ECLI:NL:GHAMS:2026:1171

ECLI:NL:GHAMS:2026:1171

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 21-04-2026
Datum publicatie 01-05-2026
Zaaknummer 200.356.173
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Verzoek tot verbodenverklaring en ontbinding stichting. Vermoeden van strijd met de openbare orde weerlegd. Te betrachten terughoudendheid in het licht van artikel 8 Grondwet en artikel 11 EVRM.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

zaaknummer : 200.356.173/01

zaaknummer rechtbank Noord-Holland : C/15/358424/HA RK 24-157

beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 21 april 2026

inzake

OPENBAAR MINISTERIE,

te Amsterdam,

appellant in principaal hoger beroep,

verweerder in incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: het OM,

tegen

[verweerster] ,

statutair gevestigd te [plaats 1] ,

verweerster in principaal hoger beroep,

appellante in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. E. Bongers,

hierna te noemen: [verweerster] ,

en

1. [belanghebbende 1] ,

wonende te [plaats 1] ,

2. [belanghebbende 2],

wonende te [plaats 2] ,

3. [belanghebbende 3],

wonende te [plaats 1] ,

belanghebbenden,

in persoon verschenen,

hierna te noemen: [belanghebbende 1] , [belanghebbende 2] en [belanghebbende 3] en gezamenlijk [belanghebbenden]

en

4. [belanghebbende 4]

wonende te [plaats 3]

5. [belanghebbende 5]

wondende te [plaats 4] ,

belanghebbenden, niet verschenen,

hierna te noemen: [naam 1] en [naam 2] .

1. De zaak in het kort

[verweerster] is voormalig eigenaar van een pand (hierna: het clubhuis) dat zij beschikbaar stelde aan de Haarlemse afdeling van de Hells Angels. Tevens hield [verweerster] een bankrekening aan die door de Haarlemse afdeling van de Hells Angels werd gebruikt. In 2017 is het clubhuis op bevel van de burgemeester gesloten en is er beslag gelegd op de bankrekening. De Hells Angels zijn inmiddels verboden verklaard.

In 2022 is [verweerster] is onherroepelijk en op tegenspraak veroordeeld voor deelname aan een criminele organisatie met een geweldsoogmerk en is het clubhuis verbeurdverklaard. Het OM verzoekt [verweerster] verboden te verklaren en te ontbinden, omdat de werkzaamheid van [verweerster] leidt tot geweld en daarom wordt vermoed in strijd te zijn met de openbare orde en er derhalve een noodzaak bestaat om [verweerster] op grond van artikel 2:20 BW verboden te verklaren en te ontbinden.

Het hof is, evenals de rechtbank, van oordeel dat de eerdere werkzaamheid van Stichting heeft geleid tot geweld, maar dat [verweerster] het vermoeden dat haar werkzaamheid (nog) in strijd is met te openbare orde heeft weerlegd. Mede in het licht van de bij een verbod en ontbinding van een rechtspersoon te betrachten terughoudendheid komt het hof tot bekrachtiging van de beschikking van de rechtbank.

2. Het geding in hoger beroep

Het OM is bij beroepschrift, tevens verzoek om voorlopige voorzieningen ex artikel 2:22 BW, ontvangen ter griffie van het hof op 26 juni 2025, in hoger beroep gekomen van de beschikking die de rechtbank Noord-Holland op 3 april 2025 onder bovenvermeld zaaknummer heeft gegeven tussen het OM als verzoeker, [verweerster] als verweerster en [belanghebbende 1] c.s. als belanghebbenden (hierna: de bestreden beschikking).

Op 17 oktober 2025 is ter griffie van het hof hiertegen een verweerschrift in hoger beroep, tevens incidenteel hoger beroep, met producties, van [verweerster] ingekomen. Op 1 december 2025 is ter griffie van het hof een verweerschrift in het incidenteel hoger beroep van het OM ingekomen.

De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgevonden op 28 januari 2026. Bij die gelegenheid hebben de advocaat-generaal van het ressortsparket die op de voet van artikel 43 lid 3 Rv voor het OM is verschenen en de advocaat van [verweerster] de zaak toegelicht aan de hand van overgelegde spreekaantekeningen. Partijen hebben voorts vragen van het hof beantwoord en inlichtingen verstrekt.

Het OM heeft geconcludeerd dat het hof de bestreden beschikking zal vernietigen en – uitvoerbaar bij voorraad – alsnog de verzochte voorlopige voorzieningen en inleidende verzoeken zal toewijzen, met veroordeling van [verweerster] tot ongedaanmaking van hetgeen het OM op grond van de bestreden beschikking heeft gepresteerd.

[verweerster] heeft geconcludeerd tot afwijzing van al hetgeen door het OM is verzocht met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van het OM in de kosten van het geding in hoger beroep.

Het OM heeft nader bewijs van zijn stellingen aangeboden.

Uitspraak is nader bepaald op heden.

3. Feiten

De rechtbank heeft in de bestreden beschikking onder 2 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. In hoger beroep is niet in geschil dat de feiten juist zijn weergegeven, zodat ook het hof van deze feiten uitgaat. Het gaat – met een enkele correctie, redactionele aanpassing en aanvulling – om de volgende feiten.

[verweerster] is op 19 november 1979 opgericht onder de naam [oude naam verweester] . Op 21 maart 1980 is de naam gewijzigd in [verweerster] (de huidige naam).

Op 8 januari 1990 is [verweerster] eigenaar geworden van het clubhuis.

[belanghebbende 1] was vanaf 3 oktober 2007 bestuurder van [verweerster] en vanaf 30 oktober 2023 voorzitter van het bestuur. [belanghebbende 2] en [belanghebbende 3] waren vanaf 4 juli 2022 bestuurders van [verweerster] .

In 2015 is een strafrechtelijk onderzoek gestart naar de leden van het chapter Hells Angels [plaats 1] wegens verdenking van lidmaatschap van een criminele organisatie met als oogmerk het plegen van (gewelds)misdrijven.

De burgemeester van de gemeente [plaats 1] heeft op 26 januari 2017 met onmiddellijke ingang en voor onbepaalde tijd de sluiting bevolen van het clubhuis, omdat op basis van de bevindingen uit het strafrechtelijk onderzoek de vrees gewettigd was dat het geopend blijven van het clubhuis een ernstig gevaar zou opleveren voor de openbare orde.

Dit hof heeft (in hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 18 juli 2018) bij arresten van 10 maart 2021 ten aanzien van onder meer [verweerster] , [belanghebbende 1] en [belanghebbende 3] bewezen verklaard dat zij in of omstreeks de periode van 1 mei 2014 tot en met 26 januari 2017 hebben deelgenomen aan een organisatie, die verder bestond uit de leden van het chapter Hells Angels [plaats 1] , en die het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft.

Aan [verweerster] heeft het hof geen hoofdstraf opgelegd, maar als bijkomende straf het inbeslaggenomen clubhuis verbeurdverklaard. Daarbij heeft hof overwogen dat gelet op de discrepantie tussen de getaxeerde waarde van het clubhuis (op dat moment € 485.000,-) en de maximaal op teleggen geldboete bij bewezenverklaring van deelneming aan een criminele organisatie (van € 82.000,-), [verweerster] onevenredig zou worden getroffen door een verbeurdverklaring zonder nadere voorwaarde. Het hof heeft daartoe overwogen de advocaat-generaal niet te volgen in haar standpunt dat deze maximale geldboete geen passende bestraffing voor [verweerster] zou kunnen vormen. Het hof achtte in dit geval een bedrag van € 80.000,- waarmee [verweerster] in haar vermogen wordt getroffen een maximaal aanvaardbaar redelijk bedrag. Het hof heeft om die reden bepaald dat in het geval het verbeurdverklaarde clubhuis meer opbrengt dan € 80.000,- het verschil moet worden vergoed aan [verweerster] .

Bij arrest van 5 juli 2022 heeft de Hoge Raad de cassatieberoepen tegen de arresten van het hof verworpen (HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:970, 1022 en 969).

Op 12 december 2022 is in de openbare registers en in het Kadaster geregistreerd dat de Staat (Rijksvastgoedbedrijf) eigenaar is van het clubhuis. [verweerster] heeft bij het OM en (het afpakloket van) het Rijksvastgoedbedrijf op verschillende momenten navraag gedaan over de verkoop van het clubhuis. Het clubhuis is nog niet verkocht.

Op verzoek van het OM zijn de buitenlandse corporatie Hells Angels Motorcycle Corporation (HAMC) en de informele vereniging Hells Angels Motorcycle Club Holland (HAMC Holland) door de rechter verboden verklaard en ontbonden. Deze beslissingen zijn na een beschikking van de Hoge Raad van 15 juli 2022 onherroepelijk geworden.

Een aantal leden van de Hells Angels [plaats 1] heeft in mei 2019 de informele vereniging Hardliners Motorcycle Club (Hardliners MC) opgericht. Bij beschikking van de rechtbank Noord-Holland van 8 maart 2024 is die informele vereniging ontbonden en verboden verklaard. [verweerster] en [belanghebbende 1] c.s. zijn niet bij (de oprichting van) Hardliners MC betrokken geweest.

Met ingang van 4 februari 2025 is [belanghebbende 2] geregistreerd als voorzitter van het bestuur van [verweerster] . [belanghebbende 1] en [belanghebbende 3] zijn per die datum uitgeschreven als bestuurder en zijn vervangen door [naam 1] en [naam 2] . [naam 1] en [naam 2] zijn niet opgeroepen voor de zitting van de rechtbank van 20 februari 2025 en daar evenmin verschenen. [naam 1] en [naam 2] zijn opgeroepen voor de zitting van dit hof van 28 januari 2026, maar zijn daar ook niet verschenen.

4. Eerste aanleg

Het OM heeft in eerste aanleg verzocht om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:

[verweerster] verboden te verklaren.

[verweerster] te ontbinden.

Een vereffenaar te benoemen.

Te bepalen dat de vereffenaar na ontbinding het overschot uitkeert aan de Staat.

Voor de duur van het geding de volgende voorlopige voorziening te treffen:

a. onmiddellijke onderbewindstelling van de goederen van [verweerster] ;

b. benoeming van een bewindvoerder; en

c. bepaling dat (de organen van) [verweerster] zonder voorafgaande schriftelijke goedkeuring van de bewindvoerder geen besluiten kan (kunnen) nemen en dat vertegenwoordigers van [verweerster] zonder de medewerking van de bewindvoerder geen rechtshandelingen kunnen verrichten.

6. Te bepalen dat de vereffenaar en de bewindvoerder zichzelf een vergoeding mogen toekennen overeenkomstig de vergoedingen die gelden voor ervaren faillissementscuratoren en – voor zover door hen ingeschakeld – voor hun medewerkers ten laste van [verweerster] .

7. Aan [belanghebbende 1] , [belanghebbende 2] en [belanghebbende 3] een bestuursverbod zoals bedoeld in artikel 2:20a BW op te leggen voor de duur van drie jaar vanaf het moment dat de verbodenverklaring in kracht van gewijsde is gegaan.

8. De griffier op te dragen de onherroepelijke uitspraak met bekwame spoed aan de Kamer van Koophandel aan te bieden.

De rechtbank heeft hierover als volgt geoordeeld. Zij heeft vooropgesteld dat van verbodenverklaring en ontbinding alleen in uitzonderlijke gevallen sprake kan zijn. De rechtbank heeft overwogen dat op basis van de strafrechtelijke veroordeling van [verweerster] vaststaat dat – in de periode 1 mei 2014 tot en met 26 januari 2017 – de werkzaamheid van [verweerster] , bestaande uit haar deelname aan de criminele organisatie, leidde of klaarblijkelijk dreigde te leiden tot geweld. De werkzaamheid van [verweerster] wordt daarom vermoed in strijd te zijn met de openbare orde (artikel 2:20 lid 3 BW). De rechtbank was echter van oordeel dat [verweerster] dat vermoeden heeft ontzenuwd.

De strafrechtelijke veroordeling heeft betrekking op de periode van mei 2014 tot 26 januari 2017. Na 26 januari 2017 is van het bewezenverklaarde handelen geen sprake meer. Op die datum is het clubhuis gesloten en inmiddels is het geen eigendom meer van [verweerster] zodat zij het ter beschikking stellen ook niet kan hervatten. Ook de bankrekening is sindsdien bevroren. Ook zijn er geen signalen dat het chapter [plaats 1] van de (inmiddels verboden) Hells Angels nog actief is. [belanghebbende 1] en Pieterse, die ook zijn veroordeeld voor deelname aan de criminele organisatie, zijn ontslagen en [verweerster] heeft onderbouwd betoogd dat zij voornemens is de naam en statuten van [verweerster] aan te passen. De rechtbank achtte voldoende toegelicht dat [verweerster] na sluiting van het clubhuis en bevriezing van de bankrekening in 2017 daarvoor niet eerder de middelen of de mogelijkheid had. De huidige bestuursvoorzitter en de voorzitter van [verweerster] Harley Dag zijn niet aangemerkt als onderdeel van de criminele organisatie en van betrokkenheid van [verweerster] en haar bestuurders bij de nieuw opgerichte Hardliners MC, is geen sprake.

De rechtbank achtte met een en ander voldoende toegelicht dat [verweerster] niet het chapter Hells Angels in stand houdt of voortzet, dat ook geen sprake meer is van deelname aan de criminele organisatie met (leden van) het inmiddels niet meer actieve chapter Hells Angels en dat herhaling van de verweten activiteiten niet aannemelijk is. De rechtbank was voorts van oordeel dat het OM de vrees dat de verkoopopbrengst van het clubhuis gebruikt zal worden voor de financiering van criminele activiteiten ook overigens onvoldoende heeft onderbouwd. Bij gebreke van concrete signalen in die richting achtte de rechtbank, gelet op de strenge beoordelingsmaatstaf, niet gebleken dat de werkzaamheid van [verweerster] in strijd is met de openbare orde en ontbinding noodzakelijk is. De rechtbank heeft de verzoeken van het OM daarom afgewezen.

5. Beoordeling

Inleiding

Het OM heeft in hoger beroep drie grieven aangevoerd en [verweerster] heeft in incidenteel beroep een grief aangevoerd. Bij de beoordeling van de grieven stelt het hof het volgende voorop (waarbij wordt opgemerkt dat voor ‘chapter’ ook de term ‘charter’ wordt gebruikt).

Op grond van artikel 2:20 lid 1 BW wordt een rechtspersoon waarvan de werkzaamheid in strijd is met de openbare orde op verzoek van het OM door de rechtbank verboden verklaard en ontbonden.

In zowel artikel 8 van de Grondwet als artikel 11 van het EVRM wordt het recht op vrijheid van vereniging gewaarborgd. De Nederlandse overheid moet dat grondrecht respecteren. Aan de uitoefening van dat grondrecht kunnen weliswaar bij wet voorziene beperkingen worden gesteld, maar die beperkingen moeten dan wel noodzakelijk zijn in een democratische samenleving ter bescherming van een aantal specifiek omschreven belangen. Zoals ook de rechtbank (onder verwijzing naar rechtspraak van de Hoge Raad) heeft overwogen, moet in het algemeen daarom grote terughoudendheid worden betracht bij het verbieden en ontbinden van een rechtspersoon. Daarvan kan alleen sprake zijn als de uitzonderlijk ernstige aard van de gedragingen en de aard van de werkzaamheid van de rechtspersoon dwingen tot het oordeel dat het bij afweging van alle betrokken rechten en belangen in een democratische samenleving noodzakelijk is dat een rechtspersoon wordt verboden en ontbonden. Voor een verbod moet er dus sprake zijn van meer dan uit maatschappelijk oogpunt ongewenst gedrag. Een verbod moet worden gezien als een noodzakelijke maatregel om gedragingen te voorkomen die een daadwerkelijke en ernstige aantasting van als wezenlijk ervaren beginselen van ons rechtsstelsel vormen en die onze samenleving ontwrichten of kunnen ontwrichten. Niet noodzakelijk is dat de rechtspersoon reeds daadwerkelijk een gevaar vormt voor de openbare orde.

Bij wet van 23 juni 2021, in werking getreden op 1 januari 2022, is artikel 2:20 BW gewijzigd om de mogelijkheden tot het verbieden van rechtspersonen te verruimen. Daarbij is in de leden 2 en 3 ook de bewijspositie van het openbaar ministerie verlicht. Waar het gaat om lid 3, houdt die verlichting van de bewijslast het volgende in. Het OM moet bewijzen dat sprake is van een doel of werkzaamheid van de rechtspersoon die leidt of klaarblijkelijk dreigt te leiden tot a) aantasting van de menselijke waardigheid of b) geweld (waaronder uitlokken of bevorderen daarvan) of c) aanzetten tot haat of discriminatie. Als het OM dat heeft bewezen, wordt het doel dan wel de werkzaamheid van de rechtspersoon vermoed in strijd te zijn met de openbare orde. De rechtspersoon die aan verbodenverklaring wil ontkomen moet dan feiten en omstandigheden aanvoeren die dat vermoeden weerleggen. Bij deze wetswijzing heeft de wetgever de verwachting uitgesproken dat – hoewel met het rechtsvermoeden van artikel 2:20 leden 2 en 3 BW de bewijspositie van het openbaar ministerie is verlicht – een verbodenverklaring nog steeds slechts in zeer bijzondere omstandigheden zal worden opgelegd.

Het incidenteel hoger beroep

Het hof ziet aanleiding eerst het incidenteel hoger beroep van [verweerster] te behandelen. Dit richt zich niet tegen het dictum, maar tegen rov 5.7 van het bestreden vonnis. [verweerster] betoogt – in het voetspoor van wat zij ook heeft betoogd als verweer tegen grief 1 in het principaal hoger beroep – dat de rechtbank heeft miskend dat het bewijsvermoeden als bedoeld in artikel 2:20 lid 3 BW pas aan de orde is als sprake is van een actuele of een toekomstige werkzaamheid die tot geweld zou kunnen aanzetten. Volgens [verweerster] vloeit dit voort uit het gebruik van de tegenwoordige tijd in de wetsbepaling. De rechtbank heeft voor het aannemen van het vermoeden ten onrechte verwezen naar de strafrechtelijke veroordeling, die alleen de periode mei 2014 tot en met 26 januari 2017 betreft, aldus [verweerster] .

[verweerster] is bij arrest van dit hof van 10 maart 2021 veroordeeld voor deelname aan een criminele organisatie met een geweldsoogmerk in de door [verweerster] genoemde periode. Het cassatieberoep tegen dit arrest is in op 5 juli 2022 verworpen, waarmee de veroordeling onherroepelijk is geworden. De handelingen op basis waarvan is geoordeeld dat [verweerster] heeft deelgenomen aan een criminele organisatie bestonden uit het ter beschikking stellen van het clubhuis aan de leden van het charter Hells Angels [plaats 1] zonder dat het charter daar een vergoeding voor betaalde en het aanhouden van de bankrekening waarop leden van het charter Hells Angels [plaats 1] hun contributie betaalden en waarvan de betalingen voor vaste lasten van het clubhuis werden gedaan en bedragen werden overgemaakt voor verschillende personen in verschillende PI’s. Deze handelingen heeft [verweerster] na januari 2017 niet meer verricht. Los van de intenties van [verweerster] , staat vast dat zij deze handelingen na januari 2017 ook niet meer kon verrichten omdat het clubhuis op last van de burgemeester was gesloten en beslag was gelegd op de bankrekening.

Met de onherroepelijke veroordeling van [verweerster] , staat de deelname van [verweerster] aan een criminele organisatie met een geweldsoogmerk vast. Dit betreft een werkzaamheid die op grond van artikel 2:20 lid 3 BW wordt vermoed in strijd te zijn met de openbare orde.

Anders dan [verweerster] betoogt, volstaat voor het aannemen van het vermoeden dat de werkzaamheid van [verweerster] in strijd is met de openbare orde als bedoeld in artikel 2:20 lid 3 BW de constatering dat de werkzaamheid van [verweerster] heeft geleid tot geweld. Het is dan aan [verweerster] dat vermoeden te weerleggen, zoals ook de rechtbank heeft geoordeeld.

De wetsgeschiedenis biedt geen aanknopingspunt voor de temporele beperking die [verweerster] in art 2:20 lid 3 BW wil lezen. Het tegendeel is het geval: “Het in dit lid neergelegde bewijsvermoeden richt zich op de strijd met de openbare orde die een verbodenverklaring rechtvaardigt. Een rechtspersoon waarvan is bewezen dat deze zich schuldig heeft gemaakt aan geweld zal in dat geval moeten aantonen dat, hoewel sprake is (geweest) van geweldspleging, de verbodenverklaring vanwege strijd met de openbare orde in de omstandigheden van het geval niet proportioneel of noodzakelijk is.” (Kamerstukken II 2019/20, 35366, nr 3, p.21).

Een andere opvatting zou de bewijspositie van het OM ook te zeer bemoeilijken. Daarin ligt immers besloten dat het OM, bij betwisting, steeds zou moeten aantonen dat de rechtspersoon nog steeds een werkzaamheid verricht die op grond van artikel 2:20 lid 3 BW wordt vermoed in strijd te zijn met de openbare orde ook al staat reeds vast dat hiervan sprake is geweest. Dit strookt niet met de bedoeling van de wetgever, die de bewijspositie van het OM heeft willen verlichten. Dat neemt niet weg dat tijdsverloop een rol kan spelen bij de waardering van het tegenbewijs.

Voor zover [verweerster] nog heeft willen betogen dat haar werkzaamheid op zichzelf al niet van voldoende gewicht is geweest om aangemerkt te kunnen worden als in strijd met de openbare orde (verweerschrift 4.3) verwerpt het hof dit betoog. [verweerster] heeft een substantiële faciliterende en daarmee bevorderende bijdrage geleverd aan een gewelddadige criminele organisatie en is daarvoor ook veroordeeld. Haar werkzaamheid is van dien aard geweest dat deze in beginsel verbodenverklaring en ontbinding rechtvaardigt.

Een en ander brengt mee dat de grief faalt en het incidentele hoger beroep van [verweerster] wordt verworpen.

Het principaal hoger beroep

In het principaal hoger beroep stelt het OM met zijn grieven opnieuw de vraag aan de orde of [verweerster] erin geslaagd is tegenbewijs te leveren tegen het wettelijk bewijsvermoeden van art 2:20 lid 3 BW. Daarvoor is nodig dat [verweerster] voldoende aannemelijk maakt dat ondanks haar bewezen gewelddadige werkzaamheid in het verleden, in haar geval geen sprake meer is en ook niet dreigt van een dergelijke werkzaamheid in strijd met de openbare orde die rechtvaardigt dat zij thans door het hof verboden wordt verklaard.

Met grief 1 voert het OM aan dat de rechtbank in rov 5.11 en 5.20 van de bestreden beschikking ten onrechte heeft overwogen dat [verweerster] voldoende heeft ontzenuwd dat de werkzaamheid van [verweerster] in strijd is met de openbare orde. Grief 2 bevat, in het verlengde daarvan, de klacht dat de overweging van de rechtbank in rov. 5.22 dat het risico op het aanwenden van de verkoopopbrengst voor de financiering van criminele activiteiten de verbodenverklaring van [verweerster] niet dringend noodzakelijk maakt, onterecht is. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke bespreking. Het hof merkt in dit verband op dat de rechtbank materieel van dezelfde toets is uitgegaan als hiervoor verwoord in 5.13 en dat daartegen op zichzelf in hoger beroep niet is opgekomen. Het tegenbewijs komt in dit geval dus neer op bewijs van het tegendeel. Het hof zal daarom in het vervolg niet spreken van het ontzenuwen van het vermoeden maar van het weerleggen daarvan.

Het OM stelt zich op het standpunt dat het bewijsvermoeden van art. 2:20 lid 3 BW dient te worden weerlegd op basis van door de rechtspersoon getroffen maatregelen om herhaling in de toekomst te voorkomen en dat een andere wijze van het leveren van tegenbewijs ook niet goed voorstelbaar is. Het OM wijst in dat verband op een passage in de wetsgeschiedenis (aansluitend op de in 5.9 geciteerde passage): “Tegenbewijs tegen het rechtsvermoeden van strijd met de openbare orde is niet uitgesloten, bijvoorbeeld door aan te tonen dat door de rechtspersoon maatregelen zijn getroffen om herhaling in de toekomst te voorkomen, zoals door het royement of ontslag van (een deel van) de (bestuurs)leden. Of het tegenbewijs voldoende is, staat ter beoordeling van de rechter.” (Kamerstukken II 2019/20, 35366, nr 3, p.21). Het OM betoogt voorts dat voor de invulling van die maatregelen inspiratie kan worden ontleend aan de eisen die worden gesteld in het kader van het strafrechtelijke leerstuk van de vrijwillige terugtred. In de eerste plaats moet sprake zijn van een terugtred die vrijwillig is en niet (in overwegende mate) wordt beïnvloed door invloeden van buitenaf. In de tweede plaats moet sprake zijn van een tegengestelde gedraging die naar aard en tijdstip geschikt is om de eerder ingezette gevolgen effectief te beletten. [verweerster] heeft geen afstand genomen van haar eerdere werkzaamheden en de getroffen maatregelen zijn niet toereikend, aldus het OM.

Het verweer van [verweerster] dat het bewijsvermoeden hier in het geheel niet van toepassing is, heeft het hof hiervoor in het kader van het incidenteel beroep al besproken en verworpen. [verweerster] heeft voorts weersproken dat het bewijsvermoeden steeds dient te worden weerlegd op de wijze zoals door het OM wordt betoogd. Zij stelt dat de werkzaamheid die in strijd was met de openbare orde is gestaakt en dat irrelevant is of dit uit eigen beweging en zonder druk van buitenaf is gebeurd. Bovendien voert zij aan wel degelijk afstand te hebben genomen van het gedrag van de vroegere Hells Angels die zich aan zware criminaliteit schuldig hebben gemaakt.

Het hof overweegt dat niet op voorhand eisen kunnen worden gesteld aan de wijze waarop het tegenbewijs tegen het vermoeden van art. 2:20 lid 3 BW dient te worden geleverd. Het is aan [verweerster] feiten en omstandigheden aan te voeren die meebrengen dat in haar geval geen sprake meer is van strijd met de openbare orde. Het komt dan aan op een op dit concrete geval toegesneden weging en waardering van de aangevoerde feiten en omstandigheden. In dat verband moet ook de weging worden gemaakt of hetgeen kan worden vastgesteld maakt dat een verbod vanwege strijdigheid met de openbare orde noodzakelijk en proportioneel is. Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat het hier gaat om een beperking van de in artikel 8 Grondwet en artikel 11 EVRM gewaarborgde grondrechten (zie wat hierover in 5.3 is overwogen).

Wat [verweerster] heeft aangevoerd komt op het volgende neer.

Het clubhuis is op 26 januari 2017 gesloten en de bankrekening is toen beslagen. Sindsdien heeft [verweerster] de werkzaamheden waarop haar veroordeling berustte niet meer verricht en ook niet meer kunnen verrichten. Zij heeft geen enkele werkzaamheid meer gehad. De Hells Angels (HAMC en HAMC Holland) zijn na de beschikking van de Hoge Raad van 15 juli 2022 verboden en ontbonden en de activiteiten van de Hells Angels in Nederland zijn sindsdien volledig beëindigd. De leden van de vroegere Hells Angels die zich aan zware criminaliteit schuldig hebben gemaakt, hebben geen zitting gehad in het bestuur van [verweerster] . [belanghebbende 1] en [belanghebbende 3] zijn veroordeeld wegens deelname aan een criminele organisatie maar zij hebben zich nooit schuldig gemaakt aan geweld of andere misdrijven die plaats hebben gehad in het kader van die criminele organisatie. [verweerster] noch haar bestuursleden zijn betrokken geweest bij de Hardliners MC. Om alle schijn van connecties met de vroegere Hells Angels te vermijden zijn [belanghebbende 1] en [belanghebbende 3] op 4 februari 2025 als bestuursleden afgetreden. De nieuwe bestuurders [naam 1] en [naam 2] hebben geen connecties met de Hells Angels gehad en hebben geen strafrechtelijk verleden. [belanghebbende 2] is in juli 2022 tot het bestuur toegetreden en is niet betrokken geweest bij het strafrechtelijk onderzoek. [verweerster] heeft vanaf begin 2025 diverse pogingen ondernomen om haar statuten te wijzigen en daarbij onder meer haar naam te wijzingen zodat haar naam niet langer verwijst naar de Hells Angels. Eerdere actie was niet mogelijk in verband met gebrek aan middelen. Bovendien was het niet eenvoudig een notaris te vinden die bereid was de werkzaamheden te verrichten.

Het OM stelt zich op het standpunt dat de feiten en omstandigheden die [verweerster] aanvoert niet volstaan en dat [verweerster] nog steeds een juridisch vehikel is van de Hells Angels. Het hof overweegt als volgt.

Niet in geschil is dat [verweerster] sinds 2017 geen werkzaamheden meer heeft gehad, anders dan het voeren van verweer in de strafprocedure (waarover hierna in 5.23). Van de werkzaamheden die tot de strafrechtelijke veroordeling hebben geleid is in ieder geval sinds 2017 geen sprake meer, zoals hiervoor ook al is vastgesteld in 5.6. Deze werkzaamheden kunnen ook niet meer worden hervat.

Dat er sprake is geweest van andere, aan [verweerster] toe te rekenen, criminele activiteiten kan evenmin worden vastgesteld. Bij de Hardliners MC (zie 3.11) heeft [verweerster] geen betrokkenheid gehad.

Zoals [verweerster] heeft aangevoerd, zijn de HAMC en HAMC Holland in Nederland verboden. HAMC Holland is ontbonden. Het OM ziet desondanks voortgaande betrokkenheid van [verweerster] bij de Hells Angels en noemt een aantal activiteiten die daar in zijn visie op wijzen. Als juist is dat [verweerster] werkzaamheden heeft verricht om de betrokkenheid van [verweerster] bij de Hells Angels zeker te stellen en daarmee de organisatie levend te houden, brengt dat mee dat het vermoeden van artikel 2:20 lid 3 BW niet is weerlegd. Ter beoordeling staat derhalve of de werkzaamheden die het OM in dat verband noemt de betekenis hebben die het OM daaraan geeft.

Volgens het OM blijkt deze betrokkenheid om te beginnen uit het feit dat [verweerster] zich heeft ingespannen om verbeurdverklaring van het clubhuis te voorkomen door zich actief – in drie instanties – te verweren in de tegen haar aangespannen strafprocedure. Daarbij komt dat [verweerster] na de verbeurdverklaring heeft geprobeerd het clubhuis te verkopen aan een vastgoed bv, wat volgens het OM niet anders kan worden begrepen als een poging om invloed uit te oefenen op de nieuwe eigenaar van het clubhuis.

Het gebruikmaken van het recht om verweer te voeren in de strafprocedure, kan op zichzelf niet worden aangemerkt als een werkzaamheid die ertoe dient de betrokkenheid bij de Hells Angels levend te houden. [verweerster] had een eigen belang op te komen tegen een strafrechtelijke veroordeling. Uit het feit dat [verweerster] zich heeft verzet tegen het verlies van het clubhuis en zich heeft bemoeid met verkoop, kan niet worden afgeleid dat zij dat pand opnieuw wilde gebruiken om het aan de Hells Angels [plaats 1] ter beschikking te stellen.

Het OM heeft er voorts op gewezen dat [verweerster] sinds 26 januari 2017 nog medeveroordeelden in de strafzaak heeft benoemd als bestuurders en dat [verweerster] in een voorgenomen statutenwijziging Stichting Harley Dag [plaats 1] als begunstigde wenst aan te wijzen terwijl die stichting banden had met de Hells Angels.

Uit het feit dat [verweerster] in het verleden medeveroordeelden in de strafzaak als bestuurslid heeft gehandhaafd respectievelijk tot bestuurslid heeft benoemd, kan evenmin de conclusie worden getrokken dat daarmee het charter Hells Angels [plaats 1] in stand is gehouden of voortgezet. Zonder specifieke aanwijzingen dat de bestuursleden die voor de verbodenverklaring lid waren van de Hells Angels, zich nadien nog steeds als Hells Angels zijn blijven afficheren, zegt hun rol in het verleden onvoldoende. Het feit dat [verweerster] in een voorgenomen statutenwijziging Stichting Harley Dag [plaats 1] als begunstigde opneemt, kan evenmin de conclusie dragen dat blijvende betrokkenheid bij de Hells Angels bestaat. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat het OM weliswaar – onder verwijzing naar overgelegde stukken – heeft aangevoerd dat Stichting Harley Dag [plaats 1] zich in het verleden (rond 2011/2012) positief over de Hells Angels heeft uitgelaten, dat aan Stichting Harley Dag [plaats 1] evenementenvergunningen zijn geweigerd en dat bestuurders van Stichting Harley Dag [plaats 1] banden hebben gehad met de Hells Angels, maar dat gesteld noch gebleken is dat Stichting Harley Dag [plaats 1] zich schuldig heeft gemaakt aan criminele activiteiten of dat er een duidelijke dreiging bestaat dat Stichting Harley Dag [plaats 1] criminele activiteiten zal begaan.

Bij het vorenstaande merkt het hof nog op dat het OM ook in hoger beroep geen concrete aanwijzingen heeft verstrekt dat de Haarlemse afdeling van de Hells Angels nog steeds actief is.

[verweerster] heeft voorts aangevoerd dat zij al in 2017 afstand heeft genomen van het deel van de leden van de voormalige Hells Angels dat zich aan zware criminaliteit schuldig heeft gemaakt en dat zij inmiddels maatregelen heeft getroffen om alle schijn van connecties met de vroegere Hells Angels te vermijden.

Aan het OM kan worden toegegeven dat [verweerster] na de sluiting van het clubhuis en het beslag op de bankrekening in januari 2017 en evenmin na de strafrechtelijke veroordelingen door de rechtbank in juli 2018 en door dit hof in maart 2022 er niet actief blijk van heeft gegeven met het verleden te willen breken. Zij heeft [belanghebbende 1] als bestuurder gehandhaafd en de dag voor de uitspraak van de Hoge Raad nog [belanghebbende 3] tot bestuurder benoemd. Zoals hiervoor is geoordeeld is dit op zichzelf onvoldoende aanwijzing voor een voortgezette connectie met de inmiddels verboden Hells Angels, maar het wijst ook niet op een afstand van de eerdere activiteiten.

[verweerster] heeft dit verklaard uit de omstandigheid dat een actieve wijziging van activiteiten niet tot de mogelijkheden behoorde omdat zij niet beschikte over financiële middelen. Zij kon fondsen aantrekken voor juridische bijstand, maar daar hield het mee op. Overigens heeft zij in verband daarmee ook nog de nodige schulden te voldoen, zo heeft zij ter zitting verklaard. Zij voert aan dat het bestuur inmiddels is gewijzigd en dat wordt gewerkt aan statutenwijziging. Als vermeld was de voorzitter van het bestuur [belanghebbende 2] niet betrokken bij de strafzaak en de hebben de twee nieuwe bestuursleden geen betrokkenheid gehad bij de Hells Angels. Ook het bestuur van Stichting Harley Dag [plaats 1] is overigens gewijzigd. Vanaf begin 2025 heeft [verweerster] pogingen gedaan haar statuten te wijzigen en de naam weer terug te brengen naar haar oorspronkelijke naam: Stichting Motorclub [plaats 1] , De benaderde notarissen hebben echter hun diensten geweigerd omdat zij in verband met de KYC-regels het risico te groot achtten. Pas recent is een notaris gevonden die bereid is zijn bijstand te verlenen, aldus [verweerster] .

Het OM heeft er op gewezen dat [belanghebbende 1] en [belanghebbende 3] pas op 4 februari 2025 als bestuurders zijn vervangen, dus na indiening van het inleidend verzoekschrift in deze procedure (op 28 oktober 2024) en kort voor de zitting in eerste aanleg en dat de voorgenomen statutenwijziging ook pas daarna is aangekondigd en tot op heden niet is doorgevoerd.

Het hof acht plausibel dat de gewenste statutenwijziging vertraging heeft opgelopen om de reden als vermeld door [verweerster] . [verweerster] heeft in verband daarmee ook stukken overgelegd die steun geven aan haar stelling. Wat het huidige bestuur betreft is de stand van zaken zo dat de voorzitter [belanghebbende 2] weliswaar een gevalideerd lid is geweest van de Hells Angels, maar niet betrokken is geweest bij strafprocedures zoals die zijn gevoerd tegen [verweerster] , [belanghebbende 1] en [belanghebbende 3] . Van [naam 1] en [naam 2] is niet gebleken dat zij banden met de Hells Angels hebben gehad. Het OM heeft nog aangevoerd dat [naam 2] in 2023 in verband is gebracht met de Hardliners MC. Uit het in verband daarmee overgelegde proces-verbaal volgt dat hij mogelijk de colors van de Hardliners MC droeg en in de auto zat bij een persoon die vesten van de Hardliners MC bij zich had maar dat hij nooit gevalideerd lid van de Hardliners MC is geworden. Dit is te vaag om hieruit – via de band van de Hardliners MC – een connectie met de Hells Angels af te leiden.

Duidelijk is dat [verweerster] een belang heeft bij het ontvangen van het te verwachten overschot van de verkoopopbrengst van het clubhuis dat ingevolge het arrest van dit hof van 10 maart 2022 aan haar dient toe te komen. Om het overschot te kunnen ontvangen, dient [verweerster] te blijven voortbestaan. Zij was al jaren inactief – op haar verdediging in de strafzaak na – en kennelijk ondervond zij niet eerder noodzaak om zich, ondanks haar jarenlange inactiviteit, toch nog aantoonbaar verder los te maken van haar verleden dan toen zij in haar voorbestaan werd bedreigd door het verzoek van het OM. Ook al zijn deze wijzigingen klaarblijkelijk ingegeven door de concrete dreiging, dat brengt niet mee dat hieraan geen betekenis kan worden toegekend. Wat de bestemming van de te verwachten gelden betreft, heeft [verweerster] ter zitting verklaard dat deze allereerst zullen worden aangewend ter dekking van de sinds 2017 door haar gemaakte kosten die vanwege de gevoerde juridische procedures hoog zijn geweest en dat de bedoeling is dat wat overblijft te besteden aan het organiseren van motorevenementen.

Het hof komt op grond van de feiten waarvan in deze procedure kan worden uitgegaan en hetgeen hiervoor is overwogen tot de volgende conclusie over de grieven 1 en 2.

Na de periode van mei 2014 tot en met 26 januari 2017, de periode waar de strafrechtelijke veroordeling betrekking op heeft, heeft [verweerster] het clubhuis en de bankrekening niet meer ter beschikking gesteld of kunnen stellen aan de Haarlemse charter van de Hells Angels en ook geen andere activiteiten meer verricht die (dreigen te) leiden tot geweld. Behoudens het voeren van juridische procedures, heeft [verweerster] na 26 januari 2017 in het geheel geen activiteit meer gehad; daarvoor miste zij ook de middelen. Deze inactiviteit duidt op zichzelf dus niet op een afstand van haar eerdere werkzaamheden. Zoals [verweerster] ook zelf stelt, was zij vleugellam. Wel is van belang dat [verweerster] haar eerdere werkzaamheden niet meer kán hervatten: het clubhuis is verbeurdverklaard en de Hells Angels zijn verboden en ontbonden. Het komt er dan op aan of zij nog werkzaamheden heeft verricht die haar koppelen aan deze inmiddels verboden organisatie of dat zij op andere wijze een relatie tot de Hells Angels heeft onderhouden. [verweerster] heeft betoogd dat dit niet het geval is en zij heeft haar afstand tot de voormalige Hells Angels willen benadrukken door een bestuurswijziging en een voornemen tot statutenwijziging. Ter zitting heeft zij verklaard [verweerster] nieuw leven in te willen blazen met een positief zicht op de toekomst.

Dat [verweerster] bestuursleden heeft (gehad) die lid waren van de Hells Angels [plaats 1] is op zich een feit. Er zijn echter geen concrete aanwijzingen dat de Hells Angels [plaats 1] nog actief zijn en dat [verweerster] of haar bestuursleden bij de Hells Angels betrokken zijn (gebleven) of activiteiten hebben verricht om die organisatie levend te houden. Het OM heeft ter zitting aangevoerd dat het nu stil is maar dat [verweerster] weer gaat functioneren op het moment dat het geld loskomt en dan onbekend is welke route zij gaat nemen. Het OM wil ervoor zorgen dat het risico dat weer criminele activiteiten worden verricht zich zo min mogelijk voordoet.

De vrees van het OM dat het geld in handen komt van voormalige Hells Angels en gebruikt gaat worden voor criminele activiteiten, is gezien de voorgeschiedenis begrijpelijk. Maar een vrees die alleen op een mogelijk scenario is gebaseerd en waarvoor de aanwijzingen alleen zijn gelegen in activiteiten en hoedanigheden in het niet zeer recente verleden terwijl er momenteel geen concrete aanwijzingen bestaan, is onvoldoende grond om de uitoefening van een grondrecht te beperken. In de wetsgeschiedenis is er in dat verband, onder verwijzing naar de jurisprudentie van het EHRM, op gewezen dat niet voldoende zal zijn dat er slechts een theoretische mogelijkheid bestaat dat een handeling of opvatting leidt of kan leiden tot aantasting van de menselijke waardigheid, geweld, haat of discriminatie. Steeds zal duidelijk moeten zijn dat er tenminste een reëel en ernstig risico bestaat dat dit gevaar zich zal verwezenlijken (Kamerstukken II 2019/20, 35366, nr 3, p.21).

De conclusie van het vorenstaande is dat [verweerster] , mede gelet op de terughoudendheid die dient te worden betracht (zie 5.3), voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat verbodenverklaring en ontbinding van [verweerster] thans niet noodzakelijk is. Ook het hof is derhalve van oordeel dat [verweerster] het vermoeden van artikel 2:20 lid 3 heeft weerlegd en dat dus niet is voldaan aan het vereiste voor verbodenverklaring op grond van artikel 2:20 lid 1 BW. De grieven 1 en 2 treffen geen doel.

Het hof verwerpt het bewijsaanbod van het OM. Het OM heeft geen bewijs aangeboden van voldoende concrete stellingen die, indien bewezen, tot een andere uitkomst kunnen leiden.

Grief 3 deelt het lot van de grieven 1 en 2 en hoeft geen zelfstandige bespreking.

Nu de grieven van het OM falen zal de bestreden beschikking worden bekrachtigd. Het OM zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van [verweerster] in het principaal hoger beroep (€ 827,- griffierecht + € 2.580,- salaris advocaat, tarief II, 2 punten). De proceskosten van de verschenen belanghebbenden zullen op nihil worden gesteld. In het incidenteel hoger beroep, waarin een standpunt is ingenomen dat ook in het principaal hoger beroep is aangevoerd, zullen de proceskosten worden gecompenseerd.

6. Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

veroordeelt het OM – uitvoerbaar bij voorraad – in de kosten van het geding in het principaal hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Stichting vastgesteld op € 3.407,- en aan de zijde van [belanghebbende 1] c.s. op nihil;

compenseert de proceskosten in het incidenteel hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. J. van der Kraan, mr. M.M.M. Tillema en mr. J.M. van den Berg en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. M.M.M. Tillema
  • mr. J.M. van den Berg

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand