ECLI:NL:GHAMS:2026:1097

ECLI:NL:GHAMS:2026:1097

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 14-04-2026
Datum publicatie 24-04-2026
Zaaknummer 200.336.305
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Aansprakelijkheid aannemer voor schade door vogelsterfte na heiwerkzaamheden. Bepaling schade.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

team I (handel)

zaaknummer : 200.336.305/01

zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : 10496518/ CV EXPL 23-2818

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 14 april 2026

in de zaak van

[appellant] ,

gevestigd te [plaats 1] ,

appellante,

advocaat: mr. Th.C. Visser te Rotterdam,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonend in [plaats 2] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. E. Zondervan te Leusden.

Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

1. De zaak in het kort

Vogels in volière zijn overleden na heiwerkzaamheden bij achterburen. Aansprakelijkheid aannemer.

2. Het geding in hoger beroep

[appellant] is bij dagvaarding van 19 december 2023 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 6 december 2023 van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland, (hierna: de kantonrechter), onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [geïntimeerde] als eiser en [appellant] als gedaagde.

Bij tussenarrest van 23 januari 2024 is een mondelinge behandeling na aanbrengen gelast, die op 6 mei 2024 heeft plaatsgevonden. Het proces-verbaal van die zitting bevindt zich bij de stukken.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties 3 tot en met 6;

- memorie van antwoord met producties 7 en 8;

- de nagekomen producties 9 en 10 van [geïntimeerde] ; en

- de nagekomen productie 7 en de nagezonden producties 4 en 5 van [appellant] ;

Op 11 december 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Partijen hebben vragen van het hof beantwoord. Namens [appellant] heeft mr. Kool, advocaat te Rotterdam, de zaak toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen die zij heeft overgelegd.

Ten slotte is arrest gevraagd.

3. Feiten

Het hof gaat uit van de volgende feiten, waarbij rekening is gehouden met hetgeen hierna over grief 1 wordt geoordeeld.

[geïntimeerde] is vogelliefhebber en houdt hobbymatig diverse siervogels, ook ter vermeerdering. Hij houdt gemiddeld 200 vogels in 64 kooien om en nabij zijn woning en schuur.

In juni 2022 vernam [geïntimeerde] van zijn achterburen dat zij een uitbouw aan hun woning zouden laten bouwen. Daarvoor diende een fundering aangelegd te worden. De funderingspalen zouden door middel van heien geplaatst worden. De heiwerkzaamheden zouden worden uitgevoerd door [appellant] .

Op 29 juni 2022 heeft [geïntimeerde] [appellant] telefonisch gewaarschuwd voor het risico dat de heiwerkzaamheden tot de dood van zijn vogels zouden kunnen leiden.

De zoon van [geïntimeerde] heeft dit in zijn e-mail van 1 augustus 2022 aan [appellant] herhaald. Voor zover relevant vermeldt de e-mail:

“U heeft contact gehad met mijn vader, (...) [geïntimeerde] , die woont aan [straat]

[nummer] te [plaats 2] . Ik heb begrepen dat u werkzaamheden gaat verrichten aan de Leidsestraat

105. Onderdeel daarvan zijn heiwerkzaamheden (...). U heeft voorgesteld on gezamenlijk een nulmeting uit te voeren om eventuele schade achteraf vast te stellen. (...)

Zoals mijn vader wellicht ook heeft aangegeven gebruikt hij de schuur als vogelverblijf. Hoogfrequent trillen zal enorme stress tot gevolg hebben bij de vogels die tot gevolg heeft dat de vogels nesten verlaten en zichzelf dood vliegen in de hokken. Dit is eerder bij vergelijkbare werkzaamheden gebeurd in 2004. Dit heeft toen tot een rechtszaak geleid waarbij de aannemer circa € 100.000 heeft moeten betalen als schadevergoeding.

Wat ons betreft zijn er twee opties: de funderingsmethode aanpassen of de vogels tijdelijk elders onderbrengen. Dit laatste zal een gefaseerd proces zijn van enkele maanden ivm het broeden van de vogels waarbij de verwachting is dat er ook een gevolgschade zal zijn doordat vogels tijdelijk niet kunnen broeden. Hiervoor kunnen we van tevoren een kosteninschatting opgeven.

Ik ga ervanuit dat u bij de sloopwerkzaamheden ook gepaste maatregelen neemt om verstoring van de vogels te voorkomen.”

M. [appellant] heeft op 11 augustus 2022 een bezoek aan de woning van [geïntimeerde] gebracht. Hij heeft daarbij een aantal foto’s genomen van de opstallen van [geïntimeerde] . Hij heeft verder niet op voormelde brief gereageerd.

Op 15 september 2022 heeft [appellant] de hiervoor genoemde heiwerkzaamheden uitgevoerd. In de zes weken erna zijn veel vogels van [geïntimeerde] gestorven. Tevens zijn broednesten verlaten waardoor eieren niet meer zijn uitgekomen.

In zijn brief van 21 november 2022 heeft [geïntimeerde] [appellant] aansprakelijk gesteld voor de schade. Dezelfde dag heeft [appellant] per e-mail laten weten niet in te gaan op de aansprakelijkheidstelling.

Op 16 januari 2023 heeft [geïntimeerde] aan een deskundige van EMN de opdracht verstrekt om onderzoek te doen naar de oorzaak van de sterfte onder de vogels en om de omvang van de schade te begroten.

Het onderzoek door de deskundige vond op 30 januari 2023 plaats in de woning van

[geïntimeerde] . [appellant] was voor het onderzoek uitgenodigd, maar zij is daarop niet ingegaan. Het deskundigenrapport verscheen op 17 februari 2023. Voor zover relevant vermeldt het rapport:

Schadeoorzaak:

Vogels zijn, vooral als zij broeden, zeer stressgevoelig. Vogels zijn van nature vluchtdieren die vooral bij impulsgeluid schrikken en willen vluchten. Harde geluiden en trillingen als gevolg van verbouwingswerkzaamheden aan de buitenzijde van de muur van cliënt

[ [geïntimeerde] , hof] veroorzaken een vluchtreactie die maar beperkt opgevolgd kan worden door de vogels, omdat ze in een kooitje zitten. De vogels zullen zich of te pletter vliegen tegen de tralies, dermate in de stress geraken dat zij hun eieren niet meer uitbroeden en last krijgen van veer-uitval. Gezien de lange tijd dat cliënt [ [geïntimeerde] , hof] reeds vogels onder dezelfde omstandigheden houdt en uitstekende broedresultaten behaald heeft, is het aannemelijk dat de werkzaamheden van wederpartij [ [appellant] , hof] in de tuin van principaal [de achterburen van [geïntimeerde] , hof] hebben geleid tot het overlijden van vogels en het niet uitbroeden van de eitjes.

Schadeomvang.

Cliënt [ [geïntimeerde] , hof] toonde tijdens ons bezoek bakjes met niet uitgebroede eitjes, en dode vogels welke in de vrieskast bewaard werden ten behoeve van expertise. De vogels zijn in ons bijzijn uitgepakt en gedetermineerd.

Schadevaststelling:

(…)

Overzicht dode vogels

Splendidparkiet (man) geelborst € 200,00

Glans ekster (koppel) € 120,00

Purpergranaat astrild (pop) € 200,00

Mozambiquesijs (man) € 100,00

Biens astrild koppel (geel man, pastel pop) € 200,00

Diamant duif 5 stuks wit, witbont € 150,00

Roodkop papagaaiamadine € 75,00.

Gouldamadine 3 stuks € 75,00

Zebravink 5 stuks € 20,00

Doornastrild € 75,00

Beans astrild geel/pastel € 100,00

Glanskopnon (pop) € 175,00

Splendidparkiet (man) Turkooise en split € 200,00

Kanarie € 20,00

Bruine duif € 5,00

Kleine parkiet 12 stuks € 120,00

Agapornis fscheri 15 stuks lutino € 2.250,00

Agapornis fischeri 16 stuks turkooise € 1.900,00

Agapornis roseicollis 14 stuks € 700,00

190 eitjes agapornis ssp 75% komt uit á €75 € 10.687,50

Totaal € 17.372,50

Per e-mail van 20 februari 2023 heeft [geïntimeerde] het deskundigenrapport aan [appellant] gestuurd met het verzoek de schade en de onderzoekskosten te vergoeden. Dezelfde dag heeft (de advocaat van) [appellant] de aansprakelijkheid (nogmaals) van de hand gewezen.

4. Procedure bij de kantonrechter

[geïntimeerde] heeft – samengevat – gevorderd dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [appellant] zal veroordelen tot betaling van:

a. € 17.372,50 aan hoofdsom,

b. € 832,84 aan expertisekosten,

c. € 1.149,96 aan buitengerechtelijke kosten,

d. de wettelijke rente over de hoofdsom,

e. de proces- en nakosten.

[appellant] heeft gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van [geïntimeerde] , met veroordeling van hem in de kosten van deze procedure.

De kantonrechter heeft [appellant] , uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van een schadevergoeding van € 17.372,50, te vermeerderen met € 832,84 aan expertisekosten en met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 3 mei 2023 tot de dag van volledige betaling, betaling aan [geïntimeerde] van € 948,73 voor buitengerechtelijke kosten, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

5. Vordering in hoger beroep

[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog – uitvoerbaar bij voorraad – de vorderingen van [geïntimeerde] in eerste aanleg zal afwijzen, met veroordeling van hem in de kosten van het geding in beide instanties.

[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep.

6. Beoordeling

Met grief I komt [appellant] onder meer op tegen de vaststelling door de kantonrechter dat zij niet heeft gereageerd op het mailbericht van 1 augustus 2022, terwijl zij met grief II aanvoert dat zij niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens [geïntimeerde] . [appellant] stelt in dit verband onder meer dat zij wel degelijk gereageerd heeft in de richting van [geïntimeerde] doordat z diens woning heeft bezocht en dat zij ter voorkoming van schade een heimethode heeft gekozen die geschikt is voor dergelijke percelen.

Aan de hand van hetgeen over en weer is aangevoerd stelt het hof vast dat [appellant] de woning van [geïntimeerde] op 11 augustus 2022 heeft bezocht en de situatie heeft opgenomen. Op de inhoud van het mailbericht namens [geïntimeerde] van 1 augustus 2022, waarin uitdrukkelijk is gewezen op de gevaren van het verrichten van heiwerkzaamheden en waarin is weergegeven welke maatregelen daardoor nodig zijn, heeft [appellant] voor het overige echter niet gereageerd. [appellant] heeft er vervolgens kennelijk voor gekozen om de werkzaamheden te verrichten zonder verdere aankondiging en zonder de door [geïntimeerde] genoemde maatregelen te treffen of zich ervan te vergewissen dat de vogels tijdig zouden worden verplaatst.

[appellant] was derhalve bekend met het gevaar maar zij heeft na haar bezoek niets meer gedaan om de door haar voor de werkzaamheden ingeschakelde onderaannemer te informeren en aan te dringen op maatregelen ter voorkoming van schade. Naar het oordeel van het hof lag het onder de gegeven omstandigheden wel op haar weg om zijn weg om zich daarvan te vergewissen of anderszins te voorkomen dat schade zou ontstaan. Dat [appellant] , zoals zij ter zitting heeft erkend, veronderstelde dat [geïntimeerde] zelf maatregelen zou nemen, kan daaraan niet afdoen omdat voor die aanname geen enkele concrete aanleiding bestond. Dit laatste klemt te meer omdat uit de mail van [geïntimeerde] van 1 augustus 2022 blijkt dat [geïntimeerde] enkele maanden nodig zou hebben voor deze eigen maatregelen, terwijl [appellant] de werkzaamheden uiteindelijk al na ruim een maand heeft gestart, zonder enige verdere kennisgeving aan [geïntimeerde] .

Voor zover [appellant] heeft gesteld dat zij een veilige methode van heien heeft gekozen is dat uitdrukkelijk en gemotiveerd bestreden door [geïntimeerde] . Daartegenover heeft [appellant] onvoldoende toegelicht waarom zij mocht aannemen dat de gebruikte heimethode de ontstane schade zou voorkomen.

Al met al concludeert het hof dat de handelwijze van [appellant] onrechtmatig is tegenover [geïntimeerde] . Grief I (deels) en grief II stuiten hierop af.

Met grief I (voor het overige) en grief III bestrijdt [appellant] dat er causaal verband bestaat tussen het onrechtmatig handelen en de door [geïntimeerde] gestelde schade.

Uitgangspunt bij de beoordeling van deze grieven is dat achteraf niet met 100 % zekerheid is vast te stellen dat heien de oorzaak was van het sterven van de vogels van [geïntimeerde] . Mogelijk was het beter geweest als destijds nog sneller sectie was verricht. [geïntimeerde] valt daarvan echter onvoldoende verwijt te maken: hij ontdekte pas enige tijd na de heiwerkzaamheden dat er vogels dood gingen en dat er kennelijk toch zodanig was geheid dat dit tot sterfte had geleid. Hij heeft bovendien toegelicht dat hij daarna zijn rechtsbijstandsverzekeraar moest inlichten en dat deze hem moest adviseren, zodat het enige tijd duurde voordat vervolgens [appellant] werd geïnformeerd. [appellant] heeft daarna bovendien niet meer gereageerd en dus ook niet het standpunt ingenomen dat zij twijfelde aan de doodsoorzaak en/of dat zij expertise wilde.

Het rapport en de nadere verklaring van [naam] (van EMN) wijzen met grote mate van waarschijnlijkheid de werkzaamheden door [appellant] als oorzaak van het sterven van de vogels aan. De in een eerdere soortgelijke procedure door dierenarts Feld afgelegde getuigenverklaring wijst in dezelfde richting, in de zin dat ook daaruit blijkt dat de door trilling teweeggebrachte onrust dergelijke sterfte veroorzaakt. [appellant] heeft een en ander onvoldoende gemotiveerd betwist en heeft onvoldoende concreet en onderbouwd gesteld welke andere oorzaak deze sterfte zou kunnen hebben.

Al met al staat voldoende vast dat de door [geïntimeerde] in zijn vriezer bewaarde vogels inderdaad in de betreffende periode zijn overleden en dat dit het gevolg is geweest van de werkzaamheden door [appellant] . Grief III en grief I (voor het overige) stuiten hier op af.

Grief IV is gericht tegen de vaststelling van de schade op € 17.372,50.

Ook bij de schadevaststelling neemt het hof als uitgangspunt dat voldoende vaststaat dat de door [geïntimeerde] in de vriezer bewaarde vogels alle in de betreffende periode zijn overleden en dat dit het gevolg was van de heiwerkzaamheden door [appellant] .

Op grond van het schaderapport van EMN (de heer [naam] ), de reactie van de door [appellant] geraadpleegde Zwanenburg en het antwoord van [naam] daarop, concludeert het hof dat de deskundigen over de waarde van de overleden vogels en de nog uit te komen eieren van mening verschillen. Het hof zal het schadebedrag gelet op deze verschillen en de aard van de schade schattenderwijs vaststellen. Ten aanzien van de waardebepaling van de overleden vogels ziet het hof daarbij meer aanleiding om de schatting van [naam] te volgen. Ten aanzien van de eieren en in het bijzonder de kans op het uitkomen daarvan, houdt het hof ook rekening met hetgeen door Zwanenburg is tegengeworpen. Al met al stelt het hof schattenderwijs de schade vast op € 15.000,00. In zoverre slaagt de grief.

Met grief V stelt [appellant] dat geen sprake is van schuldeisersverzuim, althans dat van [geïntimeerde] wel degelijk kon worden gevergd dat hij de vogels op eigen initiatief elders zou onder brengen.

Gelet op de verdere toelichting begrijpt het hof dat [appellant] daarmee heeft willen stellen dat [geïntimeerde] zijn schade ten onrechte niet heeft beperkt.

Deze stellingen stuiten er reeds op af dat [appellant] [geïntimeerde] niet in kennis heeft gesteld van de startdatum van de werkzaamheden en dat [appellant] onvoldoende heeft bestreden dat, zoals [geïntimeerde] via zijn mailbericht van 11 augustus 2022 al liet weten, voor verplaatsen van de vogels mede gelet op het broedseizoen maanden nodig waren. Daar komt bij dat [geïntimeerde] eveneens onvoldoende heeft betwist dat die verplaatsing ook niet tijdig had kunnen plaatsvinden omdat daarvoor niet onmiddellijk een ruimte beschikbaar was. Tot slot is in dit verband relevant dat de schade aan de vogels zich ook pas langzamerhand voordeed, zodat het mede gelet op het ontbreken van informatie over de werkzaamheden [geïntimeerde] ook niet onmiddellijk duidelijk was dat het nodig was om de vogels te verplaatsen.

Voor zover beroep [appellant] bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in dit verband nog een beroep heeft gedaan op eigen schuld, heeft hij dit beroep gelet op de tweeconclusieregel te laat gedaan en gaat het hof daaraan voorbij.

Grief V stuit op het voorgaande af.

Slotsom, kosten en bewijsaanbod

Het bestreden vonnis wordt vernietigd voor zover daarin [appellant] is veroordeeld tot betaling van € 17.372,50 in plaats van € 15.000,00. Het hof ziet geen aanleiding om [appellant] toe te laten tot bewijslevering, omdat zij geen bewijs heeft aangeboden van voldoende concrete stellingen die, indien bewezen, tot een andere uitkomst kunnen leiden. [appellant] is in het hoger beroep voornamelijk in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep. Het hof stelt de proceskosten in hoger beroep als volgt vast:

- griffierecht € 783,00

- salaris advocaat € 2.482,00

Totaal € 3.265,00

7. Beslissing

Het hof:

vernietigt het bestreden vonnis, voor zover daarbij [appellant] is veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 17.372,50 aan schadevergoeding en opnieuw recht doende, stelt dit bedrag op € 15.000,00:

bekrachtigt het bestreden vonnis voor het overige;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten in hoger beroep, tot nu vastgesteld op € 3.265,00, te vermeerderen met de wettelijke rente, als niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.C. Toorman, Z.D. Van Heesen-Laclé en J.E. van der Werff en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 14 april 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?