afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002917-24
datum uitspraak: 21 april 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen – na terugwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 17 december 2024 – op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 20 december 2018 in de strafzaak onder parketnummer 13-845007-14 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1967,
adres: [adres] .
Procesgang
De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het onder 2, 3, 4, 5 en 6 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, en hem ontzet van de uitoefening van het beroep van statutair bestuurder of feitelijk bestuurder van enige rechtspersoon als bedoeld in artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht voor de duur van vijf jaren.
De verdachte en het openbaar ministerie hebben tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.
Het gerechtshof Amsterdam heeft in hoger beroep bij arrest van 21 juli 2022 het vonnis vernietigd en opnieuw recht gedaan en de verdachte voor het onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 maanden, met aftrek van voorarrest, en hem ontzet van het recht tot uitoefening van het beroep van bestuurder van een rechtspersoon voor de duur van vijf jaren.
De verdachte heeft tegen het arrest van het gerechtshof beroep in cassatie ingesteld.
De Hoge Raad der Nederlanden heeft bij arrest van 17 december 2024 het bestreden arrest van het gerechtshof Amsterdam vernietigd, maar uitsluitend wat betreft het onder 1 tenlastegelegde en de strafoplegging, en de zaak naar het gerechtshof Amsterdam teruggewezen, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en, na terugwijzing, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 7 april 2026.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadslieden naar voren hebben gebracht.
Vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde
Het hof spreekt de verdachte vrij van het onder 1 tenlastegelegde. Dit oordeel behoeft geen nadere motivering, gelet op de ter terechtzitting in hoger beroep door de verdediging en het openbaar ministerie ingenomen standpunten.
Oplegging van straffen
De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 2, 3, 4, 5 en 6 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, en hem ontzet van de uitoefening van het beroep van bestuurder van enige rechtspersoon voor de duur van vijf jaren.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 2, 3, 4, 5 en 6 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 19 maanden, met aftrek van voorarrest, en zal worden ontzet van de uitoefening van het beroep van bestuurder van enige rechtspersoon voor de duur van vijf jaren.
De raadslieden hebben verzocht een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, eventueel in combinatie met een taakstraf, en af te zien van het opleggen van een zogenoemd beroepsverbod. Het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf is onwenselijk, gelet op de gezondheidstoestand van de verdachte, zijn partner en een van zijn kinderen. Als strafverminderende omstandigheden gelden i) de terugbetalingen aan de Belastingdienst namens de verdachte, waardoor het totale benadelingsbedrag ruim € 300.000,00 bedraagt, en
ii) het verblijf van de verdachte in voorarrest voor de duur van drie dagen, in alle beperkingen.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich gedurende een periode van zeven jaar schuldig gemaakt aan het misleiden van de
Belastingdienst, door herhaaldelijk gebruik te maken van zogenoemde HIR-constructies. Hij heeft
daarbij ook anderen aangezet tot belastingfraude. De verdachte had de beschikkingsmacht over verschillende vennootschappen, maakte gebruik van stromannen en fingeerde onroerend goed transacties.
Zodoende heeft hij het op geraffineerde wijze doen voorkomen dat, voorafgaand aan een aandelenoverdracht, een vennootschap had voldaan aan haar plicht tot herinvestering. In dat kader heeft hij verschillende belastingaangiften onjuist, onvolledig of in het geheel niet gedaan. Hij heeft de beschreven constructies gefaciliteerd met als doel zichzelf financieel te bevoordelen en een juiste fiscale afrekening door de belastingplichtige vennootschappen te frustreren.
Het hof rekent de verdachte zijn (mede) op eigen gewin gericht gedrag zeer aan. Belastingfraude kan immers leiden tot ondermijning van de belastingmoraal en draagt bij aan verzwaring van de belastingdruk voor de gehele samenleving.
Het totale fiscale nadeel dat de verdachte met zijn handelen heeft veroorzaakt bedraagt ten minste € 1.000.000,00. Het hof heeft daarbij acht geslagen op de berekening van de rechtbank inzake de benadelingsbedragen per feit. Anders dan de rechtbank overweegt het hof dat daarbij ook het onder feit 6 genoemde bedrag aan vennootschapsbelasting van € 400.000,00 in aanmerking kan worden genomen.
Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat het fiscale nadeel het op geld waardeerbare nadeel is dat door de strafbare feiten is veroorzaakt, ongeacht de geldbedragen die mogelijk later (door derden) aan de fiscus zijn (terug)betaald. De ernst van het strafbare gedrag van de verdachte wordt mede bepaald door de hoogte van het fiscale nadeel dat als direct gevolg van de feiten is ontstaan. De terugbetalingen wegen daarom niet mee in de hoogte van het benadelingsbedrag. Zij kunnen echter wel worden meegewogen als strafverminderende omstandigheid.
Uitgaande van een nadeelbedrag van meer dan € 1.000.000,00 en gezien de oriëntatiepunten inzake fraudedelicten kan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden als uitgangspunt dienen. Gelet op de ernst en de aard van de feiten en de lengte van de periode zoals bewezenverklaard, is het hof van oordeel dat een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van die omvang recht doet aan deze feiten. Het hof ziet in hetgeen door de verdediging is aangevoerd met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en het in beperkingen doorgebrachte voorarrest van enkele dagen geen aanleiding een lagere straf op te leggen. Daarbij weegt het hof ten nadele van de verdachte mee dat hij blijkens een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 24 maart 2026 eerder voor fiscale strafbare feiten onherroepelijk is veroordeeld.
Het hof ziet in het tijdsverloop sinds de bewezenverklaarde feiten, alsmede de omstandigheid dat terugbetalingen aan de Belastingdienst namens de verdachte hebben plaatsgevonden, strafverminderende factoren. Alles afwegende, acht het hof in beginsel een gevangenisstraf van 21 maanden passend.
Overschrijding van de redelijke termijn (artikel 6 EVRM)
Gelet op het tijdsverloop vanaf de aanvang van deze strafzaak tot de huidige behandeling in hoger beroep dient bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf eveneens rekening te worden gehouden met het recht op berechting binnen een redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Naar het oordeel van het hof is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep, terwijl die overschrijding niet (geheel) aan de verdachte kan worden toegerekend. De overschrijding in eerste aanleg behelst ongeveer twee jaren en ruim zes maanden, gerekend vanaf de inverzekeringstelling van de verdachte op 11 juni 2014 tot aan het eindvonnis van 20 december 2018. Het openbaar ministerie en de verdachte hebben hoger beroep ingesteld op 2 januari 2019 respectievelijk 3 januari 2019. In hoger beroep is eerst arrest gewezen op 21 juli 2022, hetgeen neerkomt op een overschrijding van ongeveer een jaar en ruim zes maanden. Het arrest van de Hoge Raad is op 17 december 2024 gewezen, waardoor de redelijke termijn in de cassatiefase met ruim vier maanden is overschreden. Het hof zal om die reden de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf matigen tot 18 maanden, met aftrek van voorarrest.
Alhoewel de feiten geruime tijd geleden hebben plaatsgevonden, is het hof van oordeel dat gelet op de aard en de ernst van de onderhavige feiten en omstandigheden niet kan worden volstaan met een voorwaardelijke gevangenisstraf, al dan niet in combinatie met een taakstraf, zoals door de verdediging bepleit. Een andere modaliteit dan de hiervoor genoemde onvoorwaardelijke vrijheidsstraf doet geen recht aan de bewezenverklaarde feiten en acht het hof tegen die achtergrond niet passend.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Ontzetting van het recht tot uitoefening van een beroep
Het hof is voorts van oordeel dat de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan aanleiding geven de verdachte een beroepsverbod op te leggen, in die zin dat hij het beroep van bestuurder van een rechtspersoon gedurende vijf jaar niet mag uitoefenen. Naast de aard van de feiten zoals bewezenverklaard is daarbij meegewogen dat de verdachte eerder is veroordeeld tot gevangenisstraffen voor onder meer aan fraude gerelateerde feiten. Die straffen hebben hem er kennelijk niet van weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan dergelijke delicten.
Gelet op de omstandigheid dat de verdachte thans als zzp’er werkzaam is als onderhoudsmonteur voor een winkelketen, zal een beroepsverbod zoals geformuleerd hem niet belemmeren in het als zodanig verwerven van een inkomen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen zijn gegrond op artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de artikelen 28, 31, 47, 51, 57, 63 en 225 van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt de verdachte ter zake van het onder 2, 3, 4, 5 en 6 bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Ontzet de verdachte van het recht tot uitoefening van het beroep van statutair bestuurder of feitelijk bestuurder van enige rechtspersoon voor de duur van 5 (vijf) jaren.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.W.H.G. Loyson, mr. J.J. Roos en mr. H.A. Stalenhoef, in tegenwoordigheid van mr. S. den Hartog, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 21 april 2026.
mr. J.W.H.G. Loyson, mr. J.J. Roos en mr. S. den Hartog zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.