ECLI:NL:GHAMS:2026:1174

ECLI:NL:GHAMS:2026:1174

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 28-04-2026
Datum publicatie 01-05-2026
Zaaknummer 200.359.544
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Klacht tegen notarissen. Onderzoeksplicht. Executieveiling. Veilingvoorwaarden. Aanzegging executieveiling. Rol notarissen bij een executieveiling. Klacht ongegrond.

Uitspraak

beslissing

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

zaaknummer : 200.359.544/01 NOT

nummer eerste aanleg : C/05/443717 / KL RK 24-164

beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 28 april 2026

inzake

[appellant] ,

wonend te [plaats 1] ,

appellant,

gemachtigde: mr. A.E. Noordhuis,

tegen

1. [geïntimeerde 1] ,

notaris te [plaats 2] ,

2. [geïntimeerde 2] ,

kandidaat-notaris te [plaats 3] ,

geïntimeerden,

gemachtigde: mr. M.J.G. Boender-Lamers, advocaat te Rotterdam.

Partijen worden hierna klager en de notarissen (respectievelijk de notaris en de kandidaat-notaris) genoemd.

1. De zaak in het kort

De klacht betreft de (voorgenomen) executieveiling van een woning in verband met een uitstaande schuld. Klager is de schuldenaar. De schuldeisers zijn de moeder van klager en (de erven van) de grootmoeder van klager. Klager verwijt de notarissen in de kern dat zij onzorgvuldig hebben gehandeld door mee te werken aan de executieopdracht.

De kamer heeft de klacht niet-ontvankelijk verklaard in verband met de vervaltermijn van artikel 99 lid 21 Wet op het notarisambt (hierna: Wna). Het hof komt wél aan een inhoudelijke beoordeling toe en verklaart de klacht ongegrond.

2. Het geding in hoger beroep

Klager heeft op 24 september 2025 een beroepschrift – met bijlagen – bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor het notariaat in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de kamer) van 25 augustus 2025 tussen partijen gegeven onder bovengenoemd nummer (ECLI:NL:TNORARL:2025:31).

De notarissen hebben op 12 december 2025 een verweerschrift – met een bijlage – bij het hof ingediend.

Het hof heeft van de kamer de stukken van de eerste aanleg ontvangen.

De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 4 maart 2026. Klager, vergezeld van zijn gemachtigde, en de notarissen, vergezeld van hun gemachtigde, zijn verschenen. Klager, de kandidaat-notaris en de gemachtigden hebben het woord gevoerd; de gemachtigde van klager aan de hand van een aan het hof overgelegde pleitnota.

3. Feiten

Het hof gaat uit van de volgende feiten, die tussen partijen niet in geschil zijn.

Klager exploiteerde in een maatschap een landbouwbedrijf samen met zijn moeder en broer. Op enig moment werd besloten om de maatschap te ontbinden, waarna klager alleen de exploitatie van het landbouwbedrijf zou voortzetten. Hiertoe diende klager zijn moeder en broer uit te kopen. De financiering hiervoor regelde klager door twee leningen af te sluiten bij zijn grootmoeder en zijn moeder. Voor deze leningen werd één gemeenschappelijk recht van hypotheek verleend door klager, onder meer op zijn woonhuis.

Na de overname van het landbouwbedrijf voldeed klager enkele betalingstermijnen op de leningen niet tijdig. Daarop hebben, onder meer, de moeder en grootmoeder van klager een advocaat ingeschakeld, [naam 1] (hierna: [naam 1] ). De vorderingen van de moeder en grootmoeder bestonden uit contractuele boetes en te laat betaalde rentetermijnen op de leningen.

Op 24 maart 2020 overleed de grootmoeder van klager (hierna: grootmoeder). Zij had tot haar enig erfgenaam benoemd de tante van klager. Tevens had grootmoeder in haar testament notaris mr. Hunderman aangesteld als executeur en afwikkelingsbewindvoerder met privatieve bevoegdheid (hierna: de executeur).

De tante van klager heeft vervolgens ook [naam 1] ingeschakeld. Op 16 december 2020 heeft [naam 1] de notaris en de kandidaat-notaris opdracht gegeven om het onderpand uit het hypotheekrecht te executeren door middel van een executieveiling.

Bij brief van 1 maart 2021 heeft de kandidaat-notaris aan klager een brief gestuurd waarin staat, voor zover van belang:

Geachte heer [naam 2] ,

In opdracht van:

Mevrouw [hof: moeder klager], [hof: tante klager] (enig erfgenaam [naam 3] [hof: grootmoeder]) en de heer [naam 4] (executeur en afwikkelingsbewindvoerder in de nalatenschap [naam 3] [hof: grootmoeder]),

Zeg ik u bij dezen – op grond van de opgelopen schulden inzake de hypothecaire geldlening d.d. 20 december 2017 op het adres [hof: adres klager] – de op handen zijnde executieveiling aan (…).

Bij brief van 11 mei 2021 heeft de juridisch adviseur van klager de executeur gesommeerd de voorgenomen executie van de hypotheek te staken omdat – samengevat – klager niet in verzuim was en hij een beroep deed op verrekening (van onder meer zijn legitieme portie).

Op 11 juni 2021 is een deurwaardersexploot uitgebracht. Daarin stond dat op verzoek van tante en moeder de executie werd aangezegd en dat de vordering waarvoor het hypotheekrecht zou worden geëxecuteerd per 11 januari 2021 een bedrag van € 241.696,08 inclusief renten en kosten bedroeg.

De executie is vervolgens opgeschort omdat partijen met elkaar in overleg traden.

De kandidaat-notaris heeft bij brief van 9 november 2021 aan klager wederom aangezegd dat het onderpand geëxecuteerd zou gaan worden. Deze brief en het deurwaardersexploot van 26 november 2021 zijn (vrijwel) gelijkluidend aan de eerdere aanzegging van 1 maart 2021 (genoemd onder 3.5) en het deurwaarderexploot van 11 juni 2021 (genoemd onder 3.7).

Bij brief van 23 november 2021 heeft mr. Ubbens, de advocaat van klager, aan de kandidaat-notaris, onder meer, het volgende bericht:

Bijgaand zend ik u de brief die ik heden uit deed gaan aan de advocate van uw cliënten, zulks in verband met uw recente brief waarbij u wederom aankondigt een executie te gaan organiseren.

Zoals uit de brief duidelijk wordt, acht cliënt die executie in de gegeven omstandigheden evident onrechtmatig en in strijd met de redelijkheid en billijkheid.

Ik verwijs u kortheidshalve naar de brief en ga ervan uit, gegeven ook uw zorgplicht jegens mijn cliënt, dat u, zover dat u de opdracht ook definitief zou krijgen, de executie niet eerder plant dan vanaf 1 februari 2022 zodat de komende tijd kan worden benut om als een billijke regeling niet mogelijk is, tijdig aan de voorzieningenrechter de vraag voor te leggen of de executie gerechtvaardigd is (…).”

Klager is in december 2021 bij de rechtbank Noord-Nederland een kort geding procedure gestart tegen zijn moeder en zijn tante om de executie te voorkomen. Op de zitting van 23 december 2021 is door partijen een schikking getroffen. Onderdeel van deze schikking is dat de aangekondigde veiling werd gestaakt. De notarissen hebben vervolgens de executie stopgezet.

4. De klacht

Klager verwijt de notarissen dat zij onzorgvuldig en in strijd met de op hen rustende zorgplicht jegens klager hebben gehandeld door mee te werken aan de executie van het hypotheekrecht. Klager concretiseert dit verwijt in de navolgende klachtonderdelen:

5. Beoordeling

De kamer heeft in de bestreden beslissing de klacht tegen de notarissen niet-ontvankelijk verklaard, omdat die te laat is ingediend en is niet aan een inhoudelijke beoordeling van de klacht toegekomen.

Ontvankelijkheid

Het hof zal eerst moeten beoordelen in hoeverre de klacht binnen de daartoe in de wet gestelde termijn is ingediend. Op grond van artikel 99 lid 21 Wna verloopt het klachtrecht drie jaar na de dag waarop de klachtgerechtigde kennis heeft genomen of redelijkerwijs kennis heeft kunnen nemen van het klachtwaardig handelen of nalaten van de notaris. Het oorspronkelijke klaagschrift is ingediend op 7 november 2024. Dat betekent dat de klacht alleen ontvankelijk is voor zover deze betrekking heeft op handelen of nalaten van de notarissen dat dateert van 6 november 2021 of later. Het hof stelt vast dat de notarissen op twee momenten (op 1 maart 2021 en op 9 november 2021) de executieveiling aan klager hebben aangezegd. Dat betekent dat de klacht over de eerste aanzegging niet, maar over de tweede aanzegging wél binnen de door de wet genoemde vervaltermijn van drie jaar is ingediend. Niet al het handelen of nalaten van de notarissen dat een vervolg is op de eerste veilingopdracht van 16 december 2020 valt buiten het bereik van het tuchtrecht. Het hof is, anders dan de kamer, van oordeel dat de aanzegging van 9 november 2021 als een nieuwe handeling moet worden gezien. Hiermee hebben de notarissen, zoals ook door de kandidaat-notaris in hoger beroep is bevestigd, de opdracht die ze eerder kregen opnieuw opgepakt. Tussen de eerste en de tweede aanzegging is overleg geweest tussen partijen en zijn omstandigheden veranderd, wat maakte dat de opdracht nogmaals werd gegeven. Deze tweede aanzegging kan ook los van die van 1 maart 2021 worden beoordeeld. Anders dan de kamer is het hof daarom van oordeel dat klager wel in zijn klacht kan worden ontvangen voor zover deze betrekking heeft op handelen of nalaten van de notarissen dat dateert van 6 november 2021 of later.

Wie is verantwoordelijk?

Het hof stelt vast dat, evenals bij de kamer, ook in hoger beroep de notaris en de kandidaat-notaris een gelijkluidend verweerschrift hebben ingediend. De notarissen hebben niet aangevoerd dat er een bepaalde taakverdeling tussen hen was. Met de kamer gaat het hof er daarom van uit dat zij allebei in gelijke mate verantwoordelijk zijn voor de handelingen die zijn verricht ter uitvoering van de opdracht tot executie van het onderpand. Het hiernavolgende geldt dan ook voor zowel de notaris als de kandidaat-notaris.

Inhoudelijk

Klachtonderdeel a: de notarissen zijn onvoldoende kritisch geweest op hun opdracht.

In de kern verwijt klager de notarissen dat zij zonder meer de executie-opdracht hebben uitgevoerd van een, aldus klager, als wildebras bekend staande advocaat [naam 1] zonder dat zij de reden van executie en de bevoegdheid van de executanten op grond van hun eigen notariële verantwoordelijkheid zorgvuldig hebben onderzocht.

De notarissen hebben voldoende aannemelijk gemaakt dat zij de rechtmatigheid van de hernieuwde veilingopdracht genoegzaam hebben onderzocht. Blijkens de door hun opdrachtgever aangeleverde stukken was sprake van een executoriale titel op basis waarvan de executie zou kunnen plaatsvinden. Van informatie op basis waarvan de notarissen direct en zonder diepgaand onderzoek duidelijk had moeten zijn dat de veiling niet door mocht gaan, is ook het hof niet gebleken. Op basis van de aan hen verstrekte gegevens hebben de notarissen gerechtvaardigd hun medewerking mogen verlenen aan de tweede executieopdracht. Zij waren zelfs verplicht die werkzaamheden te verrichten (artikel 21 lid 1 Wna). Klachtonderdeel a is ongegrond.

Klachtonderdeel b: de notarissen hebben niet proportioneel gehandeld.

Klager stelt dat de notarissen niet proportioneel hebben gehandeld. De onderpanden vertegenwoordigden een veel grotere waarde dan de in het deurwaardersexploot gestelde vorderingen. Deze vermeende vorderingen zijn bovendien nauwelijks onderbouwd.

De notarissen stellen dat ook voor wat betreft deze klacht hun onderzoeksplicht beperkt is. In hun rol als veilingnotaris is het niet aan hen om te beoordelen welke onderpanden geschikt zouden kunnen zijn om de openstaande vorderingen te voldoen.

Naar het oordeel van het hof hebben de notarissen de rechtmatigheid en daarmee ook de proportionaliteit van de executieopdracht voldoende onderzocht. Klager had de mogelijkheid om een executiegeschil te starten, wat hij ook heeft gedaan. Ook klachtonderdeel b is ongegrond.

Klachtonderdeel c: de notarissen hebben klager onvoldoende geïnformeerd over de actuele schuld.

Klager brengt naar voren dat de notarissen in het deurwaardersexploot van 26 november 2021 niet een correcte opgave hebben gedaan van de openstaande schuld waarvoor de executieveiling werd uitgeroepen. De notarissen voeren aan dat ze hun opdrachtgever schriftelijk hebben verzocht om duidelijkheid te verschaffen over de vraag a) wie de schuldeisers waren en b) wat de hoogte van de openstaande vorderingen was. Op basis van de aan hen verstrekte gegevens is de executieveiling vervolgens opnieuw gestart.

Als uitgangspunt geldt dat de verplichting om een opgave te verstrekken van de openstaande schulden rust bij de schuldeisers van de geëxecuteerde en niet bij de notarissen. Hierbij geldt dat de notarissen in beginsel mogen uitgaan van de juistheid van deze opgave. Dit is slechts anders indien er voor de notarissen aanknopingspunten waren op basis waarvan zij hadden moeten concluderen dat de aan hen verstrekte gegevens evident onjuist waren. Van dergelijke aanknopingspunten is het hof niet gebleken. Dat de notarissen, ondanks het feit dat klager werd bijgestaan door een advocaat, tot aan de aanzegging van 9 november 2021 niet waren ingelicht over tussentijdse betalingen door klager, kan de notarissen niet worden aangerekend. Ook klachtonderdeel c is daarom ongegrond.

Klachtonderdeel d: de notarissen hebben aan klager niet de veilingvoorwaarden toegestuurd.

Door de notarissen is erkend dat na de tweede aanzegging van de executieveiling op 9 november 2021 de veilingvoorwaarden niet aan klager zijn toegestuurd terwijl dit op grond van de wet wel verplicht was. De notarissen hebben hierover verklaard dat de executieveiling stond gepland op 11 januari 2022. De veilingvoorwaarden voor deze nieuwe executieveiling zijn vastgesteld op 24 november 2021 en op 9 december 2021 is de veiling online gezet. De notarissen hebben hiermee voldaan aan de door de wet gestelde termijnen voor het starten van een executieveiling. Uiterlijk 11 december hadden de veilingvoorwaarden aan klager toegezonden dienen te worden. Echter, toen de notarissen op 23 november 2021 de onder rov. 3.10. genoemde brief van de advocaat van klager ontvingen hebben zij de veiling opgeschort waardoor ze aan klager ook niet meer de veilingvoorwaarden hebben toegestuurd.

Vast is komen te staan dat de notarissen na de tweede aanzegging op 9 november 2021 niet hebben voldaan aan hun wettelijke verplichting (artikel 517 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering) om aan klager (tijdig) de veilingvoorwaarden te sturen. Onder de gegeven omstandigheden waarbij de notarissen na ontvangst van de brief van 23 november 2021 terecht hun medewerking aan de executieveiling hebben opgeschort is deze omissie echter van onvoldoende gewicht voor een gegrond tuchtrechtelijk verwijt. De veiling heeft immers geen doorgang gevonden en de veilingvoorwaarden zijn daardoor ook niet van betekenis geweest.

Ook klachtonderdeel d is ongegrond.

Klachtonderdeel e: de notarissen hebben ten onrechte tante opgevoerd als een schuldeiser van klager.

Klager stelt dat de notarissen ten onrechte de tante van klager hebben geaccepteerd als (mede)executant van de (vermeende) vorderingen op klager terwijl dit niet juist was. In het deurwaardersexploot van 26 november 2021 stond ten onrechte ook de tante van klager opgenomen. Alleen de privatief bevoegde executeur had, naast de moeder van klager, de bevoegdheid om tot executie van de (gestelde) vorderingen over te gaan.

Het hof stelt vast dat de kandidaat-notaris in de onder 3.9. genoemde brief van 9 november 2021 in opdracht van a) de moeder van klager, b) de tante van klager en c) de executeur/afwikkelingsbewindvoerder in de nalatenschap van grootmoeder de executieveiling heeft aangezegd. De kandidaat-notaris heeft daarmee in ieder geval de tot executie bevoegde personen, te weten de moeder van klager en de executeur/afwikkelingsbewindvoerder, genoemd. Dat zij ook de tante van klager heeft genoemd is hooguit onnodig en overbodig maar niet onlogisch of verwijtbaar, omdat de tante wel feitelijk de opdracht heeft gegeven. Dat de gerechtsdeurwaarder in zijn exploot van 26 november 2021 vervolgens uitsluitend de namen van de moeder en de tante van klager heeft opgenomen en dus niet de naam van de executeur kan de notarissen niet worden verweten. Zij hadden op de professionaliteit van de gerechtsdeurwaarder mogen afgaan. Klachtonderdeel e is ongegrond.

Conclusie

Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het hof, anders dan de kamer, van oordeel is dat de klacht op alle onderdelen ongegrond is. Het hof zal de beslissing van de kamer daarom vernietigen.

6. Beslissing

Het hof:

- vernietigt de bestreden beslissing;

en, opnieuw beslissende:

- verklaart de klacht ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mrs. J.H. Lieber, E. de Greeve en S.V. Viveen en in het openbaar uitgesproken op 28 april 2026 door de rolraadsheer.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand