ECLI:NL:GHAMS:2026:1166

ECLI:NL:GHAMS:2026:1166

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 10-04-2026
Datum publicatie 30-04-2026
Zaaknummer 200.357.809
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Bekrachtiging ontslag bestuurders stichting en bekrachtiging afwijzing verzoek tot wijziging statuten. Artikel 2:298 BW. Gewichtige redenen voor ontslag van alle zittende bestuurders. Geen bestuursverbod. Benoeming nieuwe bestuurder. Artikel 2:294 BW. Niet is gebleken dat ongewijzigde handhaving van de statuten zou leiden tot gevolgen die bij de oprichting niet zijn gewild.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

zaaknummer : 200.357.809/01

zaaknummer rechtbank : C/13/731810 / HA RK 23-108

beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 10 april 2026

inzake

1. [verzoekers 1] ,

wonend te [plaats 1] ,

2. [verzoekers 2],

wonend te [plaats 2] ,

3. [verzoekers 3]

[verzoekers 3] ,

gevestigd te [plaats 3] ,

verzoekers in principaal hoger beroep, tevens verweerders in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. G.C. Endedijk te Amsterdam,

tegen

[verweerster 1] ,

wonend te [plaats 4] ,

verweerster in principaal hoger beroep, tevens verzoekster in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. S. Knottnerus te Amsterdam,

belanghebbenden:

1. [belanghebbende 2] .,

gevestigd te [plaats 3] ,

advocaat: mr. M.P.H. Sanders te Amsterdam,

2. [belanghebbende] ,

gevestigd te [plaats 5] ,

tevens verzoekster in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. J. Stikkelbroeck te Amsterdam,

3. [belanghebbende 4] ,

wonend te [plaats 1] ,

advocaat: mr. S. Knottnerus te Amsterdam,

4. [belanghebbende 1] ,

wonend te [plaats 6] ,

advocaat: mr. Ph.A.J. Raaijmaakers te Amsterdam,

5. [belanghebbende 3] ,

wonend te [plaats 7] ,

advocaat: mr. J. Stikkelbroeck te Amsterdam,

6. [belanghebbende 5],

kantoorhoudend te [plaats 3] .

Partijen worden hierna als volgt aangeduid:

- verzoekers in principaal hoger beroep: respectievelijk [verzoekers 1] , [verzoekers 2] en [verzoekers 3] , en samen: [verzoeksters] ;

- verweerster in principaal hoger beroep: [verweerster 1] ;

- de belanghebbenden: [belanghebbende 2] , [belanghebbende] , [belanghebbende 4] , [belanghebbende 1] , [belanghebbende 3] en [belanghebbende 5] ;

- [verweerster 1] , [belanghebbende] , [belanghebbende 4] en [belanghebbende 3] samen: [verzoeksters]

1. De zaak in het kort

[verzoekers 1] , [verzoekers 2] en [verweerster 1] zijn de bestuurders van [verzoekers 3] . [verzoekers 3] houdt de aandelen in het kapitaal van [belanghebbende 2] . De certificaten van aandelen worden gehouden door [belanghebbende] , [verweerster 1] , [belanghebbende 4] en [belanghebbende 1] . Binnen het bestuur van [verzoekers 3] en tussen de certificaathouders van [verzoekers 3] , bestaan grote verschillen van mening, waarover verschillende procedures aanhangig zijn. In de bestreden eindbeschikking heeft de rechtbank alle bestuurders van [verzoekers 3] op de voet van artikel 2:298 lid 1 BW ontslagen en een verzoek tot wijziging van de statuten van [verzoekers 3] op de voet van artikel 2:294 BW afgewezen. Het hof bekrachtigt deze beslissingen.

2. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Op 29 oktober 2025 heeft het hof een beschikking gewezen waarin is beslist op incidentele verzoeken strekkende tot het treffen van voorzieningen. Voor het verloop van het geding in hoger beroep tot 29 oktober 2025 verwijst het hof naar die beschikking (ECLI:NL:GHAMS: 2025:3793). In de beschikking van 29 oktober 2025 is het [verzoeksters] – uitvoerbaar bij voorraad – voor de duur van het geding in hoger beroep verboden om in de vergadering van certificaathouders te besluiten tot decertificering en ontbinding van [verzoekers 3] . De verzochte voorlopige voorziening om [verweerster 1] voor de duur van het geding te schorsen als bestuurder van [verzoekers 3] , is afgewezen.

Op 25 november 2025 is een verweerschrift in hoger beroep van [verzoeksters] – tevens incidenteel hoger beroep van [verweerster 1] en [belanghebbende] – ontvangen, met productie A.

Verder zijn de volgende stukken ingediend:

Partijen hebben de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 21 januari 2026 laten toelichten. [verzoeksters] door mr. Endedijk; [verzoeksters] door mr. Knottnerus en mr. Stikkelbroeck; [belanghebbende 2] door mr. Sanders en mr. J.S. Mennema, advocaat te [plaats 3] ; en [belanghebbende 1] door mr. Raaijmaakers, allen aan de hand van overgelegde spreekaantekeningen.

Uitspraak is bepaald op vandaag.

3. Feiten

Het hof heeft in de beschikking van 29 oktober 2025 de feiten vastgesteld die het bij de beoordeling van de incidentele verzoeken tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten dienen het hof ook in deze beschikking tot uitgangspunt, en zullen voor de volledigheid hierna grotendeels worden herhaald. [belanghebbende] en [verweerster 1] hebben in hun incidenteel hoger beroep grieven aangevoerd tegen de door de rechtbank vastgestelde feiten. Het betreft geen feiten die voor de beoordeling van het principaal of incidenteel hoger beroep van belang zijn. [belanghebbende] en [verweerster 1] hebben daarom geen belang bij beoordeling van deze grieven. Aangevuld met andere voor de beoordeling relevante feiten, komen de feiten neer op het volgende.

[verzoekers 3] houdt de aandelen in het kapitaal van [belanghebbende 2] . [verzoekers 3] heeft 3.200 certificaten van aandelen uitgegeven, die in gelijke delen worden gehouden door [belanghebbende] en de familie [belanghebbende 4] . [belanghebbende] houdt 1.600 certificaten, [verweerster 1] houdt 1.596 certificaten en [belanghebbende 4] en [belanghebbende 1] houden ieder twee certificaten. [belanghebbende 4] en [belanghebbende 1] zijn tweelingbroers en de zonen van [verweerster 1] .

[verzoekers 1] , [verzoekers 2] en [verweerster 1] zijn de bestuurders van [verzoekers 3] . [belanghebbende 3] is bestuurder van [belanghebbende] .

[belanghebbende 2] heeft in de kern tot doel het door de families [belanghebbende 4] en [belanghebbende] bijeengevoegde en in vastgoed belegde vermogen te beheren ten behoeve van die families en de door hen aangewezen goede doelen. Het statutaire doel van [verzoekers 3] is:

het verzekeren van de continuïteit in het bestuur en het beleid en ondernemerschap van (…) [belanghebbende 2] , waarbij in redelijkheid rekening zal worden gehouden met de belangen van certificaten van aandelen in de vennootschap en eventuele vruchtgebruikers van deze certificaten.

Binnen het bestuur van [verzoekers 3] en tussen de houders van de certificaten die [verzoekers 3] heeft uitgegeven onderling, bestaan al geruime tijd grote verschillen van mening. Hierover is onder meer dit hoger beroep aanhangig, en een enquêteprocedure bij de Ondernemingskamer, bekend onder zaaknummer 200.325.125. Bij beschikking van 6 juli 2023 heeft de Ondernemingskamer een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van [belanghebbende 2] over de periode vanaf 1 januari 2021. De Ondernemingskamer heeft bij wijze van onmiddellijke voorziening en vooralsnog voor de duur van het geding alle aandelen in [belanghebbende 2] ten titel van beheer overgedragen aan [belanghebbende 5] .

Tijdens een zitting van de Ondernemingskamer op 4 juli 2024 zijn uitgangspunten voor een aanpassing van de governance van [verzoekers 3] besproken (hierna: de Uitgangspunten). Die aanpassing zou moeten worden vormgegeven door een wijziging van de statuten van [verzoekers 3] , met name op het punt van de samenstelling en benoeming van het bestuur. Een door de voorzitter van de Ondernemingskamer opgesteld document waarin de Uitgangspunten zijn verwoord, vermeldt onder meer dat alle betrokkenen het erover eens zijn dat indien de wijziging van de statuten wordt doorgevoerd, er vervolgens op zo kort mogelijke termijn een nieuw bestuur van [verzoekers 3] benoemd moet worden. Partijen zijn er niet in geslaagd uitvoering aan de Uitgangspunten te geven; een nieuw bestuur van [verzoekers 3] is nog steeds niet benoemd.

Er bestaat verschil van mening over de vraag wanneer de statuten van [verzoekers 3] voor het laatst rechtsgeldig zijn gewijzigd, op 7 februari 2017 of op 13 september 2024. In beide versies luidt artikel 18 als volgt:

(…)

Het in artikel 18 lid 2 van de statuten genoemde artikel 13 lid 9 luidt in de versie van 13 september 2024 als volgt:

In de versie van de statuten van 7 februari 2017 komt het zinsdeel “met dien verstande dat ten minste één bestuurder C vóór het betrokken voorstel heeft gestemd” niet voor. Dit zinsdeel is in de versie van 13 september 2024 toegevoegd, na het besluit daartoe in de bestuursvergadering van dezelfde datum.

Op 2 oktober 2025 heeft een vergadering plaatsgevonden van de certificaathouders van [verzoekers 3] , waarbij onder meer voorstellen tot decertificering van aandelen en tot ontbinding van [verzoekers 3] als bedoeld in respectievelijk artikel 18 lid 1 sub a en sub d van de statuten van [verzoekers 3] op de agenda stonden. Besluitvorming kon niet plaatsvinden omdat het volgens de statuten vereiste quorum (alle certificaathouders aanwezig of vertegenwoordigd) niet was behaald. Op verzoek van [belanghebbende] zijn haar voorstellen tot decertificering en ontbinding van [verzoekers 3] opnieuw geagendeerd op 30 oktober 2025, waarbij volgens [verzoeksters] op grond van de door hen voorgestane uitleg van de statuten van [verzoekers 3] geen quorum zou gelden en kon worden besloten met een meerderheid van twee/derde van de uitgebrachte stemmen.

In de tussenbeschikking in deze zaak van 29 oktober 2025 is [verzoeksters] voor de duur van het geding in hoger beroep verboden om in de vergadering van certificaathouders te besluiten tot decertificering en ontbinding van [verzoekers 3] .

4. Eerste Aanleg

Partijen hebben in eerste aanleg over en weer diverse verzoeken gedaan, waarbij ook om voorlopige voorzieningen is verzocht. Voor zover nog van belang in hoger beroep hebben partijen in eerste aanleg het volgende verzocht:

[verzoeksters] hebben verzocht om [verweerster 1] als bestuurder van [verzoekers 3] te ontslaan, dan wel haar te schorsen. [verweerster 1] heeft verzocht om te bepalen dat [verzoekers 1] is gedefungeerd als bestuurder van [verzoekers 3] , dan wel hem te ontslaan, dan wel hem te schorsen, om [verzoekers 2] te ontslaan dan wel te schorsen als bestuurder van [verzoekers 3] en om haarzelf als voorzitter van [verzoekers 3] te benoemen.

In een tussenbeschikking van 20 juli 2023 heeft de rechtbank bij wijze van voorlopige voorziening, voor de duur van het geding, [belanghebbende 5] benoemd als onafhankelijk bestuurder van [verzoekers 3] . [belanghebbende 5] heeft op 9 september 2024 onder meer een verzoek gedaan tot wijziging van de statuten van [verzoekers 3] . Zij heeft verzocht te bepalen dat artikel 18 lid 2 van de statuten van [verzoekers 3] bij statutenwijziging moet worden aangevuld in die zin dat ook in een tweede certificaathoudersvergadering unanimiteit van de aanwezige certificaathouders is vereist voor de in artikel 18 lid 1 van de statuten van [verzoekers 3] opgesomde besluiten.

Hierna hebben [verweerster 1] en [belanghebbende] verzocht om het voltallige bestuur van [verzoekers 3] te ontslaan en één bestuurder C te benoemen. In dat geval zou [verweerster 1] vrijwillig aftreden.

In de eindbeschikking van 15 mei 2025 heeft de rechtbank – voor zover voor dit hoger beroep van belang – [verzoekers 1] , [verzoekers 2] en [verweerster 1] ontslagen als bestuurders van [verzoekers 3] . Samengevat heeft de rechtbank overwogen dat ondanks de benoeming en inzet van een tijdelijke bestuurder, het bestuur er in ruim anderhalf jaar niet in is geslaagd om te voorzien in de eigen opvolging, dat de impasse binnen het bestuur van [verzoekers 3] nog steeds voortduurt en de besluitvorming in [verzoekers 3] volledig stil ligt. De rechtbank heeft H. van Eyck van Heslinga benoemd tot bestuurder C. Verder heeft de rechtbank het verzoek tot wijziging van de statuten afgewezen, waarbij de rechtbank overwoog dat niet is voldaan aan het criterium van artikel 2:294 BW dat ongewijzigde handhaving van de statuten zou leiden tot gevolgen die bij oprichting niet zijn gewild. Deze eindbeschikking is niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

5. Beoordeling

[verzoeksters] komen in principaal hoger beroep op tegen de tussenbeschikkingen van de rechtbank van 20 juli 2023 en 6 maart 2025 en tegen de eindbeschikking van 15 mei 2025. Zij voeren kort gezegd aan dat de rechtbank [verzoekers 1] en [verzoekers 2] ten onrechte als bestuurders van [verzoekers 3] heeft ontslagen en ten onrechte niet tot wijziging van de statuten van [verzoekers 3] heeft besloten. De grieven op het eerste punt worden naar voren gebracht door [verzoekers 1] en [verzoekers 2] en die op het tweede punt door [verzoekers 3] . Het hof zal hierna bij de bespreking van de standpunten gemakshalve in de regel steeds verwijzen naar [verzoeksters]

[verzoeksters] concluderen tot afwijzing van het principaal hoger beroep van [verzoeksters] In incidenteel hoger beroep komen [verweerster 1] en [belanghebbende] op tegen de hiervoor genoemde tussen- en eindbeschikking(en), en ook tegen de tussenbeschikkingen van de rechtbank van 25 januari 2024, 10 oktober 2024 en 3 april 2025. Zij hebben in incidenteel hoger beroep grieven gericht tegen – samengevat – de feitenvaststelling door de rechtbank, de (onjuiste) beoordeling van de verzoeken van [verweerster 1] en de (onjuiste) procedurele beslissingen met betrekking tot de getroffen voorziening(en). Zij concluderen dat het hof moet voorzien in opvolging van het zittende bestuur van [verzoekers 3] , door de zittende bestuurders te ontslaan, één onafhankelijke bestuurder C te benoemen en [belanghebbende 3] als bestuurder A te benoemen. Het hof zal hierna bij de bespreking van de standpunten gemakshalve in de regel steeds verwijzen naar [verzoeksters]

Zowel [verzoeksters] als [verzoeksters] verzoeken het hof zijn beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, en de andere partij(en) hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten.

[belanghebbende 2] en [belanghebbende 1] ondersteunen kort gezegd het standpunt van [verzoeksters] , zowel in het principaal als in het incidenteel hoger beroep.

Voor de beoordeling is niet relevant of de statuten op 13 september 2024 zijn gewijzigd

In een bodemprocedure bij de rechtbank [plaats 3] , bekend onder zaaknummer C/13/776253 / HA ZA 25/1534, hebben [belanghebbende] , [verweerster 1] en [belanghebbende 4] gevorderd om voor recht te verklaren dat bepaalde besluiten van het bestuur van [verzoekers 3] nietig zijn, dan wel deze te vernietigen. Zij hebben daarbij ook gevorderd om voor recht te verklaren dat de op 13 september 2024 gepasseerde akte statutenwijziging van [verzoekers 3] nietig is, dan wel zonder rechtsgevolg, omdat geen rechtsgeldig besluit tot wijziging van de statuten zou zijn genomen. Zoals partijen desgevraagd tijdens de mondelinge behandeling hebben bevestigd, is voor de beoordeling van de verzoeken in deze procedure niet relevant welke versie van de statuten van [verzoekers 3] – die van 7 februari 2017 of van 13 september 2024 – de geldende is. Het hof laat zich daarom in deze procedure niet uit over de rechtsgeldigheid van het op 13 september 2024 genomen besluit tot statutenwijziging.

Het ontslag van de bestuurders blijft in stand

In artikel 2:298 lid 1 BW is (onder meer) bepaald dat een bestuurder op verzoek van een belanghebbende door de rechtbank kan worden ontslagen wegens verwaarlozing van zijn taak, wegens andere gewichtige redenen of wegens ingrijpende wijziging van omstandigheden op grond waarvan het voortduren van zijn bestuurderschap in redelijkheid niet kan worden geduld. Tussen partijen is niet in geschil dat [verzoekers 1] , [verzoekers 2] en [verweerster 1] als bestuurders van [verzoekers 3] over en weer als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt.

Het hof stelt bij de beoordeling voorop dat de bestuurders van [verzoekers 3] zich bij de vervulling van hun taak moeten richten naar het belang van de stichting en de met haar verbonden onderneming of organisatie. Het belang van [verzoekers 3] wordt ingevuld door haar statutaire doelstelling en, als enig aandeelhouder van [belanghebbende 2] , door het bevorderen van het bestendig succes van de door [belanghebbende 2] gedreven onderneming. In de beschikking van 20 juli 2023 heeft de rechtbank overwogen dat partijen het erover eens zijn dat binnen het bestuur van [verzoekers 3] als geheel een onherstelbare vertrouwensbreuk is ontstaan. Dit uit zich in argwaan over en weer en het staat aan het adequaat functioneren van het bestuur in de weg. Het bestuur is daardoor niet meer in staat om zich bij haar taakuitoefening te richten naar de belangen van [verzoekers 3] . De Ondernemingskamer heeft in zijn beschikking van 6 juli 2023 overwogen dat een gezamenlijke vertegenwoordiging van [verzoekers 3] in de algemene vergadering van [belanghebbende 2] niet mogelijk blijkt, waardoor partijen er niet in slagen om tot besluitvorming te komen. Dit terwijl voor de beslissingen die binnen [belanghebbende 2] moeten worden genomen over onder meer het beheer van het gehouden vastgoed en de inrichting en voortzetting van ontwikkelingsactiviteiten, constructief inhoudelijk overleg met haar aandeelhouder ( [verzoekers 3] ) en certificaathouders nodig is. Deze vaststellingen zijn niet (voldoende) gemotiveerd bestreden in dit hoger beroep.

Uit wat partijen hebben aangevoerd, blijkt niet dat de situatie binnen het [verzoekers 3] -bestuur zich inmiddels ten goede heeft gekeerd. Partijen hebben weliswaar in juli 2024 bij de Ondernemingskamer overeenstemming bereikt over de Uitgangspunten, maar daaraan is vervolgens geen uitvoering gegeven. Tijdens de procedure bij de rechtbank is het onderlinge wantrouwen blijven bestaan en lijkt de verdeeldheid over wat het belang van [verzoekers 3] vergt alleen maar te zijn toegenomen; partijen slagen er nog steeds niet in om met elkaar in het belang van (de doelstellingen van) [verzoekers 3] en de continuïteit van [belanghebbende 2] tot vruchtbaar overleg en besluitvorming te komen. De eindbeschikking van de rechtbank heeft daarin geen verandering gebracht. Verder staan inmiddels diverse bestuursbesluiten ter discussie in de onder 5.5 genoemde bodemprocedure. De patstelling binnen het bestuur van [verzoekers 3] duurt dus onverminderd voort.

[verzoeksters] onderkennen dat binnen [verzoekers 3] niet tot besluitvorming kon worden gekomen, maar voeren aan dat dat probleem met de benoeming van [belanghebbende 5] werd opgelost omdat daarmee de impasse in het bestuur werd doorbroken. [verzoeksters] zien echter eraan voorbij dat dit slechts een tijdelijke situatie was. Met de eindbeschikking van de rechtbank van 15 mei 2025 is de benoeming van [belanghebbende 5] als tijdelijk bestuurder geëindigd. Bovendien zijn de bestaande problemen in de periode dat [belanghebbende 5] bestuurder was niet definitief opgelost. Op dit moment is het oude bestuur van [verzoekers 3] nog in functie, omdat de beschikking van de rechtbank niet uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. De situatie is daarmee in wezen niet anders dan voor het moment waarop [belanghebbende 5] als tijdelijk bestuurder werd benoemd.

Het hof oordeelt dat er – (ook) naar de stand van nu – gewichtige redenen zijn voor het ontslag van alle zittende bestuurders van [verzoekers 3] , te weten [verzoekers 1] , [verzoekers 2] en [verweerster 1] . De verhoudingen binnen het bestuur zijn ernstig verstoord en er is een patstelling ontstaan in de besluitvorming. De bestuurders dienen – zoals hiervoor is overwogen – het belang van [verzoekers 3] en de aan haar verbonden onderneming of organisatie voorop te stellen bij de uitoefening van hun taak. Dat belang wordt niet gediend door het laten voortbestaan van de voortdurende strijd tussen de verschillende bestuurders en de als gevolg daarvan aanhoudende impasse in de besluitvorming binnen zowel het bestuur van de stichting als de algemene vergadering van [belanghebbende 2] . Integendeel, waar gezamenlijk constructief overleg – waarbij ruimte is voor ieders inbreng en voor gezamenlijke gedachte- en besluitvorming – niet langer mogelijk lijkt, wordt het belang van [verzoekers 3] en daarmee dat van [belanghebbende 2] juist geschaad. Dat patroon moet uiteindelijk worden doorbroken, waarbij het met het oog op het voorkomen van toekomstige geschillen het meest in de rede ligt om een nieuwe start te maken met een nieuw te benoemen bestuur. Partijen lijken dat laatste ook wel te onderkennen waar zij allen te kennen hebben gegeven te zullen terugtreden zodra een nieuw bestuur is benoemd. Vervanging van het volledige bestuur van [verzoekers 3] is bovendien ook in lijn met de tussen partijen besproken en overeengekomen Uitgangspunten.

Anders dan [verzoeksters] betogen, kan ook een collectief falen als bestuur grond opleveren voor het ontslag van alle bestuurders. Dat in de parlementaire geschiedenis niet met zoveel woorden wordt gesproken over het ontslag van het bestuur als geheel, zoals [verzoeksters] aanvoeren, betekent niet dat een collectief ontslag op grond van artikel 2:298 BW niet mogelijk is. Een disfunctioneel bestuur en het bestaan van een blijvende impasse, kan een gewichtige reden opleveren op grond waarvan het voortduren van het bestuurderschap van elk van de betrokken bestuurders in redelijkheid niet kan worden geduld. Dat is hier het geval. Vast staat dat de bestuurders er uiteindelijk niet in zijn geslaagd om het onderlinge wantrouwen en de als gevolg daarvan ontstane impasse te doorbreken. Dit collectieve falen van het bestuur van [verzoekers 3] is ook de individuele bestuurders aan te rekenen. Het beeld dat uit het dossier naar voren komt, is dat de bestuurders gericht zijn geweest en gebleven op het benadrukken van wat het andere kamp volgens hen valt te verwijten, en dat geen van hen blijk geeft van een voldoende zelfkritische houding om de – uiteindelijk in de kern toch beperkte – verschillen van inzicht te kunnen overbruggen. Het enkele feit dat de bestuurders niet in staat zijn gebleken de Uitgangspunten – waarover nota bene overeenstemming was bereikt – uit te voeren, spreekt wat dat betreft boekdelen.

[verzoeksters] enerzijds, en [verzoeksters] anderzijds, voeren ook in dit hoger beroep over en weer diverse omstandigheden aan waarom de ander(en) niet als bestuurder(s) van [verzoekers 3] kunnen aanblijven. Gezien hetgeen hiervoor is overwogen over het collectief falen van het bestuur en de daaraan te verbinden gevolgtrekkingen, kunnen de over en weer aangevoerde verwijten echter onbesproken blijven.

In lid 3 van artikel 2:298 BW is bepaald dat een door de rechtbank ontslagen bestuurder gedurende vijf jaar na het ontslag geen bestuurder of commissaris van een stichting kan worden, tenzij de bestuurder geen ernstig verwijt kan worden gemaakt. Het hof zal, in navolging van de rechtbank, niet overgaan tot het opleggen van dit bestuursverbod. Het bestuur van [verzoekers 3] is naar het oordeel van het hof weliswaar als collectief disfunctioneel gebleken en de bestuurders zijn daarvoor ook verantwoordelijk, maar hen treft niet een zodanig ernstig verwijt dat aanleiding bestaat een bestuursverbod uit te spreken.

In de bestreden (eind)beschikking heeft de rechtbank H. Van Eyck van Heslinga benoemd tot bestuurder C van [verzoekers 3] . [verzoeksters] hebben aangevoerd dat haar benoeming is afgestemd met [verzoeksters] en [belanghebbende 1] en dat zij door hen al uitvoerig is geïnformeerd. [verzoeksters] hebben verzocht een andere bestuurder C aan te wijzen. [belanghebbende 5] heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat Van Eyck van Heslinga één van de twee personen is die zij heeft genoemd als mogelijke bestuurders C – om de rechtbank op dit punt behulpzaam te zijn – waarna de rechtbank zelf een keuze heeft gemaakt. Het hof begrijpt de stellingen van [verzoeksters] zo dat zij menen dat [belanghebbende 5] zich aan de zijde van [verzoeksters] en [belanghebbende 1] zou hebben geschaard, en omdat [belanghebbende 5] degene is die Van Eyck van Heslinga als mogelijk bestuurder heeft genoemd, er alleen al op die grond bij [verzoeksters] geen vertrouwen meer is in deze bestuurder. [verzoeksters] hebben verder niet uitgelegd waarom Van Eyck van Heslinga niet geschikt zou zijn als bestuurder of waarom zij haar taken als bestuurder C van [verzoekers 3] niet onafhankelijk in het belang van de stichting zou kunnen vervullen. Dat betekent dat het bezwaar van [verzoeksters] niet opgaat. Inmiddels is echter gebleken dat Van Eyck van Heslinga om praktische redenen niet meer beschikbaar is om als bestuurder C van [verzoekers 3] te worden benoemd. Het hof zal louter om die reden de bestreden eindbeschikking vernietigen en [naam] als bestuurder C van [verzoekers 3] benoemen.

Het hof gaat niet over tot statutenwijziging

Tussen partijen is discussie ontstaan over de uitleg van de statuten van [verzoekers 3] en in het bijzonder over de reikwijdte van de in artikel 18 lid 2 opgenomen bevoegdheid van de vergadering van certificaathouders om – na 1 januari 2022 – tot decertificering en ontbinding van [verzoekers 3] te besluiten. Zij zijn het er niet over eens of artikel 18 lid 2 in samenhang met artikel 13 lid 9 van de statuten het ook mogelijk maakt dat zo’n besluit in een tweede vergadering van certificaathouders niet unaniem, maar met een twee/derde meerderheid van de uitgebrachte stemmen kan worden genomen. [belanghebbende 5] heeft een verzoek gedaan tot wijziging van de statuten, omdat volgens haar op dit punt een onduidelijkheid bestaat die de oprichters van de stichting niet gewild kunnen hebben en dus verduidelijking geboden is. Een besluit waarbij de vergadering van certificaathouders anders dan bij unanimiteit in een tweede vergadering tot decertificering van de aandelen en ontbinding van [verzoekers 3] zou kunnen besluiten, is verder ook niet in lijn met de governance die uit de Uitgangspunten volgt, aldus [belanghebbende 5] . [belanghebbende 5] heeft de rechtbank daarom verzocht te bepalen dat aan artikel 18 lid 2 van de statuten wordt toegevoegd: “zij het dat ook in een tweede vergadering van certificaathouders unanimiteit van de aanwezige certificaathouders vereist is”. Dit verzoek is in eerste aanleg afgewezen.

[verzoeksters] (in het bijzonder [verzoekers 3] ) zijn tegen dit oordeel van de rechtbank in hoger beroep gekomen en verzoeken alsnog om wijziging van de statuten en toevoeging van de door [belanghebbende 5] voorgestelde slotzin aan artikel 18 lid 2 van de statuten.

Artikel 2:294 lid 1 BW bepaalt dat indien ongewijzigde handhaving van de statuten zou leiden tot gevolgen die bij de oprichting redelijkerwijze niet kunnen zijn gewild, en de statuten niet voorzien in de mogelijkheid van wijziging of zij die tot wijziging de bevoegdheid hebben, dat nalaten, de rechtbank op verzoek van een oprichter, het bestuur of het openbaar ministerie de statuten kan wijzigen. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de rechter bij de beoordeling van een verzoek om statutenwijziging, de wil van de stichter bij de oprichting tot richtsnoer moet nemen, en dat de wijziging daarom zo min mogelijk dient af te wijken van de bestaande statuten. In de rechtspraak is aanvaard dat het bestaan van onduidelijkheid als gevolg van het feit dat de statuten voor verschillende, tegenstrijdige wijzen van uitleg vatbaar zijn, niet een gevolg is dat bij oprichting van de stichting redelijkerwijs kan zijn gewild.

Het hof volgt [verzoeksters] niet in hun betoog dat de ongewijzigde handhaving van de statuten van [verzoekers 3] leidt tot gevolgen die bij oprichting redelijkerwijze niet kunnen zijn gewild. [verzoekers 3] is op 10 april 2002 opgericht door wijlen de heren [belanghebbende] en [belanghebbende 4] (sr.). Bij oprichting is in de statuten uitdrukkelijk voorzien in de mogelijkheid tot decertificering door het bestuur of – op termijn – door de vergadering van certificaathouders, zodat de stelling dat de oprichters decertificering hebben willen uitsluiten, geen stand kan houden. In de statuten is bepaald dat een besluit tot decertificering door het bestuur kan worden genomen (artikel 18 lid 1) en, vanaf 1 januari 2022, ook door de vergadering van certificaathouders (zie artikel 18 lid 2 van de versie van de statuten bij oprichting, dat gelijkluidend is aan het artikel in de versies van 7 februari 2017 en 13 september 2024). Het bepaalde in artikel 13 lid 9 is daarbij in artikel 18 lid 2 van overeenkomstige toepassing verklaard. In het oorspronkelijke artikel 13 lid 9 was – samengevat – opgenomen dat in een tweede (bestuurs)vergadering, “waarin in elk geval de oprichters, indien bestuurders, dan wel de enige nog in functie zijnde oprichter-bestuurder, aanwezig of vertegenwoordigd dienen/dient te zijn”, met een twee/derde meerderheid van de uitgebrachte stemmen de bedoelde besluiten konden worden genomen, “mits de ter vergadering aanwezige of vertegenwoordigde oprichter(s)-bestuurder(s) vóór het betrokken voorstel heeft/hebben gestemd”. Aan de heren [belanghebbende] en [belanghebbende 4] sr. als oprichters (tevens certificaathouders) werd daarmee, zolang zij als bestuurders in functie zouden zijn, feitelijk een vetorecht toegekend. Op 7 februari 2017 zijn de statuten van [verzoekers 3] gewijzigd, waarbij artikel 13 lid 9 is aangepast naar de tekst zoals in 3.7 en 3.8 bij de feiten is opgenomen. [verzoeksters] hebben onbetwist aangevoerd dat de heer [belanghebbende 4] sr. bij deze wijziging betrokken was. Bij deze wijziging is het vereiste dat in de tweede vergadering, indien nog in functie, de oprichter(s)-bestuurder(s) aanwezig moest(en) zijn en het vereiste dat zij in die tweede vergadering vóór moesten stemmen komen te vervallen en daarmee ook hun feitelijk vetorecht. Verder is het artikel gelijk gebleven. Hieruit volgt dat vanaf 2002 steeds was voorzien in de mogelijkheid dat zou worden besloten tot decertificering, waarbij in de tweede vergadering kon worden besloten bij twee/derde meerderheid en het vereiste van instemming van beide oprichters (tevens certificaathouders) en daarmee hun feitelijk vetorecht, alleen gold zolang zij nog als bestuurder van [verzoekers 3] in functie waren, waarbij steeds heeft gegolden dat na 1 januari 2022 een dergelijk besluit ook door de vergadering van certificaathouders kon worden genomen. Kortom: van meet af aan is voorzien in de mogelijkheid dat – op termijn – ook zonder unanimiteit onder de certificaathouders, in een tweede vergadering tot decertificering kon worden besloten.

[verzoeksters] betogen dat de statuten voor tweeërlei uitleg vatbaar zijn, in die zin dat artikel 13 lid 9 van de statuten primair betrekking heeft op bestuursvergaderingen en dat de toevoeging in artikel 18 lid 2 alleen betrekking zou hebben op bestuursbesluiten als bedoeld in artikel 18 lid 1 van de statuten. Die uitleg ligt volgens hen ook voor de hand omdat in de huidige situatie waarin het certificaathouderschap bij meerdere partijen berust, anders dan in 2002, in een tweede vergadering ook tegen de wil van één van de certificaathouders tot decertificering besloten zou kunnen worden en de andere certificaathouders het unanimiteitsvereiste van artikel 18 lid 2 eenvoudig zouden kunnen omzeilen door niet op de eerste vergadering te verschijnen, waardoor het quorum niet wordt gehaald.

Anders dan [verzoeksters] is het hof van oordeel dat de statuten van [verzoekers 3] op dit punt niet onduidelijk of voor tweeërlei uitleg vatbaar zijn, en in ieder geval niet in die mate dat de oprichters van de stichting het bestaan van die onduidelijkheid bij oprichting in 2002 redelijkerwijze niet gewild kunnen hebben. De oprichters hebben bij de oprichting in artikel 18 lid 2 uitdrukkelijk mogelijk willen maken dat – vanaf bijna twintig jaar na oprichting van [verzoekers 3] – de in artikel 18 lid 1 genoemde besluiten ook genomen zouden kunnen worden door de vergadering van certificaathouders. Artikel 13 lid 9 is daarbij ook toen al uitdrukkelijk van overeenkomstige toepassing verklaard, zodat mogelijk werd gemaakt dat – kort gezegd – in een tweede vergadering zonder unanimiteit een besluit tot decertificering zou kunnen worden genomen. Deze keuze wijst er niet op dat de oprichters te allen tijde unanimiteit wilden voor zodanige besluiten door de certificaathouders. Bovendien ziet het hof in de tekst van de statuten geen aanknopingspunten voor het standpunt van [verzoekers 3] dat het de vraag is of de slotzin van artikel 18 lid 2 niet alleen ziet op bestuursbesluiten. Artikel 18 lid 2 ziet immers juist op besluiten door de vergadering van certificaathouders, zodat die uitleg niet voor de hand ligt. Dat het samenstel van bepalingen in artikel 18 lid 2 en 13 lid 9 van de statuten van [verzoekers 3] , eenduidiger, helderder of fraaier geformuleerd had kunnen worden moge zo zijn, maar dat deze bepalingen zoveel onduidelijk laten bestaan over de wijze waarop na 1 januari 2022 door de vergadering van certificaathouders kan worden besloten tot decertificering en ontbinding van [verzoekers 3] dat dit bij oprichting van de stichting redelijkerwijze niet kan zijn gewild, is gelet op al het voorgaande niet komen vast te staan.

Dat over de betreffende bepalingen tussen de betrokken certificaathouders en belanghebbenden op dit moment onenigheid bestaat, is onvoldoende grond voor wijziging van de statuten van [verzoekers 3] door het hof op de voet van artikel 2:294 BW. Hetzelfde geldt voor de stellingen van [verzoekers 3] dat het hof de statuten zou moeten wijzigen om het continuïteitsbelang van [belanghebbende 2] dan wel de eigendomspositie van minderheidscertificaathouders te beschermen. Ten slotte acht het hof een artikel in de statuten waarbij tegen de wil van een minderheidscertificaathouder kan worden besloten tot decertificering niet in strijd met artikel 1 Eerste Protocol bij het EVRM; met de in de statuten van [verzoekers 3] voorziene decertificering van de door [verzoekers 3] gehouden aandelen in [belanghebbende 2] wordt geen ongeoorloofde inbreuk gemaakt op het ongestoord genot van het eigendom van de certificaathouders.

Dit alles leidt tot de slotsom dat het verzoek om de statuten te wijzigen niet toewijsbaar is. Bij die stand van zaken behoeven de overige grieven en verweren van [verzoeksters] die er alle in de kern toe strekken te betogen dat het verzoek om de statuten van [verzoekers 3] te wijzigen ook om andere redenen niet door het hof kan worden toegewezen, geen bespreking meer.

De overige grieven, verzoeken, standpunten en suggesties

[verzoeksters] hebben nog het nodige aangevoerd tegen volgens hen onjuiste procedurele beslissingen met betrekking tot door de rechtbank getroffen voorlopige voorzieningen, de duur van de procedure, de keuze voor [belanghebbende 5] als tijdelijke bestuurder en de duur van haar benoeming. Dit alles lijkt vooral ingegeven door de aanhoudende animositeit tussen partijen, maar kan niet tot een ander oordeel leiden over de in dit hoger beroep door het hof te nemen beslissingen.

[verzoeksters] hebben verder gesteld dat de rechtbank heeft nagelaten [belanghebbende 3] als bestuurder A van [verzoekers 3] (namens [belanghebbende] ) te benoemen, en zij hebben het hof verzocht om dat alsnog te doen. In eerste aanleg is alleen bij wijze van voorlopige voorziening door [verweerster 1] verzocht om [belanghebbende 3] als tijdelijk bestuurder A van [verzoekers 3] te benoemen. Dat verzoek is niet toegewezen. Niet is verzocht [belanghebbende 3] bij eindbeschikking als bestuurder te benoemen. [verzoeksters] hebben niet uitgelegd op grond waarvan het hof (alsnog) tot benoeming van [belanghebbende 3] kan en zou moeten overgaan, zodat dit verzoek wordt afgewezen.

Tijdens de mondelinge behandeling op 21 januari 2026 hebben [verzoeksters] betoogd dat het voor de hand ligt dat het hof in de eindbeschikking bepaalt dat de familie [belanghebbende 4] een bindende voordracht kan doen voor een bestuurder B. Zoals desgevraagd bevestigd door mr. Stikkelbroeck, is daartoe echter geen verzoek gedaan aan het hof, zodat het hof hierover geen beslissing zal nemen.

Slotsom en proceskosten

De bestreden eindbeschikking zal worden vernietigd maar uitsluitend voor zover daarin H. van Eyck van Heslinga als bestuurder C van [verzoekers 3] is benoemd. [naam] zal als bestuurder C van [verzoekers 3] worden benoemd. Voor het overige worden de bestreden beschikkingen bekrachtigd. Bij een (nadere) bespreking van de grieven en weren bestaat geen belang. Partijen hebben geen bewijs aangeboden van concrete feiten en omstandigheden die, indien bewezen, tot een andere beslissing kunnen leiden. Omdat het hof een eindbeschikking wijst, bestaat geen belang meer bij bespreking van de in hoger beroep door [verzoeksters] voor de duur van het geding gevraagde voorlopige voorzieningen.

Het ontslag van [verweerster 1] , [verzoekers 1] en [verzoekers 2] als bestuurders van [verzoekers 3] en de benoeming van [naam] als bestuurder C van [verzoekers 3] , worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Het ontslag van de bestuurders van [verzoekers 3] en de benoeming van bestuurder C leidt tot een wijziging van wat in het handelsregister is ingeschreven. Deze beschikking zal, zodra deze in kracht van gewijsde is gegaan, daarom door de griffier ter inschrijving worden aangeboden aan het handelsregister (artikel 2:302 BW).

Het hof ziet geen aanleiding om ten aanzien van de incidentele verzoeken of de hoofdzaak een kostenveroordeling uit te spreken.

6. Beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank [plaats 3] van 15 mei 2025 maar uitsluitend voor zover daarin in 4.6 H. van Eyck van Heslinga als bestuurder C van [verzoekers 3] is benoemd en in 4.7 aan de griffier is opgedragen om zorg te dragen voor inschrijving van deze benoeming in het handelsregister van de Kamer van Koophandel;

benoemt [naam] als bestuurder C van [verzoekers 3] en verklaart deze benoeming uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikkingen voor het overige, voor zover onderworpen aan het oordeel van het hof, en verklaart uitvoerbaar bij voorraad hetgeen is bepaald in 4.4 en 4.5 van de beschikking van de rechtbank [plaats 3] van 15 mei 2025;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. K.A.J. Bisschop, A.W.H. Vink en L. Alwin en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand