ECLI:NL:GHAMS:2026:1172

ECLI:NL:GHAMS:2026:1172

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 28-04-2026
Datum publicatie 01-05-2026
Zaaknummer 200.355.855
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Klacht tegen een gerechtsdeurwaarder. Ontruimingsvonnis te laat betekend door gerechtsdeurwaarder. Melding vroegsignalering gemeente. Klacht deels gegrond. Berisping.

Uitspraak

beslissing

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

zaaknummer : 200.355.855/01 GDW

nummer eerste aanleg : C/13/755612 DW RK 24/300

beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 28 april 2026

inzake

[appellant] ,

wonend te [plaats 1] , gemeente Oss,

appellant,

tegen

[geïntimeerde] ,

gerechtsdeurwaarder te [plaats 2] ,

geïntimeerde.

Partijen worden hierna klager en de gerechtsdeurwaarder genoemd.

1. De zaak in het kort

In deze tuchtprocedure verwijt klager de gerechtsdeurwaarder dat zij een ontruimingsvonnis te laat heeft betekend waardoor de huurder twee maanden langer in het gehuurde kon verblijven. Daarnaast stelt klager dat de gerechtsdeurwaarder geen melding vroegsignalering heeft gedaan bij de gemeente. Net als de kamer in eerste aanleg, is ook het hof in hoger beroep van oordeel dat de klacht deels gegrond is.

2. Het geding in hoger beroep

Klager heeft op 19 juni 2025 een beroepschrift, met bijlagen, bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam (hierna: de kamer) van

13 juni 2025 tussen partijen gegeven onder bovengenoemd nummer (ECLI:NL:TGDKG:2025:57).

De gerechtsdeurwaarder heeft op 12 augustus 2025 een verweerschrift, met bijlagen, bij het hof ingediend.

Het hof heeft van de kamer de stukken van de eerste aanleg ontvangen.

Klager heeft op 25 augustus 2025 aanvullende producties bij het hof ingediend.

De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 11 februari 2026. Klager en de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen en hebben het woord gevoerd.

3. Feiten

Het hof verwijst naar de feiten die de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling daarvan geen bezwaar gemaakt, zodat ook het hof van die feiten uitgaat. De feiten zijn als volgt.

Klager heeft vanaf februari 2023 een woning verhuurd. Deze (huur)woning grenst aan de woning van klager.

De huurder van de woning heeft met ingang van februari 2024 de huur niet betaald.

Bij e-mail van 11 maart 2024 heeft klager de gerechtsdeurwaarder verzocht ogenblikkelijk een juridische procedure tegen de huurder te starten.

Bij e-mail van 14 maart 2024 heeft de gerechtsdeurwaarder klager meegedeeld dat zij eerst bericht van NVVK (Nederlandse Vereniging voor Volkskrediet, zijnde de branchevereniging voor schuldhulpverlening, sociaal bankieren en bewindvoering) moest ontvangen naar aanleiding van de aanmelding van de zogenaamde ‘vroegsignalering’ en dat de huurachterstand nog geen drie maanden bedroeg, zodat de rechter de huurovereenkomst nog niet zou ontbinden.

Bij e-mail van 8 april 2024 heeft klager de gerechtsdeurwaarder gemaild over een incident met de huurder in de huurwoning, waarbij politie en een ambulance betrokken waren.

De gerechtsdeurwaarder heeft in opdracht van klager een kortgedingdagvaarding opgesteld, die zij in concept ter goedkeuring aan klager heeft toegestuurd. Klager heeft hierop bij e-mail van 7 mei 2024 gereageerd en akkoord gegeven.

Nadien hebben diverse incidenten plaatsgevonden bij het gehuurde waarbij hulpverleners zijn betrokken.

Op 12 juni 2024 heeft zitting in het kort geding plaatsgevonden.

Tijdens deze zitting, waar de partijen met hun gemachtigden zijn verschenen, hebben de partijen overleg gevoerd en heeft de gerechtsdeurwaarder namens klager zijn eis aldus gewijzigd, dat in plaats van ontruiming binnen twee weken na betekening van het vonnis werd gevorderd ontruiming binnen twee maanden na betekening van het vonnis. Deze gewijzigde vordering is bij vonnis van 19 juni 2024 toegewezen.

Bij e-mails van 13 en 31 juli 2024 heeft de gerechtsdeurwaarder klager bericht over de stand van zaken ten aanzien van de begeleiding van de huurder bij het vinden van vervangende woonruimte dan wel maatschappelijke opvang.

Bij e-mail van 14 augustus 2024 (11:16 uur) heeft de gerechtsdeurwaarder aan klager meegedeeld dat de huurder niet langer gebruik wilde maken van het begeleidingstraject en dat het vonnis om die reden zou worden betekend. Per e-mail van dezelfde datum (11:42 uur) heeft klager opgemerkt dat hij dacht dat de betekening van het vonnis al had plaatsgevonden en heeft hij gevraagd waarom de betekening toen pas plaatsvond.

Bij exploot van 14 augustus 2024 heeft de gerechtsdeurwaarder het vonnis van 19 juni 2024 aan huurder betekend met gelijktijdig bevel om binnen twee maanden de huurwoning te ontruimen.

Tussen 15 en 22 augustus 2024 hebben de gerechtsdeurwaarder en klager gecommuniceerd over de reden voor de late betekening op 14 augustus 2024 en de vroegsignalering. Klager heeft de gerechtsdeurwaarder in een e-mail van 15 augustus 2024 aansprakelijk gesteld voor de schade die hij heeft geleden als gevolg van de te late betekening. De gerechtsdeurwaarder heeft klager daarop laten weten dat zij overgaat tot sluiting van het dossier, en klager erop gewezen dat hij op zoek kan gaan naar een andere gerechtsdeurwaarder die de ontruiming zal uitvoeren.

4. De klacht

Klager beklaagt zich er samengevat over dat de gerechtsdeurwaarder:

a. heeft verzuimd het vonnis van 19 juni 2024 direct te betekenen, met als gevolg dat de

huurder twee maanden langer in het gehuurde kon verblijven en de termijn tot ontruiming geen twee maanden meer betrof maar vier maanden;

per e-mail heeft meegedeeld dat zij op 1 maart 2024 een melding vroegsignalering

aan de gemeente heeft gedaan, terwijl uit het vonnis van 19 juni 2024 blijkt dat de melding pas op 6 mei 2024 heeft plaatsgevonden.

5. Beoordeling

De kamer heeft in de bestreden beslissing klachtonderdeel a gegrond verklaard en klachtonderdeel b ongegrond verklaard.

Nieuwe klachten en schadevergoeding

In hoger beroep heeft klager een aantal nieuwe klachten geformuleerd. Het hof behandelt de zaak in hoger beroep in volle omvang. Daarbij worden echter alleen klachten in beschouwing genomen die ook in de procedure in eerste aanleg voldoende kenbaar aan de kamer zijn voorgelegd. Het hof kan geen kennis nemen van de nieuwe klachten in hoger beroep en deze klachten zullen daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. Daarnaast is – zoals ook ter zitting in hoger beroep aan klager is duidelijk gemaakt – in een tuchtprocedure als deze geen ruimte voor een veroordeling tot schadevergoeding, zoals klager wenst.

Klachtonderdeel a: te late betekening vonnis

Tussen partijen bestaat een verschil van mening over de (achtergrond van de) eiswijziging tijdens de mondelinge behandeling van het kort geding op 12 juni 2024. Partijen zijn het er wel over eens dat de huurder enig respijt zou worden gegund om het hulpverleningstraject in goede banen te leiden. Volgens klager bestond dat respijt slechts erin dat de ontruimingstermijn werd gewijzigd van veertien dagen naar twee maanden na betekening van het vonnis. Volgens de gerechtsdeurwaarder is tijdens de schorsing van de mondelinge behandeling afgesproken dat – naast de verlengde ontruimingstermijn van twee maanden na betekening – het vonnis niet meteen maar pas na twee maanden zou worden betekend. Klager betwist dat hij met dat laatste heeft ingestemd.

De kamer heeft het volgende overwogen. Wat precies is besproken tijdens de genoemde schorsing en wie daardoor het gelijk aan zijn zijde heeft, kan niet worden vastgesteld. Wel is het zo dat klager – zoals blijkt uit zijn e-mail van 14 augustus 2024 – iets anders heeft begrepen uit dat overleg tussen partijen dan de gerechtsdeurwaarder. Dat leidt tot de vraag of deze onduidelijkheid voorkomen had kunnen worden en of de gerechtsdeurwaarder daarvan een verwijt is te maken. Naar het oordeel van de kamer heeft de gerechtsdeurwaarder, als professional die zich vaker met dit soort zaken bezig houdt, verzuimd te verifiëren of klager, als leek, heeft begrepen wat zich op dat moment afspeelde. Ook heeft de gerechtsdeurwaarder de gevolgen van de vermeende afspraak niet of niet voldoende uitgelegd aan klager. Gelet op de spanning die klager al langere tijd ervoer door de huursituatie naast zijn eigen woning had de gerechtsdeurwaarder – bijvoorbeeld in een gesprek na afloop van de mondelinge behandeling of na ontvangst van het vonnis – beter moeten uitleggen waar klager aan toe was. Dit betekent dat de gerechtsdeurwaarder meer had kunnen doen om de onduidelijkheid die is ontstaan te voorkomen, en dus een tuchtrechtelijk verwijt gemaakt kan worden, aldus de kamer.

Het hof sluit zich bij deze overwegingen van de kamer aan en maakt die tot de zijne. Het had op de weg van de gerechtsdeurwaarder gelegen om voordat de afspraak werd gemaakt te verifiëren of klager de gevolgen van de te maken afspraak begreep en daarmee akkoord ging. Het beroepschrift van klager, het verweerschrift van de gerechtsdeurwaarder en de verdere behandeling van de zaak ter zitting in hoger beroep hebben geen ander licht op de zaak geworpen en geven het hof geen aanleiding om tot een andere beoordeling te komen dan de kamer. Dit betekent dat klachtonderdeel a gegrond is, zoals ook de kamer heeft beslist.

Klachtonderdeel b: melding vroegsignalering

De kamer heeft over dit klachtonderdeel als volgt overwogen. De gerechtsdeurwaarder heeft klager bij e-mail van 28 februari 2024 geïnformeerd dat zij op 1 maart 2024 een melding vroegsignalering kon doen. Niet in geschil is dat de gerechtsdeurwaarder de melding pas op 6 mei 2024 heeft gedaan bij de gemeente [plaats 2] . De gerechtsdeurwaarder stelt in het verweerschrift dat ze heeft getracht de melding rechtstreeks bij de gemeente [plaats 2] te doen, maar dat de melding niet werd geaccepteerd, met als gevolg dat ze de route via NVVK diende te volgen. Omdat de gerechtsdeurwaarder pas op 29 april 2024 de inlogcode heeft ontvangen, kon zij de vroegsignalering daarna pas doen. De gerechtsdeurwaarder heeft klager overigens bij email van 14 maart 2024 ervan in kennis gesteld dat zij in afwachting was van bericht van NVVK aangaande de aanmelding vroegsignalering. Naar het oordeel van de kamer kan op dit klachtonderdeel de gerechtsdeurwaarder geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt.

Klager voert in hoger beroep aan dat in het geheel geen melding heeft plaatsgevonden. Klager heeft daartoe een e-mailbericht overgelegd van een medewerker van de gemeente [plaats 2] , waarin deze verklaart dat de gemeente nooit een melding over de huurachterstand van de huurder heeft ontvangen. De medewerker heeft volgens klager ook telefonisch meegedeeld dat zij de gerechtsdeurwaarder nooit heeft gesproken. Naar het oordeel van het hof strookt deze mededeling echter juist met de verklaring van de gerechtsdeurwaarder dat de melding niet rechtstreeks bij de gemeente [plaats 2] kon worden gedaan, maar via het onlineportaal van de NVVK moest lopen. De gerechtsdeurwaarder heeft een schermafbeelding van dat onlineportaal overgelegd waaruit blijkt dat de melding daadwerkelijk is gedaan. Dat betekent dat het hof, net als de kamer, van oordeel is dat dit klachtonderdeel ongegrond is.

Conclusie en maatregel

Uit het voorgaande volgt dat de klacht gedeeltelijk gegrond is. De gerechtsdeurwaarder heeft voor het gegrond verklaarde klachtonderdeel a de maatregel van berisping opgelegd gekregen. De gerechtsdeurwaarder heeft verklaard dat zij zich bij deze door de kamer opgelegde maatregel neerlegt en dat zij lering heeft getrokken uit het gebeurde, in die zin dat zij in het vervolg gemaakte afspraken aan haar opdrachtgever schriftelijk zal bevestigen. Het hof zal de beslissing van de kamer bevestigen.

Geen proceskostenveroordeling in hoger beroep

Omdat het hof de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, dient de gerechtsdeurwaarder het door klager betaalde griffierecht in hoger beroep van € 50,- aan hem te vergoeden. Klager dient hiervoor een rekeningnummer aan de gerechtsdeurwaarder op te geven. Na opgave van dit rekeningnummer dient de gerechtsdeurwaarder binnen vier weken het griffierecht in hoger beroep aan klager te voldoen.

Het hoger beroep leidt tot oplegging van dezelfde maatregel als de kamer heeft opgelegd. Daarom ziet het hof – overeenkomstig de door het hof gehanteerde richtlijn ‘Uitgangspunten proceskostenveroordeling in hoger beroep’ (te raadplegen op de website van dit hof) – af van een kostenveroordeling in hoger beroep. De door de kamer uitgesproken proceskostenveroordeling blijft wel in stand.

6. Beslissing

Het hof:

- verklaart de in hoger beroep nieuw geformuleerde klachten niet-ontvankelijk;

- bevestigt de bestreden beslissing;

- veroordeelt de gerechtsdeurwaarder tot betaling aan klager van het door hem betaalde griffierecht in hoger beroep van € 50,- binnen vier weken na opgave van het rekeningnummer door klager.

Deze beslissing is gegeven door mrs. J.C.W. Rang, J.W.M. Tromp en A.W. Jongbloed en in het openbaar uitgesproken op 28 april 2026 door de rolraadsheer.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand