GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.338.111/01
zaak- en rolnummer rechtbank Noord-Holland : 9476513 EL 21-33
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 21 april 2026
inzake
[appellant] ,
gevestigd te [plaats 1] ,
appellante,
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonend te [plaats 2] , gemeente Haarlemmermeer,
geïntimeerde,
advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Rotterdam.
Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.
1. Het geding in hoger beroep
[appellant] is bij dagvaarding van 7 februari 2024 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de kantonrechter), van 23 november 2023, onder bovengenoemd zaak- en rolnummer gewezen tussen [geïntimeerde] als eiseres in conventie en verweerster in reconventie en [appellant] als gedaagde in conventie en eiseres in reconventie.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven;
- memorie van antwoord, met producties;
- akte uitlaten producties van [appellant] .
Ten slotte is arrest gevraagd.
Partijen hebben geconcludeerd zoals verwoord in de processtukken.
2. Feiten
Het hof gaat uit van de volgende feiten, die tussen partijen niet in geschil zijn.
[geïntimeerde] heeft met (een rechtsvoorgangster van) [appellant] onderstaande effectenleaseovereenkomsten gesloten (hierna: de effectenleaseovereenkomsten). De betalingen uit hoofde van deze overeenkomsten zijn gedaan vanaf een rekening met [nummer 1] (hierna: de bankrekening). De effectenleaseovereenkomsten zijn op enig moment geëindigd, waarna [appellant] de eindafrekeningen heeft opgesteld. De relevante gegevens van de effectenleaseovereenkomsten zijn als volgt:
Nr.
Contractnummer
Datum
Naam
Looptijd
Eindafrekening
Resultaat
1.
[nummer 2]
17-07-1997
[naam 1]
60 mnd.
20-08-2002
-/- € 1.943,86
2.
[nummer 3]
03-11-1999
[naam 2]
36 mnd.
2a.
[nummer 3]
05-11-2002
[naam 2]
36 mnd.
11-11-2004
-/- € 7.470,00
Afneemster was ten tijde van het aangaan van de effectenleaseovereenkomsten gehuwd. Haar echtgenoot heeft [geïntimeerde] geen (schriftelijke) toestemming verleend voor het aangaan van de effectenleaseovereenkomsten.
Bij brief van 30 januari 2006 aan [appellant] (hierna: de vernietigingsbrief) heeft de echtgenoot met een beroep op artikel 1:89 BW in samenhang met artikel 1:88 BW meegedeeld de effectenleaseovereenkomsten te vernietigen.
3. Beoordeling
Bij beschikking van 25 januari 2007 (ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ7033) heeft dit hof op de voet van artikel 7:907, eerste lid, BW een overeenkomst tussen [appellant] en anderen verbindend verklaard voor de kring van gerechtigden als bedoeld in artikel 2 van de WCAM-overeenkomst. [geïntimeerde] en de echtgenoot hebben tijdig een opt out-verklaring uitgebracht, zodat deze WCAM-overeenkomst hen niet bindt.
Deze procedure ziet op door [geïntimeerde] met [appellant] gesloten effectenleaseovereenkomsten waarvan de echtgenoot de vernietigbaarheid heeft ingeroepen met de vernietigingsbrief. [appellant] beroept zich onder meer op verjaring van deze rechtsvordering tot vernietiging.
De kantonrechter heeft voor zover hier van belang, voor recht verklaard dat de effectenleaseovereenkomsten zijn vernietigd, heeft [appellant] veroordeeld om aan [geïntimeerde] ter zake de effectenleaseovereenkomsten te betalen hetgeen [appellant] op grond van de in het vonnis genoemde berekening verschuldigd is, en heeft [appellant] veroordeeld om aan [geïntimeerde] de wettelijke rente en de kosten van de procedure te betalen.
Tegen deze beslissing van de kantonrechter en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellant] op. In de grieven van [appellant] ligt besloten dat zij opkomt tegen het oordeel van de kantonrechter dat de rechtsvordering tot vernietiging van de effectenleaseovereenkomsten door de echtgenote niet is verjaard.
Het hof overweegt als volgt. De effectenleaseovereenkomsten moeten worden aangemerkt als overeenkomsten van koop op afbetaling (huurkoop) in de zin van artikel 1:88 lid 1 aanhef en onder d BW. De echtgenoot heeft op grond van artikel 1:89 lid 1 BW het recht de effectenleaseovereenkomsten, die [geïntimeerde] is aangegaan, te vernietigen, omdat voor het aangaan daarvan aan [geïntimeerde] geen schriftelijke toestemming is gegeven.
Uit artikel 3:52 lid 1, aanhef en onder d, BW in samenhang met artikel 1:89 lid 1 BW volgt dat de rechtsvordering tot vernietiging van een overeenkomst wegens het ontbreken van de krachtens artikel 1:88 BW vereiste toestemming verjaart na drie jaren gerekend vanaf het moment waarop deze bevoegdheid tot vernietiging aan de echtgenoot van wie de toestemming was vereist, ten dienste is komen te staan. Ingevolge artikel 3:52 lid 2 BW kan, na verjaring van de rechtsvordering tot vernietiging, een overeenkomst niet meer op dezelfde vernietigingsgrond buitengerechtelijk worden vernietigd.
De verjaringstermijn gaat lopen op het tijdstip waarop de echtgenoot daadwerkelijk bekend is geworden met het bestaan van de overeenkomst. Beslissend zijn de feiten en omstandigheden die bij de echtgenoot bekend zijn, en niet de bekendheid van de echtgenoot met de juridische beoordeling daarvan. Het gaat erom wanneer de echtgenoot wist van de effectenleaseovereenkomst en niet om de vraag op welk moment hij wist of begreep dat hij bevoegd was de effectenleaseovereenkomst te vernietigen. Op degene die zich op verjaring beroept, in dit geval [appellant] , rusten de stelplicht en bewijslast van de feiten en omstandigheden waaruit die bekendheid van de echtgenoot kan worden afgeleid.
Het hof neemt in aanmerking dat de Hoge Raad heeft geoordeeld dat in gevallen als deze, de bevoegdheid van de echtgenoot tot het uitbrengen van een buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging, op 13 maart 2003 is gestuit als gevolg van de op die datum ingestelde collectieve actie van onder meer Stichting Eegalease. Aangezien voor deze rechtsvordering tot vernietiging een verjaringstermijn van drie jaar geldt, betekent dit dat de verjaring van de bevoegdheid tot vernietiging van de effectenleaseovereenkomsten tijdig is gestuit bij alle overeenkomsten die zijn gesloten vanaf 13 maart 2000. Hetzelfde geldt in gevallen waarin de overeenkomst weliswaar vóór die datum is gesloten, maar de echtgenoot pas ná 13 maart 2000 bekend werd met de overeenkomst. De verjaringstermijn vangt immers pas aan op het moment dat de echtgenoot daadwerkelijk bekend wordt met de overeenkomst (HR 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3018).
[appellant] heeft in dit verband, onder meer, aangevoerd dat betalingen aan [appellant] voor de effectenleaseovereenkomsten van een en/of-rekening op naam van [geïntimeerde] en de echtgenoot zijn gedaan. Zij heeft een door afneemster ingevuld formulier met gegevens van de bankrekening overgelegd, dat op 2 januari 2012 bij haar is binnengekomen, en stelt dat aangenomen moet worden dat de echtgenoot vanaf de ontvangst van het oudste bankafschrift betreffende een betaling aan [appellant] op de hoogte is geraakt van de effectenleaseovereenkomsten.
[geïntimeerde] heeft hiertegen aangevoerd dat de bankrekening pas in de periode 2010 – 2013 toen haar echtgenoot ziek was en overleed, een en/of-rekening is geworden en daarvoor alleen op haar naam stond.
Het hof ziet in deze stelling van [geïntimeerde] aanleiding om haar op de voet van artikel 22 lid 1 Rv te bevelen om stukken te overleggen waaruit blijkt dat de bankrekening eerder op haar naam heeft gestaan en dat de bankrekening pas in de periode 2010 – 2013 een en/of-rekening is geworden. [appellant] zal vervolgens in de gelegenheid worden gesteld om hierop te reageren.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
4. Beslissing
Het hof:
verwijst de zaak naar de rol van 19 mei 2026 voor akte zoals bedoeld in rov. 3.10;
bepaalt dat [appellant] de rol van 16 juni 2026 een antwoordakte kan nemen;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.W.M. Tromp, L. Alwin en M.M. Kruithof en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026.