunnen) worden opgelegd. Het laten opmaken van een reclasseringsadvies acht het hof dan ook niet noodzakelijk.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 56, 57, 63, 322 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven beslissing tot vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde geldbedrag van € 137.721,65.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de kwalificatie van feit 2 en de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht.
Bepaalt dat het bewezenverklaarde ten aanzien van feit 2 de voortgezette handeling van ‘witwassen’ oplevert.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.J. Roos, mr. R.A. Boon en mr. P.K. van Riemsdijk, in tegenwoordigheid van
mr. L. van Dijk, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
24 april 2026.
Mr. J.J. Roos en mr. P.K. van Riemsdijk zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]