beschikking
___________________________________________________________________
GERECHTSHOF AMSTERDAM
ONDERNEMINGSKAMER
zaaknummer: 200.364.622/01 OK
beschikking van de Ondernemingskamer van 9 april 2026
inzake
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
ADRIA GROUP B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
ADRIA GROUP HOLDING B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
3. [Bestuurder],
wonende te [plaats] , Kroatië,
VERZOEKSTERS, tevens VERWEERSTERS met betrekking tot het zelfstandig tegenverzoek,
advocaten: mrs. E.E.U. Vroom, M. Jovović, J.M. Schepel, P.H.M. Broere en F.C.A. van der Wegen, kantoorhoudende te Amsterdam,
t e g e n
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
ADRIA GROUP B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
ADRIA GROUP HOLDING B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
VERWEERSTERS, tevens VERZOEKSTERS met betrekking tot het zelfstandig tegenverzoek,
advocaten: mrs. E.M. Snijders, L.P. Kortmann, A.J.C.M. Meijs, E.M. van der Meulen en D.M. van de Loo, kantoorhoudende te Amsterdam,
e n t e g e n
1. de rechtspersoon naar buitenlands recht
AGROKOR PROJEKTI D.O.O.,
gevestigd te Zagreb, Kroatië
2. [Curator], in privé en in zijn hoedanigheid van (opvolgend) curator van AGROKOR PROJEKTI D.O.O.,
wonende te [plaats] , Kroatië,
BELANGHEBBENDEN,
advocaten: mrs. E.M. Snijders, L.P. Kortmann, A.J.C.M. Meijs, E.M. van der Meulen en D.M. van de Loo, kantoorhoudende te Amsterdam.
Hierna zullen partijen en andere (rechts)personen als volgt worden aangeduid:
1. Inleiding
Deze enquêteprocedure gaat over de Adria-vennootschappen die in het verleden indirect aandeelhouder waren van een groot Kroatisch levensmiddelen- en supermarktconcern. In deze beschikking komen drie voorvragen aan de orde. Vooreerst rijst de vraag of een enquêteverzoek namens de Adria-vennootschappen ontvankelijk is, indien het is ingediend door een voormalige bestuurder. In de tweede plaats speelt de ontvankelijkheidsvraag in het geval de verzoeker enig aandeelhouder is van een gefailleerde Kroatische vennootschap die op haar beurt enig aandeelhouder van de Adria-vennootschappen is. De derde vraag is aan de orde in het tegenverzoek dat is ingediend door de huidige bestuurder van de Adria-vennootschappen, tevens curator van de gefailleerde aandeelhouder van de Adria-vennootschappen. In dit tegenverzoek speelt vooral de vraag naar het belang bij het enquêteverzoek.
2. Het verloop van het geding
Verzoeksters hebben bij verzoekschrift van 6 februari 2026 de Ondernemingskamer verzocht, samengevat,
1. een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken van de Adria-vennootschappen over de periode vanaf 24 november 2025;
2. als onmiddellijke voorzieningen voor de duur van de procedure:
a. de besluiten tot schorsing en ontslag van [Bestuurder] en de benoeming van Bogojević als bestuurder van de Adria-vennootschappen van 9 en 23 december 2025 te schorsen;
b. alle door Agrokor Projekti gehouden aandelen in Adria Group minus één aandeel ten titel van beheer over te dragen aan een door de Ondernemingskamer te benoemen onafhankelijke beheerder;
c. Agrokor Projekti te verbieden de aandelen in Adria Group te verkopen en leveren; of
d. een andere voorziening te treffen die de Ondernemingskamer juist acht;
3. de Adria-vennootschappen te veroordelen in de kosten van de procedure.
Verweersters hebben bij verweerschrift van 3 maart 2026 de Ondernemingskamer verzocht het verzoek van verzoeksters af te wijzen. Zij hebben ook zelf een verzoek gedaan. Zij hebben de Ondernemingskamer verzocht, samengevat,
1. een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken van de Adria-vennootschappen over de periode vanaf 2017 tot en met 2024;
2. als onmiddellijke voorziening voor de duur van de procedure [Bestuurder] te gebieden de volledige administratie van de Adria-vennootschappen en alle daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers zoals bedoeld in art. 2:10 lid 1 BW, over te dragen, althans te doen overdragen, aan de Adria-vennootschappen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom;
3. de behandeling van het onderzoek aan te houden totdat de Adria-vennootschappen kennis hebben kunnen nemen van de over te dragen administratie en daarbij vast hebben kunnen stellen of zij voldoende belang hebben bij voortzetting van het onderzoek en daarvoor ook over voldoende middelen beschikken;
4. op de voet van art. 2:350 lid 2 BW te beslissen dat het verzoek niet op redelijke grond is gedaan;
5. [Bestuurder] te veroordelen in de kosten van de procedure.
Het verzoek is behandeld op de zitting van de Ondernemingskamer van 12 maart 2026. De advocaten hebben toen de standpunten van de verschillende partijen toegelicht aan de hand van overgelegde aantekeningen. Verzoeksters en verweersters hebben van tevoren nadere producties toegestuurd en hebben die in het geding gebracht. Partijen en hun advocaten hebben vragen van de Ondernemingskamer beantwoord en inlichtingen verstrekt.
3. Feiten
[Bestuurder] is een Kroatische ondernemer en oprichter van het levensmiddelenconcern Agrokor dat actief is in onder meer Kroatië en Slovenië. Sinds 2015 is [Bestuurder] enig aandeelhouder van de Kroatische vennootschap Agrokor Projekti, is Agrokor Projekti enig aandeelhouder van Adria Group en is Adria Group enig aandeelhouder van Adria Group Holding. Via Adria Group Holding houdt [Bestuurder] meer dan 95,5% van de aandelen in het levensmiddelenconcern. Daarnaast houdt hij nog een direct belang in Agrokor van 0,76%. Sinds 2015 was [Bestuurder] bestuurder van Agrokor Projekti en van de Adria-vennootschappen. Schematisch weergegeven ziet de structuur er daarmee als volgt uit:
Op 7 april 2017 is Agrokor onder buitengewoon bewind geplaatst. De zeggenschap over Agrokor werd daarbij overgedragen aan een door de Kroatische regering aangestelde buitengewoon bewindvoerder. De opvolgende herstructurering van Agrokor werd afgerond op 1 april 2019. De herstructurering resulteerde erin dat het Agrokor-concern grotendeels is overgedragen aan de Kroatische vennootschap Fortenova Grupa d.d. wier aandelen worden gehouden via een Nederlandse holdingstructuur, mede bestaande uit Fortenova Group TopCo B.V.
In februari 2020 hebben de Adria-vennootschappen bij het Internationaal Centrum voor Beslechting van Investeringsgeschillen een arbitrageprocedure aanhangig gemaakt tegen de Republiek Kroatië. In deze procedure vorderen zij vergoeding van de schade wegens de (volgens [Bestuurder] onrechtmatige) onteigening van hun investeringen in Agrokor (hierna: de ‘ICSID-arbitrageprocedure’). De Adria-vennootschappen begroten hun schade in deze procedure (inclusief rente) op ongeveer € 5,57 miljard per eind 2025. De procedure is nog niet afgerond.
Op 6 oktober 2020 werd Agrokor Projekti door de Handelsrechtbank te Zagreb in staat van definitief faillissement verklaard, nadat zij op 27 januari 2020 reeds voorlopig failliet was verklaard. Schuldeisers zijn in de gelegenheid gesteld hun vorderingen bij de aangestelde curator in te dienen. Het totaalbedrag van de reeds erkende vorderingen bedraagt ongeveer 34 miljoen euro; meer dan 99% van dat bedrag heeft betrekking op een erkende vordering van Fortenova Grupa d.d. Een door [Bestuurder] ingediende vordering van circa € 555 miljoen is tot dusverre niet erkend en is onderwerp van een lopende procedure bij het Hooggerechtshof voor Handelszaken van de Republiek Kroatië.
Op 10 juli 2024 hebben de Adria-vennootschappen, vertegenwoordigd door [Bestuurder] , verschillende bij de herstructurering van Agrokor betrokken partijen waaronder Fortenova Group TopCo B.V. gedagvaard voor de Rechtbank Amsterdam. In deze procedure vorderen de Adria-vennootschappen een bedrag van ongeveer € 2,8 miljard aan schadevergoeding. Deze procedure is eveneens nog niet afgerond.
Op grond van de Kroatische faillissementswet heeft de crediteurenvergadering de bevoegdheid om de curator te benoemen. Op 24 november 2025 heeft de crediteurenvergadering van Agrokor Projekti gestemd voor de vervanging van de toenmalige curator door Bogojević.
Op 9 december 2025 om 11:42 heeft Agrokor Projekti als enig aandeelhouder van Adria Group buiten vergadering besloten tot schorsing van [Bestuurder] en tot benoeming van Bogojević als bestuurder van Adria Group. Agrokor Projekti werd daarbij vertegenwoordigd door curator Bogojević. Om 11:45 heeft Adria Group als enig aandeelhouder van Adria Group Holding buiten vergadering besloten tot schorsing van [Bestuurder] en tot benoeming van Bogojević als bestuurder van Adria Group Holding. Adria Group werd daarbij vertegenwoordigd door Bogojević.
Op 10 december 2025 is [Bestuurder] geïnformeerd over deze schorsingsbesluiten. Tevens heeft hij oproepingen ontvangen voor algemene vergaderingen van de Adria-vennootschappen van 23 december 2025, met de volgende agendapunten:
“1. Opening
2. Appointment of the chair and secretary (voting item)
3. Confirmation and ratification of the appointment of Mr Bogojević as managing director of the Company (voting item)
4. Confirmation and ratification of the suspension of Mr [Bestuurder] as managing director of the Company (voting item)
5. Dismissal of Mr [Bestuurder] as managing director of the Company (voting item)
6. Any other business
7. Closing”
De oproepingsbrieven vermelden dat [Bestuurder] digitaal kan deelnemen aan de vergaderingen en dat hij aldaar de gelegenheid heeft zijn zienswijze te geven.
Tijdens de algemene vergaderingen van Adria Group en van Adria Group Holding zijn de besluiten tot schorsing van [Bestuurder] en benoeming van Bogojević als bestuurder van de Adria-vennootschappen bevestigd. Tevens is besloten tot het ontslag van [Bestuurder] als bestuurder van de Adria-vennootschappen. [Bestuurder] was niet aanwezig bij deze vergaderingen.
4. De gronden van de beslissing
Verzoeksters hebben aan hun enquêteverzoek ten grondslag gelegd dat er gegronde redenen zijn voor twijfel aan een juist beleid en een juiste gang van zaken van de Adria-vennootschappen en dat de toestand van de Adria-vennootschappen het nodig maakt dat onmiddellijke voorzieningen worden getroffen. Als toelichting hebben verzoeksters – samengevat – het volgende naar voren gebracht.
a. Bogojević heeft als bestuurder van de Adria-vennootschappen een belangenconflict en handelt in strijd met het vennootschappelijk belang van deze vennootschappen. Bogojević is als curator van Agrokor Projekti, de enig aandeelhouder van Adria Group, benoemd door een crediteurenvergadering waarvan de grootste crediteur tevens gedaagde is in de procedures waarin de Adria-vennootschappen schadevergoeding vorderen.
b. De besluitvorming rondom de schorsing en het ontslag van [Bestuurder] is gebrekkig verlopen. Zo is hij niet gehoord en niet in de gelegenheid gesteld zijn raadgevende stem uit te brengen, terwijl de besluiten zijn genomen zonder behoorlijke oproeping voor een algemene vergadering.
c. Het handelen van Bogojević past in een jarenlang patroon van pogingen om [Bestuurder] de macht over het Agrokor-concern te ontnemen. De Adria-vennootschappen bieden [Bestuurder] zijn laatste mogelijkheden om zich hiertegen te verweren.
Verweersters hebben de ontvankelijkheid van het enquêteverzoek op verschillende gronden betwist en hebben ook voor het overige gemotiveerd verweer gevoerd. De Ondernemingskamer zal hieronder waar nodig op dit verweer ingaan. Ter toelichting op hun zelfstandig verzoek hebben verweersters het volgende naar voren gebracht:
a. [Bestuurder] handelde als bestuurder in strijd met de wet en de statuten door:
- na te laten om voor de Adria-vennootschappen jaarrekeningen te deponeren over de jaren 2017 tot en met 2019, niet tijdig en onvolledige jaarrekeningen te publiceren over de jaren 2020 tot en met 2023 en deze onterecht als vastgesteld bij het handelsregister van de Kamer van Koophandel te deponeren;
- na te laten om een algemene vergadering bijeen te roepen in de jaren 2020 tot en met 2025;
- na te laten vragen van Bogojević dan wel Agrokor Projekti (tijdig) te beantwoorden;
- na te laten om een deugdelijke administratie bij te houden, dan wel te weigeren om deze administratie over te dragen aan Bogojević;
b. [Bestuurder] heeft de enige activa van de Adria-vennootschappen – de gepretendeerde vorderingen in de ICSID-arbitrageprocedure en in de procedure bij de Rechtbank Amsterdam – aan een vriend gecedeerd voor 5% van de eventuele netto-opbrengst, waarna Bogojević deze transactie ongedaan heeft moeten maken;
c. [Bestuurder] is namens de Adria-vennootschappen verplichtingen ter waarde van enkele miljoenen euro’s aangegaan jegens advocatenkantoren, zonder dat nakoming daarvan gewaarborgd was.
Ontvankelijkheid van het verzoek namens de Adria-vennootschappen
Verweersters vestigen er de aandacht op dat het verzoek namens de Adria-vennootschappen is gedaan door [Bestuurder] . Zij betwisten de ontvankelijkheid van dit verzoek op de grond dat [Bestuurder] ten tijde van het indienen van het verzoek geen bestuurder van de Adria-vennootschappen was en dat hij daarom niet bevoegd was de Adria-vennootschappen in het enquêteverzoek te vertegenwoordigen.
De Ondernemingskamer overweegt als volgt. De bevoegdheid tot het indienen van een enquêteverzoek komt toe aan degenen aan wie deze bevoegdheid in de wet is verleend. De daartoe strekkende opsomming in art. 2:346 BW is limitatief. Indien het verzoek wordt ingediend door een rechtspersoon, bedoeld in art. 2:346 lid 1, aanhef en onder e, BW, dient deze daarbij rechtsgeldig te worden vertegenwoordigd. Een geschorste of ontslagen bestuurder is niet bevoegd tot vertegenwoordiging van de rechtspersoon. Daarom is een rechtspersoon in beginsel niet-ontvankelijk in zijn enquêteverzoek, indien het verzoek is ingediend door een bestuurder die op het moment van indiening reeds was geschorst of ontslagen. Op dit uitgangspunt kan evenwel een uitzondering worden aanvaard indien in de gegeven omstandigheden aan de rechtspersoon in redelijkheid geen beroep op het ontbreken van vertegenwoordigingsbevoegdheid toekomt omdat dit zou leiden tot een onaanvaardbare doorkruising van een juiste werking van het enquêterecht (vgl. ECLI:NL:GHAMS:2020:3273, L2Fiber). Een onaanvaardbare doorkruising kan zich voordoen als voorshands aannemelijk is dat met de schorsing of het ontslag slechts werd beoogd te verhinderen dat de bestuurder een enquêteverzoek zou indienen en de Ondernemingskamer zou verzoeken onmiddellijke voorzieningen te treffen ter voorkoming van die schorsing of dat ontslag (vgl. ECLI:NL:GHAMS:2026:574, Semiblocks).
[Bestuurder] is op 9 december 2025 geschorst en op 23 december 2025 ontslagen als bestuurder van de Adria-vennootschappen. De Ondernemingskamer heeft het enquêteverzoek op 6 februari 2026 per e-mail ontvangen. De schorsing en het daaropvolgende ontslag van [Bestuurder] in december 2025 brengen mee dat hij ten tijde van het indienen van het verzoek niet bevoegd was de Adria-vennootschappen te vertegenwoordigen en het enquêteverzoek te laten indienen. Dit maakt dat de verzoeksters in beginsel niet-ontvankelijk zijn in hun verzoek.
Verzoeksters hebben het ontvankelijkheidsverweer weersproken met het betoog dat aan verweersters in redelijkheid geen beroep op het ontbreken van vertegenwoordigingsbevoegdheid toekomt. Volgens hen waren de schorsing en het ontslag van [Bestuurder] specifiek gericht op het frustreren van zijn mogelijkheid om de vennootschappelijke belangen van de Adria-vennootschappen te beschermen. Verzoeksters hebben daarbij gewezen op (i) de samenloop van de schorsing van [Bestuurder] met een belangrijke processtap in de ICSID-arbitrageprocedure waarbij de Adria-vennootschappen partij zijn, (ii) de korte tijdspanne tussen de schorsingsbesluiten van beide Adria-vennootschappen, (iii) de vermelding van de cessie als grond voor de schorsing die eerst in de brief van 19 december 2025 werd vermeld en (iv) een volgens verzoeksters reeds jarenlang bestaand patroon om [Bestuurder] buitenspel te zetten. Volgens verzoeksters is het niet uit te sluiten dat de schorsing van [Bestuurder] mede is ingezet met het doel hem enquêtebevoegdheid te ontnemen.
De Ondernemingskamer acht dit een en ander onvoldoende om het oordeel te kunnen dragen dat de rechtspersoon in redelijkheid geen beroep kan doen op de vertegenwoordigingsonbevoegdheid van haar geschorste en ontslagen bestuurder. Voorts kan op grond van de door verzoeksters gestelde feiten en omstandigheden niet voorshands worden aangenomen dat met de besluiten tot schorsing en ontslag slechts beoogd werd te verhinderen dat [Bestuurder] namens de Adria-vennootschappen een enquêteverzoek zou indienen. De Ondernemingskamer wijst op de lange tijdsduur tussen de schorsingsbesluiten van 9 december 2025 en het moment waarop het enquêteverzoek werd ingediend (6 februari 2026). Verweersters hebben in dit verband ook gewezen op een volgens hen reeds geruime tijd bestaande weigering van [Bestuurder] om inzicht te verschaffen in de gang van zaken binnen de Adria-vennootschappen, alsmede op hun vrees voor onttrekkingen aan het vermogen van die vennootschappen en voor benadeling van schuldeisers.
Verzoeksters wijzen in het kader van hun betwisting van dit ontvankelijkheidsverweer er nog op dat de gang van zaken rondom de schorsing van [Bestuurder] en benoeming van Bogojević op 9 december 2025 onzorgvuldig is verlopen doordat [Bestuurder] niet in de gelegenheid is gesteld zijn raadgevende stem uit te brengen (art. 2:15 lid 1, aanhef en onder a en b, BW in verbinding met art. 2:227 lid 7 BW) en dat hij niet is gehoord (art. 2:8 BW). Ook is de besluitvorming in de algemene vergadering van 23 december 2025 volgens [Bestuurder] onzorgvuldig verlopen doordat hij in verband met zijn ziekmeldingen onvoldoende in de gelegenheid is gesteld zijn raadgevende stem uit te brengen en gebruik te maken van zijn recht om te worden gehoord.
In het midden kan blijven of dit betoog gegrond is – dit staat ter beoordeling van de civiele rechter. Indien gegrond zijn de besluiten tijdens de algemene vergaderingen van 9 en 23 december 2025 ten hoogste vernietigbaar en niet nietig. Voor de toepassing van het enquêterecht moet daarom ervan worden uitgegaan dat de besluiten de daarmee beoogde rechtsgevolgen hebben gehad zo lang zij niet zijn vernietigd. Dit brengt mee dat dit betoog niet kan leiden tot ontvankelijkheid van het enquêteverzoek dat [Bestuurder] namens de Adria-vennootschappen heeft ingediend. De Ondernemingskamer zal de Adria-vennootschappen daarom niet-ontvankelijk verklaren in hun verzoek.
Ontvankelijkheid van het verzoek van [Bestuurder] als aandeelhouder van Agrokor Projekti
Het verzoek is mede ingediend door [Bestuurder] als enig aandeelhouder van Agrokor Projekti die op haar beurt enig aandeelhouder is van Adria Group en, via Adria Group, van Adria Group Holding. De Adria-vennootschappen betwisten de ontvankelijkheid van het verzoek van [Bestuurder] op de grond dat hij niet rechtstreeks aandeelhouder van de Adria-vennootschappen is.
Ook bij dit verweer geldt als uitgangspunt dat de bevoegdheid tot het indienen van een enquêteverzoek toekomt aan degenen aan wie deze bevoegdheid in de wet is verleend en dat de daartoe strekkende opsomming in art. 2:346 BW limitatief is. De strekking van het enquêterecht brengt echter mee dat de verschaffer van risicodragend kapitaal die een eigen economisch belang heeft in de vennootschap waarop het verzoek betrekking heeft, welk belang in zoverre op één lijn kan worden gesteld met het belang van een aandeelhouder of certificaathouder, voor de toepassing van art. 2:346, lid 1, aanhef en onder b, BW, dient te worden gelijkgesteld met aandeelhouders of certificaathouders. Bij de beoordeling of het eigen economisch belang van de verschaffer van risicodragend kapitaal in de vennootschap waarop het verzoek betrekking heeft, van dien aard is dat het op één lijn kan worden gesteld met het belang van een aandeelhouder of een certificaathouder van die vennootschap, worden alle relevante feiten en omstandigheden betrokken (ECLI:NL:HR:2013:BY7833, Chinese Workers en ECLI:NL:HR:2014:905, Slotervaartziekenhuis).
Voor haar faillietverklaring eind 2020 vervulde Agrokor Projekti verschillende activiteiten. Zij hield een belang in de Kroatische bank HPB Zagreb en speelde een rol in de financiering van de toenmalige groep waarbij zij zowel geld leende als uitleende. Agrokor Projekti had eigen werknemers, en eigen kantoor en onderhield een eigen website.
Sinds het buitengewoon bewind en de daaropvolgende herstructurering is het merendeel van de activa van Agrokor Projekti overgeheveld naar Fortenova N.V. Sinds 2020 verkeert Agrokor Projekti in staat van faillissement en heeft zij haar meeste activiteiten beëindigd. Haar voornaamste schuldeiser is Fortenova Grupa d.d. met een vordering van ongeveer € 34 miljoen. De failliete boedel wordt op dit moment beheerd door Bogojević, wiens benoeming tot curator van Agrokor Projekti inmiddels onherroepelijk is geworden.
Het ligt op de weg van Bogojević de failliete boedel van Agrokor Projekti te beheren en te vereffenen. Bij de afwikkeling van het faillissement van Agrokor Projekti draait het primair om de belangen van haar schuldeisers. Als gevolg van het faillissement zijn immers de schuldeisers de belangrijkste verschaffers van risicodragend vermogen. Dat de belangen van de schuldeisers niet parallel lopen aan die van [Bestuurder] als enig aandeelhouder, blijkt reeds uit de onderscheiden posities die [Bestuurder] en Bogojević in deze procedure innemen.
De stelling van [Bestuurder] dat de potentiële waarde van de door de Adria-vennootschappen gepretendeerde vorderingen in de ICSID-arbitrageprocedure en de procedure bij de Rechtbank Amsterdam de schuldenlast van Agrokor Projekti overtreft, leidt niet tot een ander oordeel. Op basis van de stellingen van [Bestuurder] valt niet te ramen of deze vorderingen daadwerkelijk te gelde kunnen worden gemaakt en, zo ja, wanneer en tot welke omvang. Verder is van belang dat de Adria-vennootschappen blijkens de meest recente jaarrekening per 31 december 2023 een negatief eigen vermogen hebben van ruim 35 miljoen (Adria Group), respectievelijk bijna € 561 miljoen (Adria Group Holding). Bij beide Adria-vennootschappen is het negatieve eigen vermogen vrijwel gelijk aan het bedrag van de kortetermijnschulden. Bij die stand van zaken kan niet ervan worden uitgegaan dat de door Agrokor Projekti gehouden aandelen in Adria Group een zodanige waarde vertegenwoordigen dat alle schuldeisers in het faillissement van Agrokor Projekti zullen kunnen worden voldaan en dat er nog ruimte is voor uitkeringen aan de aandeelhouder. Gelet op het voorgaande kan het belang van [Bestuurder] voor de toepassing van art. 2:346, lid 1, aanhef en onder b BW, dan ook niet worden gelijkgesteld met dat van een aandeelhouder of certificaathouder in Adria Group (en Adria Group Holding) (vgl. ECLI:NL:GHAMS:2020:2522, Exodus).
De Ondernemingskamer zal ook [Bestuurder] niet-ontvankelijk verklaren in zijn enquêteverzoek.
Niet kan worden geoordeeld dat de verzoeken namens [Bestuurder] (of namens verzoeksters) niet op redelijke grond is gedaan. Dit verzoek van de Adria-vennootschappen zal daarom worden afgewezen.
Ontvankelijkheid van het tegenverzoek namens de Adria-vennootschappen
Het wettelijk uitgangspunt is dat de kosten van het onderzoek worden gedragen door de rechtspersoon (art. 2:350 lid 3 BW). Gelet op de financiële toestand van de Adria-vennootschappen zoals deze blijkt uit de meest recente jaarrekeningen 2023 is zeer twijfelachtig of zij daartoe wel in staat zijn. Op zitting kon Bogojević niet namens de Adria-vennootschappen bevestigen dat deze voldoende middelen hebben een onderzoek te financieren. Ook door andere partijen en belanghebbenden is geen onvoorwaardelijke toezegging gedaan de kosten van een eventueel te gelasten onderzoek voor te schieten.
Nu niet is komen vast te staan dat de Adria-vennootschappen in staat zijn de kosten van een eventueel te gelasten onderzoek te dragen en geen van partijen onvoorwaardelijk bereid en in staat is deze kosten voor te schieten, kan niet op voorhand worden vastgesteld dat voldoende middelen beschikbaar zijn om een dergelijk onderzoek te financieren en daadwerkelijk uit te voeren. Daarmee is niet gewaarborgd dat de doeleinden van het enquêterecht in deze procedure kunnen worden gediend of bereikt (vgl. ECLI:NL:GHAMS:2024:739, Geesink Norba).
Daar komt nog het volgende bij. Als curator bij enig (indirect) aandeelhouder Agrokor Projekti en als bestuurder bij de Adria-vennootschappen heeft Bogojević de uiteindelijke zeggenschap in de Adria-vennootschappen. Bogojević kan dientengevolge ervoor zorgen dat een onderzoek wordt ingesteld naar feiten en omstandigheden die volgens hem onderzoek verdienen. Daarbij heeft hij als enige bestuurder van de Adria-vennootschappen recht op de volledige administratie. Tussenkomst van de Ondernemingskamer is daarvoor niet nodig. Daarbij komt dat [Bestuurder] heeft toegezegd de administratie aan Bogojević te (doen) toekomen indien de beschikking van de Ondernemingskamer tot gevolg heeft dat Bogojević de enige bestuurder van de Adria-vennootschappen blijft. Nu Bogojević ook na deze beschikking de enige bestuurder zal zijn, kan ervan worden uitgegaan dat [Bestuurder] het ertoe zal leiden dat de beschikbare administratie ook daadwerkelijk aan Bogojević zal worden overgedragen.
Gelet op al het voorgaande is er geen belang bij toewijzing van het verzoek om een onderzoek te gelasten naar het beleid en de gang van zaken van de Adria-vennootschappen. Aan een inhoudelijke behandeling van de gronden wordt dan niet meer toegekomen en voor toewijzing van de verzochte voorzieningen bestaat geen grond. De Ondernemingskamer zal ook de Adria-vennootschappen niet-ontvankelijk verklaren in hun verzoek.
De Ondernemingskamer ziet ten slotte aanleiding geen proceskostenveroordeling uit te spreken zodat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
5. De beslissing
De Ondernemingskamer:
a. verklaart Adria Group B.V. en Adria Group Holding B.V., vertegenwoordigd door [Bestuurder] , en [Bestuurder] niet-ontvankelijk in hun verzoek;
b. verklaart Adria Group B.V. en Adria Group Holding B.V., vertegenwoordigd door [Curator] , niet-ontvankelijk in hun verzoek.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.M. de Jongh, voorzitter, mr. E. Loesberg en mr. M.P. Nieuwe Weme, raadsheren, en drs. A.G. Thomassen RV RT en drs. G. Eikelenboom AAG, raden, in tegenwoordigheid van mr. S.C. van Paridon, griffier, en in het openbaar uitgesproken door mr. J.M. de Jongh op 9 april 2026.