ECLI:NL:GHAMS:2026:1137

ECLI:NL:GHAMS:2026:1137

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 14-04-2026
Datum publicatie 30-04-2026
Zaaknummer 200.349.861
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

De bestuurder en toenmalig (indirect) enig aandeelhouder van appellante is in een echtscheidingsprocedure verwikkeld geraakt. Op dat moment had de eenmanszaak van zijn toenmalige echtgenote een rekening-courantschuld aan appellante. De vordering van appellante tot betaling van dat bedrag is toewijsbaar. De overige vorderingen van appellante zijn niet toewijsbaar.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

team I (handel)

zaaknummer : 200.349.861/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/727959 / HA ZA 23-40

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 14 april 2026

in de zaak van

[appellant] ,

gevestigd te [plaats] ,

appellante,

advocaat: mr. R. van Biezen te 's-Gravenhage,

tegen

[geïntimeerde] h.o.d.n. [geïntimeerde] ,

wonende te [plaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam.

Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

1. De zaak in het kort

De bestuurder en toenmalig (indirect) enig aandeelhouder van [appellant] was gehuwd met [geïntimeerde] . Zij zijn in 2020 in een echtscheidingsprocedure verwikkeld geraakt. Op dat moment had de eenmanszaak van [geïntimeerde] een rekening-courantschuld van € 144.892 aan [appellant] . De vordering van [appellant] tot betaling van dat bedrag is toewijsbaar. De overige vorderingen van [appellant] zijn niet toewijsbaar.

2. Het geding in hoger beroep

[appellant] is bij dagvaarding van 11 september 2024 in hoger beroep gekomen van de vonnissen van 19 april 2023 (comparitievonnis), 19 juli 2023 en 12 juni 2024 van de rechtbank Amsterdam, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellant] als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde.

Bij tussenarrest van 4 februari 2025 is een mondelinge behandeling na aanbrengen gelast. Deze zitting is niet doorgegaan.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord, met producties.

Op 27 januari 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarbij is de zaak toegelicht door mr. Van Biezen voornoemd namens [appellant] en door mr. T.C. van Wagensveld te [plaats] namens [geïntimeerde] . Mr. Van Wagensveld heeft gebruikgemaakt van spreekaantekeningen die hij heeft overgelegd. Ter gelegenheid van deze mondelinge behandeling zijn nog producties in het geding gebracht: door [appellant] productie 5 en door [geïntimeerde] de producties 5 en 7 tot en met 10.

Ten slotte is arrest gevraagd.

3. Feiten

Het hof gaat uit van de volgende feiten, met inachtneming van de bezwaren van [appellant] tegen de feitenvaststelling door de rechtbank.

[appellant] houdt zich bezig met onder meer (organisatie)advies, opleidingen en trainingen. [naam 1] (hierna: [naam 1] ) was in het voor dit geding relevante tijdvak via [bedrijf 1] . (hierna: [bedrijf 1] ) enig aandeelhouder en bestuurder van [appellant] .

[geïntimeerde] drijft sinds 2010 een eenmanszaak onder de naam [geïntimeerde] Opleidingen (hierna ook: de eenmanszaak of [bedrijf 2] ). [bedrijf 2] houdt zich bezig met (organisatie-)advies, opleidingen en trainingen.

[naam 1] en [geïntimeerde] waren in algehele gemeenschap met elkaar gehuwd.

[appellant] bankierde bij ABN AMRO. In 2013 heeft deze bank het krediet van [appellant] opgezegd. Dit heeft geleid tot een procedure tussen [appellant] en ABN AMRO. Dit geschil is in inmiddels tot een einde gekomen.

[appellant] heeft [bedrijf 2] in de jaren 2014, 2015 en 2016 ieder kwartaal een factuur gestuurd. Het factuurbedrag hiervan bedraagt voor de eerste drie kwartalen van deze jaren € 36.300 (inclusief btw). Het factuurbedrag voor het vierde kwartaal van deze jaren bedraagt respectievelijk (steeds inclusief btw): € 38.720 (2014), € 32.016,60 (2015) en € 39.930 (2016). De omschrijving van alle facturen luidt: ‘Management Fee de drie bedrijven’, waarna een of meerdere projectnamen worden toegevoegd.

[bedrijf 2] heeft al deze facturen betaald.

Tussen [appellant] en [bedrijf 2] bestond een rekening-courantverhouding. In de jaren 2013 tot en met 2016 bedroeg de rekening-courantschuld van [bedrijf 2] aan [appellant] op de balansdatum tussen € 0 en € 23.000. Vanaf 2017 liep de rekening-courantschuld van [bedrijf 2] aanzienlijk op (zie 3.9 en 3.10 hierna).

Op 8 februari 2018 heeft de fiscaal adviseur en boekhouder mr. A. Bolderdijk (hierna: Bolderdijk) een rekening-courantovereenkomst, gedateerd 1 januari 2013, in concept aan [naam 1] en [geïntimeerde] gestuurd met de woorden: ‘Laat maandag even weten wat je er van vindt.’

[appellant] heeft [bedrijf 2] facturen gestuurd voor de jaren 2017, 2018 en 2019, te weten:

jaar

datum

factuur

betreft

omschrijving

bedrag in € (excl. btw)

bedrag in € (incl. btw)

r/c einde jaar

2017

31-12-2017

werkz. 2017

Festival of Older People Management

95.000,--

114.950,--

114.950,--

2018

31-12-2018

werkz. 2018

Opzet Zorg 2punt 0 Cultuurstudies Zorg Management

100.000,--

121.000,--

95.713,--

2019

31-12-2019

werkz. 2019

Opzet Zorg 2punt 0 Cultuurstudies Zorg Management

161.386,06

195.277,06

144.892,--

In de jaarrekeningen 2017, 2018 en 2019 van [bedrijf 2] is onder ‘kortlopende schulden’ een post ‘rekening courant [appellant] BV’ opgenomen, waarbij de bedragen die worden vermeld overeenkomen met de bedragen die hierboven onder 3.9 onder ‘r/c ultimo jaar’ zijn weergegeven.

De jaarrekeningen 2017 en 2018 van [bedrijf 2] zijn opgesteld door [bedrijf 3] (hierna: [bedrijf 3] ). [bedrijf 3] verzorgde in de jaren 2017-2020 naast de administratie van de eenmanszaak, ook die van [bedrijf 1] en [appellant] . In de jaren vóór 2017 verzorgde Bolderdijk de administratie van [bedrijf 1] en [appellant] .

De jaarrekening 2019 van [bedrijf 2] is in eerste instantie opgesteld door [bedrijf 3] . Hierin is onder de post rekening-courant [appellant] een bedrag van € 144.892 vermeld.

Begin februari 2020 heeft [geïntimeerde] de voormalige echtelijke woning verlaten. Op 7 juli 2020 heeft [geïntimeerde] een verzoek tot echtscheiding bij de rechtbank [plaats] ingediend.

[bedrijf 3] heeft op 10 juli 2020 de onder 3.12 genoemde jaarrekening 2019 van [bedrijf 2] per e-mail aan [naam 1] en [geïntimeerde] gestuurd, met de volgende begeleidende tekst:

‘ [naam 3] / [naam 2] , Aangehecht in concept de jaarrekening 2019 van [bedrijf 2] . Deze is samengesteld op basis van de systematiek dat de winst zoveel mogelijk wordt afgeroomd naar [appellant] /MVO wat dus een besparing ten opzichte van de te betalen inkomstenbelasting. (…)’

Voor het jaar 2019 is een tweede keer een jaarrekening van [bedrijf 2] opgesteld, dit keer door [bedrijf 4] (hierna: [bedrijf 4] ), als nieuwe boekhouder van [bedrijf 2] . Ook in deze jaarrekening is onder de post rekening-courant [appellant] een bedrag van € 144.892 vermeld. Bij e-mail van 28 augustus 2020 heeft [geïntimeerde] deze jaarrekening van [bedrijf 2] met de volgende begeleidende tekst aan [naam 1] en [bedrijf 3] gestuurd:

‘Beste [naam 2] en [naam 4] ,

Bij deze de definitieve jaarrekening 2019 van [bedrijf 2] , waarop ook mijn IB aangifte gebaseerd is. Hierop kunnen jullie de jaarrekeningen [appellant] en MVO aanpassen met de juiste gegevens. (…)’

In de jaarrekening 2020 van [bedrijf 2] is achter ‘R/C [appellant] ’ geen bedrag meer vermeld. Er staat enkel nog een streepje bij zowel het jaar 2019 als het jaar 2020.

[appellant] heeft [bedrijf 2] op 8 oktober 2021 over het jaar 2020 een factuur gestuurd met factuurdatum 01-01-2021 voor een bedrag van € 121.000 (inclusief btw) met de vermelding: ‘voorschot op helft winst 2020.’

Tussen [naam 1] en [geïntimeerde] zijn verschillende procedures aanhangig (geweest) over de afwikkeling van de echtscheiding. Op 18 oktober 2022 heeft dit gerechtshof een beschikking gegeven in een procedure tussen [naam 1] (verzoeker in hoger beroep) en [geïntimeerde] (verweerster in hoger beroep) inzake onder meer het verzoek van [naam 1] tot betaling van partneralimentatie door [geïntimeerde] . In de beschikking is onder 2.6 het volgende vermeld:

‘(…) Het hof verwijst in dit verband naar de beschikking van 16 september 2020 van de rechtbank [plaats] betreffende de voorlopige voorzieningen van partijen, waarin wordt overwogen dat tussen partijen niet in geschil is dat zij tijdens het huwelijk gewoon waren om een deel van de omzet uit de onderneming van de vrouw over te hevelen naar de vennootschappen van de man uit fiscale overwegingen (…)’

Bij beschikking van 16 januari 2024 heeft dit gerechtshof geoordeeld over de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap die tussen [naam 1] en [geïntimeerde] heeft bestaan. Het hof heeft onder meer geoordeeld (onder 5.3.22):

‘Indien en voor zover alsnog in rechte komt vast te staan dat de vrouw/ [bedrijf 2] op de peildatum een schuld had aan [appellant] BV dan wel [naam 1] Informatie Management BV, betreft dit op grond van artikel 1:94 (oud) BW een schuld van de huwelijksgemeenschap, welke schuld partijen, conform het wettelijk uitgangspunt, in hun onderlinge verhouding in beginsel bij helfte dienen te dragen.’

Verder heeft het hof in voormelde beschikking geoordeeld (onder 5.3.24) dat een verdeling aan de orde is, waarbij ieder van partijen de helft van de aandelen in [bedrijf 1] wordt toebedeeld. Het cassatieberoep van [naam 1] tegen deze beschikking is afgewezen.

4. Procedure bij de rechtbank

De rechtbank heeft de vorderingen van [appellant] als volgt weergegeven in het tussenvonnis van 19 juli 2023:

‘ [appellant] vordert – samengevat – dat de rechtbank bij voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

1. voor recht verklaart dat [geïntimeerde] vanaf 2020 jaarlijks een deel van haar winst aan [appellant] moet afstaan als vergoeding voor het gebruik van de onderneming van [appellant] , voor het gebruik van de contacten en voor het gebruik van de kennis;

2. [geïntimeerde] veroordeelt tot betaling aan [appellant] van € 265.892, vermeerderd met de wettelijke handelsrente;

3. [geïntimeerde] gelast binnen veertien dagen na het vonnis aan [appellant] de jaarrekeningen 2020 en 2021 over te leggen, inclusief gespecificeerde opgave van alle balansposten en verlies- en winstposten en onderliggende stukken om de zakelijkheid daarvan vast te stellen, op straffe van een dwangsom;

4. [geïntimeerde] veroordeelt in de proceskosten, inclusief de nakosten, en rente.’

De rechtbank heeft op 19 juli 2023 een tussenvonnis gewezen met een bewijsopdracht aan [appellant] . [appellant] heeft daarna schriftelijk bewijs overgelegd en drie getuigen voorgebracht: Bolderdijk, W.A. Houtzager (vriend van [naam 1] ) en [naam 1] . Na conclusies na enquête, heeft de rechtbank bij eindvonnis van 12 juni 2024 de vorderingen van [appellant] afgewezen, met veroordeling van [appellant] in de (na)kosten. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat, als volgt overwogen. De rechtbank heeft [appellant] in de onderhavige procedure opgedragen te bewijzen dat [appellant] met [geïntimeerde] heeft afgesproken dat [geïntimeerde] de overtollige winst in de eenmanszaak afstaat aan [appellant] , als vergoeding voor het gebruik van de onderneming van [appellant] , waaronder het gebruik van de relaties, contacten, reputatie en publicaties van [naam 1] , en dat tegenover deze vergoeding geen verplichting voor [appellant] bestaat om hiervoor werkzaamheden te verrichten (2.1). Dit bewijs is niet geleverd (2.14). Het voorgaande betekent dat de vorderingen een deugdelijke feitelijke grondslag missen. Dit oordeel sluit ook aan bij het gegeven dat [naam 1] in de echtscheidingsprocedure het standpunt had ingenomen dat [bedrijf 2] moet worden gewaardeerd zónder dat rekening hoeft te worden gehouden met enige financiële verplichting jegens [appellant] (2.15).

5. Vordering in hoger beroep

[appellant] heeft in hoger beroep geconcludeerd dat het hof de vonnissen van 19 juli 2023 en 12 juni 2024 vernietigt en, uitvoerbaar bij voorraad, haar vorderingen alsnog toewijst en [geïntimeerde] veroordeelt tot terugbetaling (met rente) van alles wat [appellant] ter uitvoering van de bestreden vonnissen heeft voldaan, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties, met nakosten en rente.

[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van de bestreden vonnissen, met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van [appellant] in de proceskosten in hoger beroep.

6. Beoordeling

Inleiding

[appellant] heeft diverse ongenummerde grieven gericht tegen de bestreden vonnissen. Hierna komt per vordering van [appellant] aan de orde wat in de memorie van grieven is aangevoerd. Daarbij ziet het hof aanleiding de beoordeling te beginnen bij de vordering onder 2 van [appellant] .

De vordering onder 2 van [appellant]

het bedrag van € 144.892 (rekening-courantschuld)

[appellant] stelt dat zij aanspraak heeft op aflossing van de rekening-courantschuld van [bedrijf 2] van € 144.892. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat [appellant] zich op een erkende rekening-courantschuld beroept. Volgens [appellant] heeft [geïntimeerde] de schuld erkend in haar e-mail van 28 augustus 2020, in samenhang met onder meer de door [bedrijf 4] opgestelde jaarrekening 2019 van [bedrijf 2] , en doordat [geïntimeerde] zelf haar IB-aangiften liet opstellen, zelf haar handtekening plaatste op de belastingaangiften, en [geïntimeerde] werd meegenomen in de correspondentie van de boekhouders. [appellant] benadrukt in dit verband het relatieve belang van de verklaringen van [naam 1] in de verschillende procedures die aanhangig zijn (geweest) over de afwikkeling van de echtscheiding. Dit omdat [appellant] geen partij was in die procedures. [appellant] wijst erop dat de vennootschap haar eigen vennootschappelijke belangen heeft, die losstaan van de belangen van de natuurlijke personen [naam 1] en [geïntimeerde] . Bij een faillissement van [appellant] zou de curator ook hebben aangedrongen op aflossing van de rekening-courantschuld, aldus [appellant] .

Het standpunt van [geïntimeerde] luidt, samengevat, als volgt. In het verleden zijn, zonder enige contractuele afspraak en enkel om tot fiscale optimalisatie te komen, door de toenmalige gezamenlijke boekhouder bedragen in rekening-courant geboekt. Aangezien deze bedragen deels in rekening-courant werden geboekt ontstond op papier een vordering van [appellant] op [bedrijf 2] , zonder dat daadwerkelijk iets verschuldigd was. Meer in het bijzonder voert [geïntimeerde] , samengevat in nr. 14 van de memorie van antwoord, het volgende aan:

‘(…) Kort gezegd wordt het bedrag betwist omdat er geen (deugdelijke) grondslag voor de vordering bestaat, onder andere omdat:

a. a) niet is overeengekomen dat [geïntimeerde] de ‘overwinst’ aan [appellant] moest afstaan;

b) er geen geldige overeenkomst tot stand kan zijn gekomen, omdat geen overeenstemming of onvoldoende duidelijkheid of bepaalbaarheid bestaat, oftewel dat op essentiële punten wilsovereenstemming ontbreekt;

c) de boekingen uitsluitend hebben plaatsgevonden met fiscale oogmerken;

d) de vordering het saldo is van de facturen over 2017, 2018 en 2019, waarvoor geldt dat [geïntimeerde] slechts achteraf en onjuist opgestelde facturen heeft ontvangen;

e) de hoogte van de gepretendeerde vordering bepaald is door [naam 1] met de boekhouder, zonder instemming van [geïntimeerde] ;

f) er geen rekening-courant overeenkomst is gesloten;

g) [geïntimeerde] gemotiveerd heeft aangegeven dat bij gebrek aan andere informatie, de door haar ingeschakelde boekhoudster in eerste instantie is uitgegaan van de cijfers als aangeleverd door de boekhouder van [naam 1] , maar dat dit geen erkenning betreft.’

Het hof stelt bij de beoordeling voorop dat het antwoord op de vraag of een overeenkomst is tot stand gekomen die [geïntimeerde] verplicht de rekening-courantschuld af te lossen, afhankelijk is van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mochten afleiden. Aanbod en aanvaarding hoeven niet uitdrukkelijk plaats te vinden; zij kunnen in elke vorm geschieden en kunnen besloten liggen in een of meer gedragingen (zie de artikelen 3:33, 3:35 en 3:37 lid 1 BW).

Het hof laat in het midden wanneer de onder 3.9 hiervoor genoemde facturen aan [geïntimeerde] zijn gestuurd en of deze facturen juist waren. Ook als deze facturen pas op 8 oktober 2021 zijn gestuurd, en niet juist waren, zoals [geïntimeerde] betoogt, is haar betwisting van de vordering van [appellant] tot betaling van € 144.892 ongegrond. Het hof zal dat toelichten.

Tussen partijen is niet in geschil dat vanaf 2014 tot en met 2019 de winst van [bedrijf 2] is afgeroomd, in die zin dat een overdracht heeft plaatsgevonden van een deel van de winst van [bedrijf 2] aan [appellant] . De beweegredenen daarvoor kunnen in het midden blijven. Het hof volgt namelijk niet het betoog van [geïntimeerde] dat deze winstafdracht alleen een papieren constructie betrof, en niet tot een daadwerkelijke betalingsverplichting heeft geleid. Het betoog van [geïntimeerde] dat geen daadwerkelijke betalingsverplichting in het leven is geroepen, strookt immers niet met wat uit de feitenvaststelling onder 3 hiervoor volgt, te weten dat de winstafdracht vanaf het jaar 2014 aanvankelijk met daadwerkelijke fysieke betalingen gepaard ging en voor de jaren 2017, 2018 en 2019 voornamelijk met boekingen in rekening-courant waardoor uiteindelijk een vordering van [appellant] van € 144.892 op [bedrijf 2] ontstond. [geïntimeerde] heeft ter zitting van het hof ook bevestigd dat in verband met de winstafdracht daadwerkelijk bedragen aan [appellant] zijn betaald. Daarnaast is de betwiste vordering in hoofdzaak ontstaan in de periode van boekhouder [bedrijf 3] . In deze procedure is een rapportage van [bedrijf 3] overgelegd (productie 4 bij conclusie van antwoord) waarin in lijn met het voorgaande is vermeld:

‘Qua winstverdeling hielden partijen er de volgende systematiek op na. De eenmanszaak stuurt de facturen en maakt als onderneming een gezonde winst. Deze winst wordt voor een groot deel afgeroomd naar de vennootschappen van de heer [naam 1] (…). De winstoverheveling vond in veel gevallen middels daadwerkelijke fysieke betalingen plaats maar daarnaast was er ook nog sprake van vordering op basis van de overheveling. Op 31 december 2019 bedroeg dit bedrag 144,892.’

Het betoog van [geïntimeerde] dat de winstafdracht alleen door [naam 1] en de boekhouder is uitgevoerd, vindt evenmin steun in de feiten. In de jaarrekeningen van [bedrijf 2] , waarvoor [geïntimeerde] verantwoordelijk was, werd de vordering van [appellant] immers in aftrek gebracht op de winst van [bedrijf 2] , en er werd overeenkomstig belastingaangifte gedaan door [appellant] én [geïntimeerde] . Hieraan verbindt het hof daarnaast de conclusie dat [geïntimeerde] , anders dan zij stelt, wel degelijk (impliciet) heeft ingestemd met de hoogte van de vordering. In dit verband is illustratief dat [geïntimeerde] bij e-mail van 28 augustus 2020 de door [bedrijf 4] opgestelde jaarrekening van [bedrijf 2] over 2019 aan [appellant] stuurde met de woorden: ‘Bij deze de definitieve jaarrekening 2019 van [bedrijf 2] , waarop ook mijn IB aangifte gebaseerd is. Hierop kunnen jullie de jaarrekeningen [appellant] en MVO aanpassen met de juiste gegevens.’

Daarbij waren de verplichtingen die partijen op zich hebben genomen voldoende bepaalbaar, ook voor [geïntimeerde] . Ook dat volgt, onder meer, uit voormelde e-mail van 28 augustus 2020.

Uit de daadwerkelijke betalingen die vanaf 2014 door [bedrijf 2] zijn verricht, de boekingen in rekening-courant, de verdere inhoud van de jaarrekeningen van [bedrijf 2] , en het feit dat beide partijen dienovereenkomstig belastingaangifte hebben gedaan, kan in redelijkheid worden afgeleid dat hun wil erop was gericht dat een af te lossen rekening-courantschuld ter grootte als vermeld in de jaarrekeningen van [bedrijf 2] ontstond. [appellant] mocht dat ook zo begrijpen. Anders dan [geïntimeerde] meent, is tegen deze achtergrond van onvoldoende gewicht dat [naam 1] en [geïntimeerde] in algehele gemeenschap van goederen waren gehuwd of dat [naam 1] in de echtscheidingsprocedure bij de waardering van [bedrijf 2] (en [bedrijf 3] in zijn advies daarover) geen rekening heeft gehouden met deze schuld van [bedrijf 2] aan [appellant] .

De rekening-courantschuld bedroeg uiteindelijk € 144.892, zo wordt bevestigd in de jaarrekening 2019 van [bedrijf 2] waarin deze schuld aan [appellant] met deze omvang is opgenomen. [appellant] heeft aanspraak op betaling van dat bedrag. [geïntimeerde] heeft hier onvoldoende tegenovergesteld. De enkele verklaring ter zitting in hoger beroep dat [geïntimeerde] over de jaren 2019 en 2020 inkomstenbelasting over de volledige winst van [bedrijf 2] heeft betaald, is daartoe, zonder nadere toelichting (die ontbreekt), in elk geval niet toereikend.

Volgens [geïntimeerde] leveren de afspraken tussen [appellant] en [geïntimeerde] een overeenkomst met een ongeoorloofde oorzaak op die op grond van artikel 3:40 lid 1 BW nietig is. Er is echter onvoldoende gesteld of gebleken over de concrete achtergrond van de jaarlijks overeengekomen winstafdracht om vast te stellen dat sprake was van overeenkomsten die in strijd zijn met de openbare orde als in artikel 3:40 lid 1 BW bedoeld, zoals uitgewerkt in de gezichtspuntencatalogus van HR 1 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU5609. Overigens is naast de door [appellant] verschuldigde vennootschapsbelasting door de natuurlijke persoon die (al dan niet middellijk, via [bedrijf 1] ) haar aandeelhouder is ook nog inkomstenbelasting (in box 2) verschuldigd over door deze genoten winstuitdelingen en eventuele vervreemdingsvoordelen. Voor zover [geïntimeerde] met haar grief bedoelt te stellen dat voor de afspraken die hebben geleid tot de rekening-courantschuld de noodzakelijke wilsovereenstemming ontbrak en deze enkel werden gefingeerd (schijnhandeling) faalt dit gelet op hetgeen eerder in dit arrest is overwogen.

Daarnaast betwist [geïntimeerde] dat de vordering tot betaling van € 144.892 opeisbaar is. Hierover oordeelt het hof als volgt. Als productie 29 heeft [appellant] in eerste aanleg een kopie overgelegd van een rekening-courantovereenkomst, gedateerd 1 januari 2013, voorzien van een handtekening onder de naam [appellant] , respectievelijk [geïntimeerde] . Deze overeenkomst is in 2018 aan [naam 1] en [geïntimeerde] gestuurd (zie 3.8 hiervoor). Deze overeenkomst regelt in de artikelen 7 en 8 de opeisbaarheid. [geïntimeerde] betwist dat deze overeenkomst in 2013 door haar is ondertekend. Ter zitting in eerste aanleg heeft zij verklaard deze overeenkomst alleen als concept te kennen. Ter zitting in hoger beroep heeft zij toegelicht dat zij de echtheid van de namens haar op deze overeenkomst geplaatste handtekening betwist. Ter zitting van het hof bevestigde haar advocaat dat er wel een rekeningcourantverhouding was, maar geen door [geïntimeerde] getekende schriftelijke overeenkomst. [geïntimeerde] acht zich niet gebonden aan de schriftelijke overeenkomst. Het hof zal haar daarin volgen. Dat heeft als consequentie dat moet worden aangenomen dat niets is bepaald over de opeisbaarheid, zodat de vordering tot betaling van € 144.892 terstond opeisbaar is (zie art. 6:38 BW en 6:140 lid 1 BW). De stelling van [geïntimeerde] dat een schriftelijke rekening-courantovereenkomst een fiscaal vereiste is, wat daar ook verder van zij, doet aan het voorgaande niet af.

[geïntimeerde] heeft nog aangevoerd dat als [bedrijf 2] enig bedrag verschuldigd is, dat aan [bedrijf 1] toekomt, omdat niet [appellant] maar [bedrijf 1] schuldeiser is. Het hof volgt dat betoog niet, gelet op al hetgeen eerder in dit arrest is overwogen. Bovendien is het bedrag van € 144.892 in de jaarrekening 2019 van [bedrijf 2] geboekt onder de titel ‘R/C [appellant] ’

De slotsom van het voorgaande is dat de vordering tot betaling van € 144.892 toewijsbaar is. In zoverre treffen de grieven van [appellant] doel.

het bedrag van € 121.000 (schadevergoeding)

[appellant] stelt daarnaast aanspraak te hebben op schadevergoeding van € 121.000. Zij legt daaraan ten grondslag dat sprake was van een samenwerking tussen [appellant] en [geïntimeerde] en dat [geïntimeerde] die samenwerking niet zomaar in 2020 mocht opzeggen (zie nr. 16 van de memorie van grieven). Deze vordering slaagt niet. Het hof zal dat toelichten.

In de kern komt de beslissing van de rechtbank erop neer dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om aan te nemen dat sprake was van een samenwerking tussen [appellant] en [geïntimeerde] in de door [appellant] bedoelde zin, inhoudende dat [geïntimeerde] de overtollige winst in [bedrijf 2] zou afstaan aan [appellant] als vergoeding voor het gebruik van de onderneming van [appellant] , waaronder het gebruik van de relaties, contacten, reputatie en publicaties van [naam 1] . De verklaring van [naam 5] , die [appellant] voor het eerst in hoger beroep heeft overgelegd, maakt dat niet anders. Deze verklaring vermeldt een afspraak die in 2015 zou zijn gemaakt tussen [naam 1] en [geïntimeerde] over het tijdelijk laten factureren door [bedrijf 2] van facturen van [appellant] . Dit betreft een andere afspraak dan de afspraak waarop [appellant] zich beroept (zie haar vordering onder 1). Alleen al om deze reden kan in het midden blijven dat [appellant] in deze procedure altijd het standpunt heeft ingenomen dat zij in 2013 afspraken met [geïntimeerde] heeft gemaakt, en niet in 2015 waarover [naam 5] verklaart. Ook overigens is de door [appellant] bedoelde samenwerking niet komen vast te staan. Dat wordt niet anders als alle bewijsmiddelen van [appellant] en hetgeen zij daarover verder in eerste aanleg en in hoger beroep naar voren heeft gebracht in onderling verband en samenhang worden beschouwd. Ook overigens is onvoldoende gesteld om te oordelen dat [appellant] aanspraak heeft op schadevergoeding wegens opzegging van enige samenwerking.

In dit geding is enkel komen vast te staan dat vanaf 2014 tot en met 2019 jaarlijks een winstafdrachtafspraak is gemaakt. Gesteld noch gebleken is dat deze winstafdracht ook voor het jaar 2020 is overeengekomen. Integendeel. Namens [appellant] is ter zitting van het hof bevestigd dat voor het jaar 2020 niets was geregeld. Ten aanzien van de vordering tot betaling van € 121.000 treffen de grieven ook anderszins geen doel.

Het bedrag van € 121.000 is dus niet toewijsbaar.

De vorderingen onder 1 en 3 van [appellant]

Zoals hiervoor is toegelicht, is niet komen vast te staan dat [appellant] en [geïntimeerde] hebben afgesproken dat [geïntimeerde] vanaf 2020 jaarlijks een deel van haar winst aan [appellant] moet afstaan als vergoeding voor het gebruik van de onderneming van [appellant] , voor het gebruik van de contacten en voor het gebruik van de kennis. De vorderingen onder 1 en 3 van [appellant] zijn daarom niet toewijsbaar. De daarop gerichte grieven slagen niet.

Afronding en rente

Het voorgaande betekent dat enkel de vordering tot betaling van (in hoofdsom) € 144.892 toewijsbaar is.

De wettelijke handelsrente van artikel 6:119a BW is niet van toepassing op de aanspraak van [appellant] tot aflossing van de rekening-courantschuld. Voor de ingangsdatum van de wel van toepassing zijnde (gewone) wettelijke rente van artikel 6:119 BW sluit het hof aan bij de dag van uitbrengen van de inleidende dagvaarding. Dit omdat onvoldoende aanknopingspunten bestaan voor een eerdere ingangsdatum.

Hetgeen [appellant] meer of anders heeft gevorderd, komt het hof ongegrond voor en zal worden afgewezen.

[appellant] heeft in eerste aanleg buitengerechtelijke kosten gevorderd. Het hof gaat ervan uit dat deze vordering is gehandhaafd en overweegt daarover als volgt. Er is onvoldoende gesteld voor het oordeel dat meer of andere werkzaamheden zijn verricht dan waarvoor de hierna te bespreken proceskostenveroordeling een vergoeding pleegt te omvatten. De buitengerechtelijke kosten zijn daarom niet toewijsbaar.

Het hoger beroep is gelet op al het voorgaande deels succesvol. Het bestreden vonnis zal worden vernietigd. Voor de leesbaarheid zal het hof een nieuw dictum formuleren.

Aan (tegen)bewijslevering wordt niet toegekomen zoals uit dit arrest volgt.

De vordering onder 4 van [appellant]

[appellant] vordert [geïntimeerde] te veroordelen in de proceskosten. [geïntimeerde] is overwegend in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten van het geding in beide instanties. Daarbij wordt het salaris advocaat afgestemd op het toewijsbaar geoordeelde bedrag van in hoofdsom € 144.892. Het hof stelt de proceskosten van [appellant] aldus als volgt vast:

eerste aanleg

- explootkosten € 110,39

- griffierecht € 5.737,00

- salaris advocaat € 7.716,00 (tarief V × 4 punten)

- getuigen taxe € 38,00

Totaal € 13.601,39

hoger beroep

- explootkosten € 115,84

- griffierecht € 6.803,00

- salaris advocaat € 7.594,00 (tarief V × 2 punten)

Totaal € 14.512,84

7. Beslissing

Het hof:

vernietigt het bestreden eindvonnis van 12 juni 2024 en doet opnieuw recht:

veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan [appellant] van € 144.892, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 22 december 2022;

veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties. De kosten voor de eerste aanleg worden tot nu vastgesteld op € 13.601,39, en de kosten voor het hoger beroep op € 14.512,84, beide bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente als niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de proceskostenveroordeling is voldaan;

veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van € 189 voor nasalaris, te vermeerderen met € 98 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot als betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente als niet binnen veertien dagen na het verschuldigd worden van de nakosten aan deze veroordeling is voldaan;

veroordeelt [geïntimeerde] al hetgeen [appellant] ter uitvoering van het eindvonnis van 12 juni 2024 aan [geïntimeerde] heeft betaald aan [appellant] terug te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de dag van die betaling tot de dag van terugbetaling;

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.M. Korsten-Krijnen, R.M. de Winter en J-P.R. van den Berg en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 14 april 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand