Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 9 april 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van wat de raadsman van de verdachte naar voren heeft gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.hij in of omstreeks de periode 9 april 2024 tot en met 11 april 2024 te Haarlem meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2.hij op of omstreeks 11 april 2024 te Haarlem opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.
Overwegingen met betrekking tot het bewijs
Ten aanzien van feit 1
Het hof neemt over wat de politierechter ten aanzien van feit 1 heeft overwogen onder ‘3.2 bewijsoverweging’ in het vonnis (met uitzondering van de laatste alinea). Het hof vult de overwegingen van de politierechter als volgt aan.
De verklaring van de verdachte dat de bij hem aangetroffen verdovende middelen uitsluitend voor eigen gebruik waren acht het hof niet geloofwaardig. Het dossier bevat voldoende aanknopingspunten voor een dealerindicatie met name gezien de grote hoeveelheid aangetroffen bolletjes en ponypacks met daarin verdovende middelen (te weten 18,33 gram cocaïne en 4,33 gram heroïne verpakt in respectievelijk 49 witte bolletjes, 20 bruine bolletjes en 10 ponypacks) in combinatie met de onder de verdachte aangetroffen bankbiljetten. Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde handel in cocaïne.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.hij in de periode 9 april 2024 tot en met 11 april 2024 te Haarlem opzettelijk heeft verkocht en verstrekt en vervoerd een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne.
2.hij op 11 april 2024 te Haarlem opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne.
Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
meermalen gepleegd.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straffen
De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf voor de duur van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straffen als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.
De raadsman heeft het hof – in geval van bewezenverklaring van beide feiten – primair verzocht om aan de verdachte een geldboete op te leggen. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om aan de verdachte een taakstraf voor de duur van maximaal 40 uren op te leggen. Daartoe heeft hij onder meer aangevoerd dat de verdachte inmiddels een stabiel bestaan heeft opgebouwd en een baan heeft bij een werkgever waarvoor hij zes dagen in de week werkzaam is. Het uitvoeren van een werkstraf van 120 uren zou om die reden te belastend zijn.
Oordeel van het hof
Het hof verenigt zich met wat de politierechter met betrekking tot de strafoplegging ten aanzien van de onder feit 1 en 2 tenlastegelegde feiten heeft overwogen in paragraaf 6 van het vonnis van 19 november 2024 en neemt deze overwegingen over. Het hof vult de overwegingen als volgt aan.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diverse overtredingen van de Opiumwet, waaronder de verkoop van cocaïne. Dergelijke feiten rechtvaardigen naar het oordeel van het hof een straf zoals in eerste aanleg door de politierechter is opgelegd. Het hof onderkent de positieve kentering in het leven van de verdachte en realiseert zich dat de verdachte bij de oplegging van een taakstraf van aanzienlijke duur flink aan de slag moet. Toch brengt de ernst van de bewezenverklaarde feiten mee dat niet volstaan kan worden met een matiging van de straf of andere strafmodaliteit zoals door de raadsman is verzocht.
Het hof acht, alles afwegende, een geheel voorwaardelijke vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur en een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van na te melden duur of hoogte passend en geboden.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R.A.E. van Noort, mr. M. Iedema en mr. N.R.A. Meerbeek, in tegenwoordigheid van mr. S.S.I. Jackson, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 23 april 2026.
Mr. M. Iedema is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.