ECLI:NL:GHAMS:2026:1128

ECLI:NL:GHAMS:2026:1128

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 28-04-2026
Datum publicatie 28-04-2026
Zaaknummer 23-002597-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBAMS:2024:9012

Samenvatting

Gedeeltelijke bevestiging van het vonnis - oplegging van een GS 240 dagen wv. 237 vw. met een PT van 2 jaren en een TS voor de duur van 240 uren / 120 dagen. Vorderingen tenuitvoerlegging afgewezen

Uitspraak

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

14 april 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van wat de raadsvrouw naar voren heeft gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit dus bevestigen, behalve ten aanzien van de strafoplegging en de beslissing op de vorderingen tot tenuitvoerlegging – in zoverre wordt het vonnis vernietigd – en met dien verstande dat het hof overweegt dat wat in hoger beroep door de raadsvrouw van de verdachte ten aanzien van het overige (niet zijnde de strafoplegging en de vorderingen tenuitvoerlegging) is aangevoerd het hof niet heeft gebracht tot andere beslissingen en overwegingen dan de rechtbank.

Oplegging van straffen

De rechtbank heeft de verdachte voor het ten laste gelegde veroordeeld tot een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van acht maanden met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis en een gevangenisstraf voor de duur van 240 dagen waarvan 237 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

De raadsvrouw heeft het hof verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met de positieve ontwikkelingen in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich samen met anderen, binnen een tijdsbestek van 48 uur, schuldig gemaakt aan het plegen van twee straatroven waarbij twee nietsvermoedende personen – een toerist in Amsterdam en een verstandelijk beperkte man in Rotterdam – groepsgewijs zijn benaderd, geïntimideerd en bestolen van hun telefoon. De verdachte heeft zich kennelijk enkel laten leiden door zijn eigen financieel gewin zonder erbij stil te staan dat een telefoon in de regel een grote persoonlijke en praktische waarde heeft voor de gebruiker en dat slachtoffers van delicten als deze nog geruime tijd kunnen lijden onder de psychische gevolgen van wat hun is aangedaan. Daar komt nog bij dat dit soort delicten zorgen voor gevoelens van onveiligheid bij getuigen en bij de maatschappij.

Gelet op de ernst van de feiten en straffen die in soortgelijke gevallen plegen te worden opgelegd zou in beginsel oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enige duur, zoals in eerste aanleg ook is gebeurd, gerechtvaardigd zijn.

In strafmatigende zin houdt het hof echter rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals die door de raadsvrouw ter terechtzitting in hoger beroep naar voren zijn gebracht en zoals die blijken uit de e-mails van de IPTA-coach van de verdachte van de gemeente Rotterdam van

14 januari 2026 en 13 april 2026. Sinds zijn terugkeer in de maatschappij heeft de verdachte aantoonbaar en consistent laten zien dat hij zich volledig inzet om zijn leven een positieve wending te geven. Hij heeft een kamer kunnen betrekken binnen een beschermd wonen traject en houdt zich daar aan de afspraken. Er is een uitkering aangevraagd, de verdachte is aangemeld voor ondersteuning bij zijn schulden-problematiek en hij is gestart met parttime werk. De verdachte toont zich gemotiveerd om zijn leven duurzaam op orde te krijgen. De oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou een zeer ontwrichtend effect hebben op de positieve ontwikkeling die nu zichtbaar is, aldus de IPTA-coach.

Op grond van deze informatie heeft het hof de indruk gekregen dat de verdachte een begin heeft gemaakt met een positieve ontwikkeling in zijn leven om onder meer te bewerkstelligen dat hij niet meer met justitie in aanraking komt. Het hof wil deze positieve gedragsverandering niet doorkruisen en ziet (onder meer) hierin reden de verdachte een taakstraf en een grotendeels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen (waarvan hij het onvoorwaardelijke deel reeds in voorarrest heeft uitgezeten), die mede kan dienen als stok achter de deur voor de momenten dat de verdachte in de verleiding komt in zijn oude gedrag te vervallen. Het is mede in het belang van de maatschappij dat de verdachte daadwerkelijk een bestendige positieve wending aan zijn leven weet te geven, omdat daarmee het gevaar op herhaling van het plegen van soortgelijke misdrijven wordt beperkt. Het hof ziet daarom – met de advocaat-generaal – aanleiding om ten voordele van de verdachte tot een andere strafoplegging te komen dan de rechtbank.

Het hof acht, alles afwegende, een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur en een taakstraf van de maximale duur, te weten 240 uren, passend en geboden.

Vorderingen tot tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam van 18 augustus 2021 (parketnummer 10-063956-21) opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen en de bij vonnis van de politierechter van de rechtbank Rotterdam van 18 november 2022 (parketnummer 10-220077-22) opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand gevorderd. Deze vorderingen zijn in hoger beroep opnieuw aan de orde.

De advocaat-generaal heeft op de terechtzitting in hoger beroep gevorderd deze vorderingen af te wijzen. Ook de raadsvrouw heeft het hof verzocht deze vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen.

Gelet op de hiervoor beschreven actuele positieve ontwikkelingen in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte acht het hof in dit specifieke geval termen aanwezig om de vorderingen tot

tenuitvoerlegging, in lijn met de vordering van de advocaat-generaal en het verzoek van de raadsvrouw, af te wijzen.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en de beslissing op de vorderingen tot tenuitvoerlegging en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 237 (tweehonderdzevenendertig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.

Wijst af de vordering van de officier van justitie van het arrondissementsparket in Amsterdam van 23 februari 2024, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam van 18 augustus 2021 (parketnummer 10-063956-21) voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht en een proeftijd van 2 jaren.

Wijst af de vordering van de officier van justitie van het arrondissementsparket in Amsterdam van 23 februari 2024, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter van de rechtbank Rotterdam van 18 november 2022 (parketnummer 10-220077-22) voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van één maand.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R. van der Heijden, mr. B.A.A. Postma en mr. J.F. van Halderen, in tegenwoordigheid van mr. S. Bonset, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

28 april 2026.

De voorzitter en de jongste raadsheer zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. S. Bonset

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand