ECLI:NL:GHAMS:2026:1212

ECLI:NL:GHAMS:2026:1212

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 10-04-2026
Datum publicatie 04-05-2026
Zaaknummer 23-001515-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Hennepkwekerij

Uitspraak

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 27 maart 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg en hoger beroep toegelaten wijzigingen is aan de verdachte tenlastegelegd dat:

1.hij op of omstreeks 3 maart 2021 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld, bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet, te weten 809 hennepplanten, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.hij op of omstreeks 3 maart 2021 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ongeveer 105.557 kWh stroom, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan Liander N.V., in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat weg te nemen goed onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, onder andere omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.

Vrijspraak

Partiële vrijspraak ten aanzien van feit 1 (impliciet) primair en van feit 2

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het (impliciet primair) tenlastegelegde telen van hennep en de – daarmee samenhangende – diefstal van elektriciteit. Daartoe heeft zij aangevoerd dat de verdachte bij de politierechter een bekennende verklaring heeft afgelegd, waar zij de verdachte aan houdt.

De verdediging heeft verzocht te verdachte vrij te spreken voor het telen van hennep alsmede de diefstal van elektriciteit, omdat de verdachte daaraan hoogstens medeplichtig is, maar dat is niet tenlastegelegd.

Op 12 november 2016 is in de huurwoning van de verdachte, gelegen aan de [adres 2] , een hennepkwekerij aangetroffen. Bij het politieverhoor op 4 maart 2021 heeft de verdachte verklaard dat die hennepkwekerij van hem was en dat hij die heeft aangelegd. Echter, ter terechtzitting bij de politierechter en in hoger beroep verklaart de verdachte dat de verklaring die hij bij de politie heeft afgelegd niet klopt. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij vanwege zijn gokverslaving geldproblemen had, en dat hij er daarom mee heeft ingestemd dat er een hennepkwekerij zou worden geëxploiteerd in zijn woning, in ruil voor een vergoeding.

Het hof heeft twijfels over de bekennende verklaring die de verdachte op 4 maart 2021 bij de politie heeft afgelegd. De verdachte kon bij die gelegenheid op meerdere inhoudelijke vragen van de verbalisant over de aanleg en de verzorging van de kwekerij geen antwoord geven terwijl hij slechts in (zeer) algemene bewoordingen de verdenkingen bekende. Dit is een aanwijzing dat hij die kwekerij niet zelf heeft aangelegd noch beheerd. Het hof betrekt hier ook bij dat de verbalisant die de verdachte heeft verhoord bij het stellen van inhoudelijke vragen over de kwekerij heeft opgemerkt dat “verdachte verbaasd uit zijn ogen kijkt en niet lijkt te begrijpen waar de verbalisant het over heeft”. Gelet hierop ziet het hof aanleiding om de verdachte niet te houden aan zijn destijds bekennende verklaring bij de politie en er vanuit te gaan dat de hennepkwekerij inderdaad door een ander of anderen is aangelegd en beheerd en dat de verdachte zijn woning ter beschikking heeft gesteld. De rol van de verdachte bij de hennepteelt beoordeelt het hof als die van medeplichtige maar dit is niet ten laste gelegd. Dat geldt eveneens voor de daarmee samenhangende diefstal van elektriciteit.

Gelet op het voorgaande zal het hof de verdachte ten aanzien van het onder 1 impliciet primair en het onder 2 ten laste gelegde vrijspreken.

Het hof acht wel wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte opzettelijk hennep aanwezig heeft gehad (feit 1 impliciet subsidiair).

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 (impliciet subsidiair) tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.hij op 3 maart 2021 te Amsterdam, opzettelijk aanwezig heeft gehad, een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet, te weten 809 hennepplanten.

Hetgeen onder 1 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen

Nu de verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit, volstaat het hof met de navolgende opsomming van de bewijsmiddelen, als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering:

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 en 2 bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis, met aftrek, waarvan 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 (impliciet primair) en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van een grote hoeveelheid hennep. Gezien de grote hoeveelheid aangetroffen hennepplanten kan het niet anders zijn dan dat deze voor verdere verspreiding waren bedoeld. Het gebruik van hennep kan schadelijke gevolgen meebrengen voor de gezondheid van gebruikers en het gebruik hiervan is bezwarend voor de samenleving, onder meer vanwege de andere vormen van criminaliteit die daarmee gepaard gaan.

Het hof heeft acht geslagen op straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd en die zijn vermeld in de zogenoemde oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Ook heeft het hof acht geslagen op het strafblad van de verdachte van 13 maart 2026, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor (soortgelijke) strafbare feiten, zodat dit niet in zijn nadeel weegt.

Het hof acht, gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, een taakstraf van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis, in beginsel passend.

Het hof stelt echter vast dat er sprake is van een schending van het recht van de verdachte op berechting binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM.

Die redelijke termijn heeft een aanvang genomen op 3 maart 2021, toen een huiszoeking werd verricht in de woning van de verdachte. De behandeling van zijn zaak in eerste aanleg is eerst op 11 juni 2025 – en aldus niet binnen twee jaar – met een eindvonnis afgerond en de redelijke termijn is overschreden met meer dan twee jaar en drie maanden. Daarvoor zijn geen bijzondere omstandigheden aan te wijzen. Het hof is van oordeel dat de overschrijding van de redelijke termijn in dit geval tot strafvermindering moet leiden, in die zin dat de taakstraf deels voorwaardelijk zal worden opgelegd. Dat betekent dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een taakstraf van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis met aftrek, waarvan 40 uur voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 63 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. B.E. Dijkers, mr. A.P.M. van Rijn en mr. A.M. Koolen - Zwijnenburg, in tegenwoordigheid van mr. J.M. Pattinama, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 10 april 2026.

=========================================================================

[…]

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. J.M. Pattinama

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand