Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 10 maart 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij/zij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2012 tot en met 31 december 2016 te Almere en/of Amsterdam, althans in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (een) voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en) (van in totaal circa 70.096 euro), heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of van voornoemd(e) voorwerp(en) gebruik heeft gemaakt en/of de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld en/of verborgen wie de rechthebbende was en/of wie dit/deze voorwerp(en) voorhanden had, terwijl hij/zij, verdachte en/of zijn/haar mededader(s), wist(en) of redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat dit/deze voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - (mede) afkomstig was/waren uit enig misdrijf.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.
Niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging ingevolge verjaring
Het impliciet subsidiair tenlastegelegde (medeplegen van) schuldwitwassen is als misdrijf strafbaar gesteld in artikel 420quater van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Op schuldwitwassen is als strafmaximum een gevangenisstraf van twee jaren gesteld.
Het tenlastegelegde feit is volgens de tenlastelegging begaan in de periode van 1 januari 2012 tot en met 31 december 2016. Op grond van artikel 70, aanhef en onder 2 Sr in samenhang met het tweede lid van artikel 72 Sr beloopt de verjaringstermijn wat betreft het tenlastegelegde schuldwitwassen ten hoogste tweemaal zes jaren. Daaruit vloeit voort dat het openbaar ministerie ten tijde van het wijzen van het arrest op 24 maart 2026 ter zake van dit feit, voor zover het betreft de periode vóór 24 maart 2014, niet-ontvankelijk is vanwege absolute verjaring.
Bewijsoverweging
Standpunten van partijen
De advocaat-generaal heeft gevorderd het (subsidiair) tenlastegelegde schuldwitwassen bewezen te verklaren voor zover dat niet is verjaard.
De raadsvrouw van de verdachte heeft verzocht de verdachte vrij te spreken van het tenlastegelegde. Dat de ontvangen kinderopvangtoeslag in de periode van 24 maart 2014 tot en met 31 december 2016 van misdrijf afkomstig is, wordt door de verdediging niet betwist. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte niet wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat het geld van misdrijf afkomstig was, omdat zij destijds kampte met (ernstige) psychische problemen en daarom volledig vertrouwde op haar toenmalige partner [persoon] , die alles omtrent de kinderopvang en de kinderopvangtoeslag regelde. Gelet hierop dient de verdachte te worden vrijgesproken van zowel het opzettelijk witwassen en, voor zover niet verjaard, van de culpoze variant daarvan.
Oordeel van het hof
Evenals de advocaat-generaal en de raadsvrouw acht het hof niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte wist dat het geld van misdrijf afkomstig was. De centrale vraag in deze zaak is vervolgens of de verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de ontvangen kinderopvangtoeslag van misdrijf afkomstig was.
Daartoe overweegt het hof als volgt.
Op de terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat de kinderen naar een gastouder gingen in de buurt van de werkplek van [persoon] in [plaats] . Hij bracht ze daarheen. Verdachte is er naar haar verklaring nooit geweest. In het dossier zitten echter drie plaatsingsovereenkomsten (DOC-018, 019 en 020) met een kinderopvang in Almere ( [bedrijf] B.V.), die door de verdachte zijn ondertekend. Gelet hierop had de verdachte redelijkerwijs moeten vermoeden dat deze plaatsingsovereenkomsten onjuist waren. Zij ging er vanuit dat de kinderen in [plaats] bij een gastouder werden opgevangen en niet bij een kinderopvang in Almere dichtbij de woning van verdachte. De verdachte had derhalve redelijkerwijs moeten vermoeden dat de kinderopvangtoeslag die (mede) op basis van die plaatsingsovereenkomsten uitgekeerd zou worden uit misdrijf afkomstig zou zijn.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
zij in de periode van 22 april 2014 tot en met 31 december 2016 te Almere, voorwerpen, te weten geldbedragen van in totaal 19.398 euro, voorhanden heeft gehad en/of van voornoemde voorwerpen gebruik heeft gemaakt, terwijl zij, verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat deze voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
schuldwitwassen.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte schuldig zal worden verklaard zonder oplegging van straf of maatregel.
De verdediging heeft verzocht bij een strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder de omstandigheid dat deze strafzaak de verdachte al jaren boven het hoofd hangt en dat de verdachte een Verklaring Omtrent het Gedrag nodig heeft voor haar werk in het onderwijs.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het schuldwitwassen van in totaal € 19.398,00. Dit geld is ontvangen uit kinderopvangtoeslagfraude. Met het witwassen van dit bedrag heeft de verdachte bijgedragen aan deze fraude. Het hof rekent dit de verdachte aan.
Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht onvoldoende recht doet aan de aard en de ernst van het bewezenverklaarde. Het hof acht in beginsel een taakstraf van 80 uren passend en geboden. Gelet evenwel op het tijdsverloop sinds het bewezenverklaarde feit, zal het hof een geheel voorwaardelijk taakstraf opleggen.
Het hof acht, alles afwegende, een voorwaardelijke taakstraf van 80 uren passend en geboden.
Voorts stelt het hof vast dat voor wat betreft de behandeling in hoger beroep sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele Vrijheden (EVRM). Echter, nu aan de verdachte een voorwaardelijke taakstraf zal worden opgelegd, zal het hof volstaan met de constatering van de overschrijding van de redelijke termijn.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 420quater van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis.
Bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C. Beuze, mr. A.M. Koolen – Zwijnenburg en mr. J.W.H.G. Loyson, in tegenwoordigheid van mr. J.M. Pattinama, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 24 maart 2026.
De voorzitter en de jongste raadsheer zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]