ECLI:NL:GHAMS:2026:1182

ECLI:NL:GHAMS:2026:1182

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 28-04-2026
Datum publicatie 01-05-2026
Zaaknummer 200.366.892
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Hoger beroep tegen faillietverklaring. Niet in geschil is dat summierlijk is gebleken van een vordering van de Ontvanger ter zake waarvan hij het faillissement heeft aangevraagd. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de vorderingen van de ACM, de RVO en het CJIB niet kunnen dienen als steunvorderingen aangezien de drie vorderingen, evenals die van de Ontvanger, toebehoren aan de Staat zodat daarmee in wezen sprake is van één schuldeiser. Anders dan appellante heeft betoogd is uit de jaarrekening van appellante over 2022 summierlijk gebleken van een steunvordering. Nu ook aan de overige vereisten voor faillietverklaring is voldaan, wordt het faillissementsvonnis bekrachtigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.366.892/01

zaaknummer rechtbank : C/13/26/76 F

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 28 april 2026

in de zaak van

[appellant] ,

gevestigd te [plaats] ,

appellante,

advocaat: mr. F.B. Bosvelt te Utrecht,

tegen

DE ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST MIDDEN-EN KLEINBEDRIJF,

(mede) kantoorhoudende te Amsterdam,

geïntimeerde,

advocaat: mr. E.E. Schipper te Amsterdam.

1. Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en de Ontvanger genoemd.

[appellant] is bij per e-mail op 30 maart 2026 ter griffie van het hof ingekomen beroepschrift in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 20 maart 2026, waarbij [appellant] op verzoek van de Ontvanger in staat van faillissement is verklaard met benoeming van mr. C.H. Rombouts, lid van voornoemde rechtbank, tot rechter-commissaris en met aanstelling van mr. M. Weij, advocaat te Amsterdam, als curator (hierna: curator).

Het hoger beroep is behandeld ter zitting van 21 april 2026. Namens [appellant] is [naam 2] (bedrijfsjurist) verschenen. Mede omdat de bestuurder [naam 1] wegens persoonlijke omstandigheden niet aanwezig kon zijn, heeft [naam 2] desgevraagd uitdrukkelijk verklaard namens [appellant] het woord te voeren. Hij werd bijgestaan door mr. Bosvelt en

mr. L. van der Heijden, advocaten te Utrecht, die het beroepschrift hebben toegelicht. Namens de Ontvanger zijn verschenen [naam 3] en [naam 4] , bijgestaan door mr. Schipper voornoemd, die het verweer van de Ontvanger mondeling heeft toegelicht. Ten slotte is de curator verschenen.

Het hof heeft kennisgenomen van de volgende stukken die ter griffie zijn ingediend:

Partijen en de curator hebben desgevraagd verklaard eveneens te beschikken over de genoemde stukken. De Ontvanger heeft bezwaar gemaakt tegen de indiening van de nadere stukken (de overgelegde betaalbewijzen en het overzicht van de berekening van de wettelijke handelsrente) ter zitting.

Na de mondelinge behandeling heeft mr. Van der Heijden voornoemd, namens [appellant] , bij e-mail van 22 april 2026, met bijlagen, aan het hof en onder anderen mr. Schipper voornoemd en de curator het volgende bericht:

De vordering van [bedrijf 1] ( [bedrijf 1] ) is inclusief wettelijke handelsrente voldaan. Bijgaand stuur ik u de betaalbewijzen daarvan toe.

Voorafgaand aan dit bericht aan Uw Gerechtshof heeft overleg plaatsgevonden met mr. Schipper. Mr. Schipper heeft toestemming gegeven om dit bericht aan u te verzenden. De e-mail die ik zojuist van mr. Schipper heb ontvangen, stuur ik Uw Gerechtshof bijgaand eveneens toe.”

Bij het e-mailbericht is de correspondentie gevoegd tussen de advocaten van partijen. Deze correspondente luidt als volgt voor zover van belang:

Een e-mail van 21 april 2026 te 17.12 uur van mr. Bosvelt aan mr. Schipper met de volgende inhoud:

“(…) De steunvordering van [bedrijf 1] is vandaag alsnog door cliënte betaald. Ik zou daarom graag het hof een verzoek te doen om de behandeling te heropenen (zie ook het arrest van de Hoge Raad van 3 mei 2025 https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2013:BZ1058) Dit kan door het betaalbewijs inclusief de renteberekening per e-mail aan het hof toe te sturen. Uiteraard ontvangen de curator en u daarvan dan een kopie.

Op deze wijze kan het hof bij haar beoordeling “ex nunc” uitgaan van de juiste feiten. Wilt u zo vriendelijk zijn mij te bevestigen dat u hiertegen geen bezwaar heeft? (…)”

Een e-mail van 22 april 2026 te 11.48 uur van mr. Schipper als reactie met de volgende inhoud:

“(…) Inmiddels sprak ik de Ontvanger. In de zaak die heeft geleid tot het arrest van de Hoge Raad van 3 mei 2013 waarnaar u verwijst was de “voor de faillietverklaring noodzakelijke steunvordering” – er was maar één steunvordering – na de mondelinge behandeling voldaan. De gestelde betaling van de vordering van [bedrijf 1] van 544,50 euro is volgens de Ontvanger niet van (doorslaggevend) belang voor de uitkomst van het hoger beroep. Ik verwijs u naar mijn spreekaantekeningen voor de mondelinge behandeling van gisteren. De Ontvanger heeft er geen bezwaar tegen dat u zich tot het Hof wendt met het verzoek om de behandeling te heropenen, onder de voorwaarde dat u een kopie van deze e-mail met uw verzoek aan het Hof meestuurt. (…)”

Ten slotte is na de mondelinge behandeling conform afspraak ter zitting in hoger beroep en met goedkeuring van beide partijen een e-mail van 21 april 2026 te 14.51 uur van de curator ingekomen waarbij de curator haar salaris en overige kosten, inclusief twee na-uren, tot en met de behandeling in hoger beroep heeft begroot op € 10.969,41 inclusief btw.

2. Beoordeling

De Ontvanger heeft aan zijn verzoek tot faillietverklaring van [appellant] een opeisbare vordering ten grondslag gelegd van € 439.668,00 ter zake van onbetaald gelaten aanslagen loonheffing, omzetbelasting en vennootschapsbelasting. Volgens de Ontvanger laat [appellant] daarnaast vorderingen van andere schuldeisers onbetaald. Nadat [appellant] verweer had gevoerd, heeft de rechtbank in het bestreden vonnis geoordeeld dat summierlijk is gebleken van de vordering van de Ontvanger alsmede van het bestaan van een steunvordering. Volgens de rechtbank is uit de jaarrekening van 2023 gebleken dat op 31 december 2022 sprake was van forse kortlopende schulden van in totaal € 14.032.046,- en een aanzienlijke langlopende schuld van € 1.503.000,-. Daarnaast is naar het oordeel van de rechtbank gebleken van feiten en omstandigheden die aantonen dat [appellant] verkeert in de toestand dat zij heeft opgehouden te betalen.

[appellant] heeft - onder aanvoering van één grief - in haar beroepschrift en in de nadien ingediende akte betoogd dat zij ten onrechte in staat van faillissement is verklaard en dat het faillissementsvonnis dient te worden vernietigd. Zij heeft daartoe - samengevat - het volgende aangevoerd. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat summierlijk is gebleken van het

bestaan van een steunvordering. De vorderingen op [appellant] per 31 december 2022 die volgen uit de jaarrekening 2023, kunnen worden gecategoriseerd als vorderingen van de Staat, rekening-courantvorderingen en vorderingen van reguliere schuldeisers. [appellant] stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van pluraliteit van schuldeisers. Weliswaar is sprake van vorderingen van de Ontvanger à € 439.668,00, van de Autoriteit Consument en Markt (ACM) à € 433.000,- ter zake van een opgelegde boete, en een vordering van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) à € 230.000,- ter zake van verleende coronasubsidies, maar al deze vorderingen behoren toe aan de Staat waarmee in wezen sprake is van één schuldeiser. Van andere schuldeisers met vorderingen is geen sprake omdat die vorderingen of zijn betaald, of zijn verrekend of zijn verjaard en vervallen. [appellant] licht dit als volgt toe. Wat betreft de rekening-courantvorderingen van diverse (groeps)vennootschappen voert [appellant] aan dat zij in de periode van 2019 tot en met 2022 diverse schriftelijke rekening-courantovereenkomsten heeft gesloten met een looptijd tot 31 december 2022 en dat die overeenkomsten een verjarings- en vervalbeding bevatten op grond waarvan de rekening-courantvorderingen op [appellant] zijn verjaard per 31 december 2023 en vervallen per 31 december 2025. Onder verwijzing naar Hof ’s-Hertogenbosch 13 februari 2006, ECLI:NL:GHSHE:2006:AV3152, meent [appellant] dat deze vorderingen daarom niet als steunvordering kunnen dienen. Ook de vorderingen van [bedrijf 2] van € 4.700.665,- en [bedrijf 3] van € 100.000,- zijn op grond van de genoemde bepalingen in de rekening-courantovereenkomsten verjaard en vervallen, aldus [appellant] . Daarnaast zijn volgens [appellant] enkele vorderingen van schuldeisers door derden voldaan en hebben enkele schuldeisers verklaard dat zij geen vordering (meer) hebben op [appellant] , terwijl een aantal vorderingen is verjaard op grond van artikel 3:307 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De bij de curator ingediende vorderingen van de Kamer van Koophandel en Bunq bank zijn door [bedrijf 4] voldaan en de eveneens bij de curator ingediende vordering van het CJIB is onderdeel van de Staat en kan op dezelfde voet als hiervoor weergegeven niet als steunvordering dienen. Met betrekking tot de schuldeisers Alwel, ERA-IT en Hotelbeds AG voert [appellant] onder verwijzing naar onderliggende stukken aan dat deze schuldeisers hebben verklaard geen vordering te hebben op [appellant] . Dit geldt inmiddels ook voor Intra Muros [plaats] B.V. omdat [appellant] deze vordering, die inmiddels was opgelopen tot een bedrag van € 9.434,23 (inclusief wettelijke rente), heeft voldaan. Ten slotte heeft [appellant] op 19 april 2026 een bedrag van € 10.285,00 op de derdengeldenrekening van de curator gestort als zekerheid voor de betaling van de faillissementskosten.

Eerst na de mondelinge behandeling heeft [appellant] bij e-mail van 22 april 2026 en onder verwijzing naar een bijgevoegd betalingsbewijs, aangevoerd dat de vordering van [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ) inclusief wettelijke handelsrente ook is voldaan.

De Ontvanger heeft ter zitting in hoger beroep verweer gevoerd en daartoe - voor zover van belang - het volgende aangevoerd. Volgens de Ontvanger is er sprake van pluraliteit van schuldeisers en verkeert [appellant] in de toestand dat zij heeft opgehouden te betalen. De Ontvanger wijst allereerst op het bedrag van € 1,5 miljoen dat eind 2022 op de balans van [appellant] stond onder het kopje “overige langlopende leningen.” [appellant] heeft in eerste aanleg gesteld dat deze schuld inmiddels is ingelopen en voert in haar beroepschrift aan dat het ging om een schuld van [bedrijf 5] (hierna: [bedrijf 5] ), welke schuld na boeking in rekening-courant is verjaard en vervallen. Uit een door een accountant gecontroleerde jaarrekening van [bedrijf 5] over 2022 blijkt echter niet van een vordering van 1,5 miljoen op [appellant] per 31 december 2022, niet uit hoofde van lening en evenmin uit anderen hoofde. [appellant] moet het bedrag van € 1,5 miljoen eind 2022 aan een andere entiteit verschuldigd zijn. Verder betwist de Ontvanger de stelling van [appellant] dat verjaarde vorderingen niet als steunvordering kunnen dienen. De Ontvanger betwist verder dat alle vorderingen daadwerkelijk verjaard zijn. Gelet op de vervaldatum van de vorderingen van [bedrijf 6] € 2.000,-) en [bedrijf 1] (€ 544,-), zijnde 8 april 2021, waren deze vorderingen op de datum waarop het onderhavige faillissement is uitgesproken (20 maart 2026) nog niet verjaard. Tijdens het faillissement verjaren vorderingen niet, in verband waarmee de Ontvanger op artikel 36 Faillissementswet (Fw) wijst. Ook betwist de Ontvanger de stelling van [appellant] dat de genoemde vordering van [bedrijf 7] . is betaald. Uit de door [appellant] overgelegde bijlage 9 blijkt alleen van betaling van facturen met andere bedragen. Tot slot hebben derden de afgelopen weken betalingen verricht ter voldoening van de schulden van [appellant] . Deze derden zullen regresvorderingen op [appellant] hebben. De Ontvanger concludeert tot bekrachtiging van het faillissementsvonnis.

De curator heeft - onder verwijzing naar haar hiervoor genoemde verslag en voor zover in hoger beroep van belang - verklaard dat summierlijk is gebleken van de vordering van de Ontvanger en dat eveneens summierlijk is gebleken van feiten en omstandigheden die aantonen dat [appellant] verkeert in de toestand dat zij heeft opgehouden te betalen (door non-betaling). Met betrekking tot de vraag of sprake is van een (of meer) steunvordering(en) refereert de curator zich aan het oordeel van het hof. De curator voert ten slotte aan dat zij geen lijst van schuldvorderingen heeft ontvangen van [appellant] - anders dan de lijst van schuldeisers zoals aangetroffen in de administratie - en dat bij haar naast de Belastingdienst drie schuldeisers bekend zijn met concurrente vorderingen van in totaal € 778.877,37, alle onderdeel van de Staat.

Het hof overweegt als volgt. Op grond van artikel 6, derde lid, Fw wordt de faillietverklaring uitgesproken indien summierlijk blijkt van feiten en omstandigheden die aantonen dat de schuldenaar in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, en, zo een schuldeiser het verzoek doet, ook van het vorderingsrecht van deze. Indien de stellingen van partijen daartoe aanleiding geven, dient de rechter in hoger beroep opnieuw te onderzoeken of aan de vereisten voor faillietverklaring is voldaan. Uitgangspunt in een geding tot faillietverklaring is immers dat de rechter zijn beslissing baseert op de toestand ten tijde van zijn uitspraak (vgl. HR 3 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1058, NJ 2013/275, en HR 17 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:98, NJ 2014/61). Ook de vraag of is voldaan aan het vereiste dat de aanvrager van het faillissement een vordering op de schuldenaar heeft, dient de rechter te beantwoorden aan de hand van de toestand ten tijde van zijn uitspraak.

Tussen partijen is niet in geschil dat de Ontvanger een opeisbare vordering heeft op [appellant] die € 439.668,00 bedraagt en dat deze vordering geruime tijd onbetaald wordt gelaten. Daarmee is summierlijk gebleken van een vordering van de aanvrager van het faillissement. Daarnaast is summierlijk gebleken van een vordering van € 433,000,00 van de ACM uit hoofde van een opgelegde boete, een vordering van € 230.000,00 van de RVO en een vordering van € 753,- van het CJIB. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat deze drie vorderingen, gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad (zie ECLI:NL:HR:2018:1988), niet kunnen dienen als steunvorderingen aangezien de drie vorderingen, evenals die van de Ontvanger, toebehoren aan de Staat zodat daarmee in wezen sprake is van één schuldeiser. De Ontvanger heeft dit in hoger beroep ook niet betwist.

Tussen partijen is evenwel in geschil of [appellant] naast de vordering van de Ontvanger een of meer vorderingen van andere schuldeisers onbetaald laat. Met de Ontvanger is het hof van oordeel dat daarvan summierlijk is gebleken. Daartoe is het volgende redengevend.

De Ontvanger heeft ter zitting in hoger beroep gewezen op het feit dat op de balans bij de jaarrekening 2023 van [appellant] per 31 december 2022 onder het kopje “Overige langlopende leningen”, als bijlage 7 gevoegd bij het beroepschrift, een schuld staat vermeld van

€ 1.500.000,- en dat [appellant] hierover in haar beroepschrift heeft gesteld dat deze schuld een vordering betreft van [bedrijf 5] die na boeking in rekening courant is vervallen en verjaard. Echter, uit de door de Ontvanger in hoger beroep als productie 5 overgelegde en door een accountant gecontroleerde jaarrekening over 2022 van [bedrijf 5] blijkt niet van een vordering van € 1.500.000,- van [bedrijf 5] op [appellant] per 31 december 2022. [appellant] , hiermee geconfronteerd ter zitting in hoger beroep, heeft in reactie op de stelling van de Ontvanger slechts herhaald hetgeen in het beroepschrift hierover staat vermeld, te weten dat het een vordering betreft van [bedrijf 5] die is verjaard en vervallen. Daarmee heeft [appellant] de stelling van de Ontvanger onvoldoende betwist. Gelet hierop alsmede de omstandigheid dat [appellant] geen geactualiseerde lijst van schuldvorderingen heeft verstrekt aan de curator, gebaseerd op de door de curator veiliggestelde administratie, is naar het oordeel van het hof summierlijk gebleken van een steunvordering. De door [appellant] na de mondelinge behandeling verrichte betaling aan [bedrijf 1] van € 544,- waarmee de vordering van laatstgenoemde schuldeiser alsnog is voldaan, doet aan het voorgaande niet af.

Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat [appellant] - ook thans - verkeert in de toestand dat zij heeft opgehouden te betalen. Dit volgt niet alleen uit de omstandigheid dat [appellant] al langere tijd de vordering van de Ontvanger en de andere aan de Staat toebehorende entiteiten onbetaald laat, maar ook uit de verklaring van Boulakhrif ter zitting in hoger beroep dat [appellant] sinds 2021 geen activiteiten meer ontplooit en geen inkomsten genereert alsook dat gebleken is dat [appellant] financieel afhankelijk is van derden, zoals [bedrijf 4] die een aantal schulden van [appellant] heeft betaald. Al het voorgaande leidt tot de conclusie dat ook in hoger beroep is voldaan aan de vereisten voor faillietverklaring.

De overige stellingen van partijen behoeven, gelet op het voorgaande, geen bespreking. Het ter zitting door de Ontvanger gemaakte bezwaar tegen de door [appellant] overgelegde betaalbewijzen en het overzicht van de berekening van de wettelijke handelsrente over betaalde vorderingen, wordt bij gebrek aan belang verworpen.

De slotsom is dat de grief faalt en dat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd.

3. Beoordeling

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.L.D. Akkaya, L.Th.L.G. Pellis en D.L.M.T. Dankers-Hagenaars en in het openbaar uitgesproken op 28 april 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.

Van dit arrest kan gedurende acht dagen na de dag van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld door middel van een verzoekschrift in te dienen ter griffie van de Hoge Raad.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand