GERECHTSHOF AMSTERDAM
Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.360.287/01
zaaknummer rechtbank: C/13/769976 / JE RK 25-380
beschikking van de meervoudige kamer van 21 april 2026 in de zaak van
[de vader] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna: de vader,
advocaat: mr. J.J.M. Kleiweg te Amsterdam,
en
de gecertificeerde instelling stichting De Jeugd- en Gezinsbeschermers,
gevestigd te [plaats B] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna: de GI.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige 1] , hierna: [minderjarige 1] ,
- de minderjarige [minderjarige 2] , hierna: [minderjarige 2] , en
- [de moeder] , hierna: de moeder, vertegenwoordigd door mr. M.C. Spil, advocaat te Amsterdam.
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie [plaats B] ,
hierna: de raad.
1. De zaak in het kort
De zaak gaat over de omgang tussen [minderjarige 1] (15 jaar) en [minderjarige 2] (13 jaar) (hierna gezamenlijk: de kinderen) en de vader. De rechtbank heeft bepaald dat de vader het recht op omgang met de kinderen wordt ontzegd. De vader is het daar niet mee eens en wil dat er contactherstel zal plaatsvinden tussen hem en de kinderen. Ook wil hij dat de GI veroordeeld wordt in de kosten van de procedure. De GI en de moeder zijn het wel eens met de bestreden beschikking.
2. De procedure in hoger beroep
De vader is op 13 oktober 2025 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 29 juli 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank).
De moeder heeft op 5 december 2025 een verweerschrift ingediend.
De GI heeft op 8 december 2025 een verweerschrift ingediend.
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de zijde van de vader van 15 oktober 2025 met bijlagen,
- een bericht van de zijde van de vader van 20 november 2025 met bijlage,
- een bericht van de zijde van de vader van 20 januari 2025 met bijlage, en
- een bericht van de zijde van de moeder van 2 maart 2026 met bijlagen.
De voorzitter heeft voorafgaand aan de zitting met [minderjarige 2] gesproken. De oudste raadsheer heeft voorafgaand aan de zitting met [minderjarige 1] gesproken. Ter zitting heeft de voorzitter de inhoud van deze gesprekken zakelijk weergegeven.
De zitting heeft op 12 maart 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat en door H.M.B. Degrijse, een tolk in de Franse taal,
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat en door G. Marcus, een tolk in de Engelse taal, en
- de raad, vertegenwoordigd door A. Touber.
De GI is, met bericht van afwezigheid, niet ter zitting verschenen.
De advocaat van de vader heeft op de zitting een pleitnotitie voorgedragen en overgelegd.
3. De feiten
De vader en de moeder (hierna gezamenlijk: de ouders) zijn [in] 2007 te [plaats C] , Frankrijk met elkaar gehuwd, welk huwelijk op 7 februari 2018 is ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.
Uit het huwelijk zijn geboren:
- [minderjarige 1] , [in] 2010 te [plaats B] , en
- [minderjarige 2] , [in] 2013 te [plaats B] .
De ouders en de kinderen hebben de Franse nationaliteit.
De kinderen wonen bij de moeder.
Bij beschikking van 25 oktober 2017 is tussen de moeder en de vader de echtscheiding uitgesproken. Bij voormelde beschikking is de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de moeder bepaald en is een zorgregeling bepaald, waarbij de kinderen een weekend per veertien dagen van vrijdag 19.00 uur tot en met zondag 17.00 uur bij de vader zullen verblijven. Daarnaast is bepaald dat de moeder en de vader de vakanties en feestdagen in onderling overleg bij helfte zullen verdelen, waarbij de kinderen niet langer dan twee aaneengesloten weken bij de vader zullen verblijven.
Bij beschikking van 22 juni 2020 is voormelde zorgregeling gewijzigd en is in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders bepaald dat de vader de kinderen bij zich heeft eens per veertien dagen van vrijdag na school tot zondag 17.00 uur, waarbij de vader de kinderen op vrijdag van school haalt, en dat de ouders in onderling overleg de zorg voor de kinderen tijdens de vakanties en feestdagen bij helfte zullen verdelen, waarbij de kinderen niet langer dan twee aaneengesloten weken bij de vader zullen verblijven.
Bij beschikking van 22 december 2023 zijn de kinderen onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van een jaar. Deze ondertoezichtstelling is nadien verlengd tot 22 september 2025.
Bij vonnis in kort geding van 4 oktober 2024 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank de moeder veroordeeld tot nakoming van de bij beschikking van 22 juni 2020 vastgestelde zorgregeling met betrekking tot de weekenden, met dien verstande dat eerst contactherstel zal plaatsvinden. Ook is de moeder veroordeeld tot nakoming van de bij beschikking van 22 juni 2020 vastgestelde zorgregeling met betrekking tot de vakanties, met dien verstande dat eerst contactherstel zal plaatsvinden. Verder is bepaald dat het contactherstel tussen de vader en de kinderen zo spoedig mogelijk zal plaatsvinden onder regie van de GI, in die zin dat de GI de wijze en de duur van het contactherstel zal bepalen.
Bij beschikking van de rechtbank van 9 januari 2026 is het gezamenlijk gezag van de ouders beëindigd en is de moeder belast met de uitoefening van het gezag over de kinderen.
4. De omvang van het hoger beroep
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, met wijziging van de beschikking van 22 juni 2020 en het vonnis van 4 oktober 2024 bepaald dat de vader het recht op omgang met de kinderen wordt ontzegd. Daarnaast zijn – kort gezegd – de (zelfstandig tegen)verzoeken van de vader om te bepalen dat de GI zal worden veroordeeld op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag als dit zal worden nagelaten, om uiterlijk binnen twee weken na de beschikking, uitvoering te geven aan het vonnis van de voorzieningenrechter van 4 oktober 2024 (teneinde het contactherstel tussen hem en de kinderen te organiseren), en om een bijzondere curator te benoemen, afgewezen.
De vader verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en te bepalen dat er contactherstel zal plaatsvinden tussen hem en de kinderen onder regie van ofwel een te benoemen bijzondere curator in de persoon van [naam] , ofwel de organisatie Leefsterk, ofwel de Blauwe Beer, ofwel KidsInbetween, met veroordeling van de GI in de kosten van de procedure.
De GI verzoekt de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep, dan wel zijn hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
De moeder verzoekt de verzoeken van de vader af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
5. De motivering van de beslissing
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Aangezien de kinderen hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, is de Nederlandse rechter bevoegd om te oordelen over de verzoeken. De rechtbank heeft het Nederlandse recht toegepast. Dat is in hoger beroep niet in geschil, zodat ook het hof dat zal doen.
Het wettelijk kader
Op grond van het eerste lid van artikel 1:265g van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter op verzoek van de gecertificeerde instelling een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken of een regeling over de uitoefening van het recht op omgang vaststellen of wijzigen voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is.
Lid 2 van voormeld artikel bepaalt dat op het verzoek van een met het gezag belaste ouder, een omgangsgerechtigde, de minderjarige van twaalf jaar of ouder en de gecertificeerde instelling de kinderrechter de in het eerste lid genoemde beslissing kan wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
Zodra de ondertoezichtstelling is geëindigd, geldt ingevolge het derde lid van voornoemd artikel de op grond van het eerste lid vastgestelde regeling als een regeling bedoeld in artikel 1:253a, tweede lid, onder a, dan wel artikel 1:377a, tweede lid BW.
De vader is van mening dat de kinderrechter ten onrechte de beschikking van de rechtbank van 22 juni 2020 en het vonnis van 4 oktober 2024 heeft gewijzigd en hem voor onbepaalde tijd het recht op omgang met de kinderen heeft ontzegd. Een ontzegging voor onbepaalde tijd is wettelijk gezien niet mogelijk en is onwenselijk en disproportioneel. De vader betwist dat hij negatief over de moeder spreekt en dat hij de kinderen bekritiseert. Wat de GI in het Plan van Aanpak heeft opgeschreven over de rol van de vader is onjuist en achterhaald. Sinds de zomervakantie van 2024 heeft hij nauwelijks contact met de kinderen gehad. De beschuldigingen zijn ongefundeerd en worden niet onderbouwd. De vader erkent dat hij fouten heeft gemaakt in het verleden en betoogt dat hij daarvan heeft geleerd. Hij heeft altijd in het belang van de kinderen gehandeld. De GI heeft nagelaten om het contactherstel tussen de vader en de kinderen te initiëren en tot stand te brengen. [minderjarige 1] heeft uiteindelijk het initiatief genomen om het contact met de vader te herstellen. Tijdens de contactmomenten die daarop volgden hebben de vader en de kinderen zaken uitgesproken en leek de lucht geklaard. Het voor onbepaalde tijd onthouden van contact van kinderen met een ouder is niet alleen een schending van de rechten van de vader maar ook van het recht van de kinderen op family life. De vader wil ondersteuning en adviezen opvolgen, zodat de zorgregeling weer hervat kan worden. Hij mist de kinderen en is bang dat er geen contactherstel zal plaatsvinden als hij moet wachten totdat de kinderen uit zichzelf contact met hem opnemen. Mevrouw [naam] kan als bijzondere curator benoemd worden. Zij wordt in zware zaken ingezet als er al langere tijd geen contact is tussen een ouder en een kind en kan goed aansluiten bij kinderen.
De GI is van oordeel dat de gronden voor een wijziging van de verdeling van de zorg- en opvoedtaken (nog steeds) aanwezig zijn. De ontzegging van de omgang is niet disproportioneel maar noodzakelijk ter bescherming van de ontwikkeling van de kinderen. De GI heeft intensief, structureel en aantoonbaar ingezet op contactherstel tussen de vader en de kinderen, maar de vader heeft herhaaldelijk niet voldaan aan afspraken en heeft adviezen en aanwijzingen niet opgevolgd. Zijn houding heeft een belemmerende en schadelijke invloed gehad op de kinderen en op het hulpverleningstraject. De kinderen hebben consistent en herhaaldelijk aangegeven dat zij niet naar de vader willen en dat zij zich structureel niet gehoord en onveilig voelen bij hem. Volgens artikel 12 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (hierna: IVRK) dient de mening van een kind dat in staat is deze te vormen zwaar te wegen. Het besluit van de GI om in mei 2025 een wijziging van de zorgregeling te verzoeken is zorgvuldig en met terughoudendheid genomen. Het is op dit moment in het belang van de kinderen dat zij rust en veiligheid ervaren en mentaal niet belast worden. Zolang de vader zijn houding niet verandert, is omgang niet in hun belang. De GI meent dat benoeming van een bijzondere curator wettelijk niet is aangewezen. Volgens vaste jurisprudentie is benoeming een uitzondering, alleen passend wanneer de belangen van het kind buiten beeld raken. Daar is in dit geval geen sprake van, omdat de GI (in samenwerking met professionals) de belangen van de kinderen behartigt. Een bijzondere curator zou de kinderen opnieuw belasten, wat in strijd is met hun zwaarwegende belangen (artikel 3 IVRK) en werkt schadelijk. Verder vormt de onvrede van een ouder over de beslissingen van de GI volgens de rechtspraak geen (wettelijke) grond voor benoeming van een bijzondere curator.
De moeder stelt dat de Hoge Raad heeft geoordeeld dat een afwijzing van een verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling van tijdelijke aard is, in die zin dat een ouder bij wijziging van omstandigheden of na verloop van een jaar opnieuw een dergelijk verzoek kan indienen. Wat de vader naar voren heeft gebracht is onjuist en daaruit blijkt dat het hem ontbreekt aan inzicht in zijn eigen aandeel (in de problematiek) en de mogelijkheid om te reflecteren en te veranderen. Als gevolg daarvan kan hij niet aansluiten bij de ontwikkelingsbehoeften van de kinderen en belast hij hen. De vader blijft de moeder diskwalificeren en blijft onderwerpen over de kinderen ter discussie stellen. De moeder betwist dat het Plan van Aanpak van 23 mei 2025 onjuist en achterhaald is. Uit de update van het Plan van Aanpak blijkt dat de vader zich negatief over de moeder blijft uiten, zowel oude als nieuwe beschuldigingen uit, dat de kinderen ervaren dat de vader hen bekritiseert en belast en dat zij het contact met hem als teleurstellend ervaren. Het is onjuist dat de moeder haar medewerking aan het traject bij de Blauwe Beer heeft beëindigd op het moment dat de GI heeft aangekondigd een verzoek tot ontzegging van de omgang in te dienen. Verder stelt de moeder dat een traject om contactherstel/omgang te bewerkstelligen op dit moment niet in het belang van de kinderen is. Uit niets is gebleken dat de vader openstaat voor ondersteuning en het opvolgen van adviezen. De moeder heeft er geen vertrouwen in dat een traject tot afspraken tussen partijen over de kinderen en/of contactherstel zal leiden en de vader zal eerst aan zichzelf moeten werken. Voor de kinderen, die veel hebben meegemaakt, is het van belang dat er rust komt. Contact met de vader draagt daar op dit moment niet aan bij. Daarnaast stelt de moeder dat zij de meerwaarde van een bijzondere curator niet inziet.
De raad heeft ter zitting in hoger beroep geadviseerd de bestreden beschikking te bekrachtigen. Op dit moment ziet de raad geen mogelijkheden voor omgang tussen de vader en de kinderen. De kinderen hebben de afgelopen jaren veel meegemaakt. Zij hebben nu een leeftijd waarop duidelijk wordt wat dat met hen heeft gedaan en kunnen aangeven wat zij zelf willen. De kinderen zitten in een leeftijdsfase waarin zij hun eigen leven vorm gaan geven en dat vraagt van de ouders dat zij daar oog voor hebben, bij aan kunnen sluiten en hen daarin kunnen sturen. Het lukt de vader al langere tijd onvoldoende om aan te sluiten bij de behoeften van de kinderen. Het is van belang dat de kinderen een zekere mate van rust ervaren en dat zij toekomen aan hun eigen ontwikkeling. De raad hoopt dat er op een gegeven moment ruimte ontstaat bij de kinderen om weer contact met de vader te zoeken. De vader zal anders moeten handelen om het vertrouwen van de kinderen te krijgen en dient goed te kijken naar wat zij nodig hebben van hem. Het zou goed zijn als de moeder de vader op de hoogte houdt van hoe het met de kinderen gaat, omdat dat een opening biedt voor de kinderen om het contact met de vader uiteindelijk weer te herstellen, aldus de raad.
De beoordeling
Het hof overweegt als volgt. Uit de stukken in het dossier en ter zitting in hoger beroep is gebleken dat de ouders sinds 2017 strijd voeren en communicatieproblemen hebben. Hoewel daarvoor in het verleden meermaals hulpverlening is ingezet, heeft dit niet tot een positief resultaat geleid. De kinderen hebben veel meegemaakt in de strijd tussen de ouders. Zij lijden onder de situatie en er is bij hen sprake van loyaliteitsproblematiek. De kinderen stonden van 22 december 2023 tot 22 september 2025 onder toezicht van de GI. In augustus 2024 hebben de kinderen besloten dat zij niet meer naar de vader willen. Tot die periode was er sprake van een zorgregeling waarbij zij eens per veertien dagen van vrijdag na school tot zondag om 17.00 uur bij de vader verbleven, welke zorgregeling ook werd uitgevoerd. In januari 2025 heeft [minderjarige 1] op eigen initiatief contactherstel met de vader geïnitieerd. De kinderen zijn vervolgens diezelfde maand met de vader uit eten geweest en hebben in februari 2025 een aantal keer bij hem overnacht.
In het gesprek met de oudste raadsheer op 11 maart 2026 heeft [minderjarige 1] verklaard dat zij de vader al geruime tijd niet heeft gezien, dat het rustiger voor haar is om hem niet op verplichte basis te zien en dat zij niet goed weet hoe zij moet reageren op zijn berichten. [minderjarige 2] heeft in het gesprek met de voorzitter op 10 maart 2026 te kennen gegeven dat hij de vader voor het laatst in maart 2026 heeft gezien in verband met een afspraak bij de schoolarts.
Het hof acht zich op basis van de stukken, hetgeen is besproken tijdens de zitting in hoger beroep en vanwege de gesprekken met de kinderen van 10 en 11 maart 2026 nog onvoldoende geïnformeerd om een goede beslissing te kunnen nemen over de vraag of omgang met de vader in het belang van de kinderen is.
Het hof is van oordeel dat het in het belang van de kinderen noodzakelijk is om een bijzondere curator te benoemen. Een bijzondere curator kan de kinderen in deze procedure vertegenwoordigen en in het kader van die taak onderzoek verrichten naar de vraag wat nodig is voor de kinderen om het contact met de vader te herstellen, op een manier waarbij zij daardoor zo min mogelijk worden belast. Bij dit onderzoek acht het hof een kritische beschouwing van de beleving van de kinderen noodzakelijk.
Het hof is voornemens de bijzondere curator te verzoeken verslag uit te brengen ten aanzien van de volgende vragen:
1. Wat zijn de wensen en belangen van de kinderen ten aanzien van contact met hun vader?
2. Zijn er factoren vanuit de kinderen of factoren buiten de kinderen gelegen die het contact(herstel) met de vader belemmeren? Zo ja, welke zijn dat dan en kunnen deze worden opgeheven?
3. Is verdere hulp noodzakelijk en, zo ja, welke hulp of interventie zou passend kunnen zijn?
4. Indien bij de kinderen ruimte is voor omgang met de vader, welke invulling, frequentie en duur is dan passend en haalbaar voor het omgangsmoment?
5. Welke andere bevindingen die relevant zijn voor de te nemen beslissing ten aanzien van de omgang volgen uit het onderzoek?
Het hof is voornemens om op grond van artikel 1:250 lid 1 BW mevrouw [naam] , gevestigd aan de [adres] , te benoemen tot bijzondere curator voor de duur van deze procedure in hoger beroep. Mevrouw [naam] heeft zich (telefonisch) bereid verklaard deze taak op zich te nemen en te kennen gegeven dat zij halverwege, dan wel eind mei 2026 zou kunnen starten. Het hof zal de ouders in de gelegenheid stellen zich binnen twee weken na heden uit te laten over de door het hof voorgenomen benoeming van [naam] tot bijzondere curator over de kinderen, alsmede over de hiervoor onder 5.10 geformuleerde vragen.
De definitieve beslissing over de omgang wordt aangehouden in afwachting van de resultaten van het onderzoek door de bijzondere curator.
6. De beslissing
Het hof:
stelt de ouders in de gelegenheid zich uiterlijk 5 mei 2026 schriftelijk uit te laten over het voornemen van het hof om mevrouw [naam] , gevestigd aan de [adres] , tot bijzondere curator over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te benoemen en de aan haar te stellen vragen, zoals opgenomen onder 5.10.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. D.H. Steenmetser-Bakker, mr. P.F.E Geerlings en mr. G.J. Baken, in tegenwoordigheid van mr. I.L.I. Bossert als griffier en is op 21 april 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.