ECLI:NL:GHAMS:2026:1222

ECLI:NL:GHAMS:2026:1222

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 04-05-2026
Datum publicatie 04-05-2026
Zaaknummer 23-001215-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Verkrachting van een jonge vrouw in de woning van de verdachte. Het hof oordeelt dat de verklaringen van de aangeefster, anders dan de verklaringen van de verdachte, betrouwbaar zijn en steun vinden in andere onderzoeksbevindingen. Het hof overweegt dat de verklaringen van de verdachte onbetrouwbaar zijn, omdat ze telkens aanzienlijk van inhoud wisselen en naar mate de verdachte bekend wordt met meer onderzoeksbevindingen, worden aangepast om (beter) in die bevindingen te passen. Daarnaast vinden die verklaringen ook geen steun in de NFI-rapporten, hetgeen eveneens afbreuk doet aan de betrouwbaarheid van die verklaringen. Het voorwaardelijk verzoek van de verdediging wordt afgewezen. De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden. Integrale toewijzing van de vordering benadeelde partij. Voldoende is komen vast te staan dat de benadeelde partij ten minste één jaar aan studievertraging heeft opgelopen als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde.

Uitspraak

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 21 april 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman en de advocaat van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 19 augustus 2021 te Heemskerk door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer] te weten

- zijn, verdachtes, vinger(s) en/of penis in de vagina van [slachtoffer] gebracht en/of geduwd en/of;

- de borst(en) van die [slachtoffer] aangeraakt en/of betast en/of gekust;

en bestaande dat geweld en/of die andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid uit het

- verwerven van een afhankelijke positie ten opzichte van hem door die die [slachtoffer] in zijn auto mee te nemen naar zijn woning en/of;

- slaan en/of stompen in/tegen de buik, althans het lichaam, van die [slachtoffer] en/of;

- ( uit)schelden en/of noemen van die Bestenbroer met de term ‘kankerhoer’, althans woorden van gelijke aard of strekking en/of

- ( met kracht) vastpakken van de polsen van die [slachtoffer] ;

(aldus) voor die [slachtoffer] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan waarin zij zich niet kon verzetten/onttrekken tegen/aan die handelingen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

De verdachte is bij vonnis van de rechtbank vrijgesproken van de gehele tenlastelegging. Voorts heeft de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding. Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen, omdat het tot een andere beslissing komt.

Bewijsoverweging

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen ten aanzien van alle tenlastegelegde handelingen.

De raadsman van de verdachte heeft bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat niet buiten gerede twijfel kan worden vastgesteld dat sprake is geweest van dwang.

Het hof overweegt als volgt.

Wettelijk kader

Op grond van artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering – dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan – kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering is voldaan, kan volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad niet in algemene zin worden beantwoord, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. In zedenzaken is niet vereist dat het misbruik zelf steun vindt in ander bewijsmateriaal, maar is het afdoende wanneer de verklaring van een slachtoffer op bepaalde punten bevestiging vindt in andere bewijsmiddelen, afkomstig van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd. Tussen de verklaring en het overige gebruikte bewijsmateriaal mag geen sprake zijn van een te ver verwijderd verband.

Het bewijs

De aangeefster heeft op 4 oktober 2021 aangifte gedaan van verkrachting, nadat zij vrijwel direct nadat ze de woning had verlaten waar de gestelde verkrachting had plaatsgevonden de politie heeft gealarmeerd en enkele uren daarna, op 20 augustus 2021 om 01:45 uur een ‘informatief gesprek zeden’ heeft gevoerd. Verder is aangeefster op verzoek van de verdediging op 6 juni 2023 door de rechter-commissaris gehoord. Die verklaringen zijn onderling en innerlijk consistent. Het hof acht de verklaringen van aangeefster dan ook betrouwbaar en zal van de juistheid daarvan uitgaan. De verdediging heeft overigens ook niet gesteld dat de verklaringen van aangeefster niet betrouwbaar zijn. Bovendien vinden de verklaringen van aangeefster op essentiële onderdelen steun in de overige bewijsmiddelen, waaronder de NFI-rapporten van 11 maart 2022 en 14 november 2022, waaruit blijkt dat het meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker is wanneer de bemonsteringen op de borst en tepels van het slachtoffer DNA bevatten van het slachtoffer en de verdachte, dan wanneer de bemonsteringen DNA bevatten van het slachtoffer en een willekeurige onbekende persoon. Voorts blijkt hieruit dat het zeer veel waarschijnlijker is dat het mannelijke DNA in de bemonstering van de binnenste schaamlippen van het slachtoffer afkomstig is van de verdachte dan van een willekeurige andere man.

De verdachte heeft hier, in de loop van de tijd en naar mate het bekend worden van de genoemde onderzoeksresultaten, wisselende verklaringen tegenover gesteld. In zijn eerste politieverhoor op 5 juli 2022 verklaarde de verdachte aanvankelijk dat hij van niets wist en dat hij aangeefster niet kent. Toen hij verderop in het verhoor werd geconfronteerd met onderzoeksbevindingen wijzigde hij die verklaring en bekende hij dat hij aangeefster wel kent en dat er ook een ontmoeting had plaatsgevonden. Die ontmoeting zou slechts drie tot vijf minuten hebben geduurd. Volgens de verdachte is er toen niets gebeurd, omdat aangeefster zei dat hij geld moest betalen als hij seks met haar wilde hebben. Toen de verdachte zei dat hij niet wilde betalen, zou aangeefster zijn weggerend. Bij zijn derde politieverhoor op 23 december 2022 werd de verdachte geconfronteerd met resultaten van het NFI-onderzoek en wijzigde hij opnieuw zijn eerdere verklaringen. De verdachte verklaarde nu dat hij aangeefster tijdens de ontmoeting een hand had gegeven en dat zij elkaar even hadden geknuffeld. Verder ontkende hij seks te hebben gehad met aangeefster en haar borsten te hebben betast. Tijdens de terechtzitting in eerste aanleg verklaarde de verdachte dat aangeefster zijn hand vastpakte, waardoor zijn DNA op haar hand is beland. Volgens de verdachte heeft aangeefster haar hand met zijn DNA in haar vagina gestopt, wat zou verklaren waarom zijn DNA in haar vagina is aangetroffen. In hoger beroep komt de verdachte, na kennisname van het NFI-rapport van 11 maart 2022, wederom met een aangepaste verklaring. De verdachte verklaart nu met aangeefster te hebben gezoend en haar borsten te hebben geaaid. Ook zou aangeefster met haar hand zijn blote geslachtsdeel, waarop voorvocht aanwezig was, hebben aangeraakt en zou de verdachte zijn ontblote geslachtsdeel tegen de slip van aangeefster hebben gehouden.

Het hof oordeelt dat de verklaringen van de verdachte, anders dan de verklaringen van aangeefster, op zichzelf al onbetrouwbaar zijn, omdat ze telkens aanzienlijk van inhoud wisselen en naar mate de verdachte bekend wordt met meer onderzoeksbevindingen, worden aangepast om (beter) in die bevindingen te passen. Daarnaast vinden die verklaringen ook geen steun in de NFI-rapporten, hetgeen eveneens afbreuk doet aan de betrouwbaarheid van die verklaringen. Ook de meest recente verklaring van de verdachte in hoger beroep strookt niet met het aantreffen van zijn speeksel op de borst en evenmin met het spermaspoor dat op de binnenste schaamlippen van aangeefster is aangetroffen. Gelet hierop acht het hof de verklaringen van de verdachte ongeloofwaardig en schuift het deze ter zijde.

Dwang

Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat ook wettig en overtuigend kan worden bewezen dat sprake is geweest van dwang. Zoals hierboven overwogen acht het hof de verklaringen van aangeefster, gelet op de verankering daarvan in ander bewijsmateriaal, betrouwbaar. Aangeefster heeft verklaard dat zij meermalen tegen de verdachte heeft gezegd dat zij geen seks met hem wilde en zij heeft ook meerdere keren geprobeerd om de verdachte tegen te houden en weg te duwen. De verdachte wist dus dat aangeefster geen seks met hem wilde. Desondanks maakte de verdachte misbruik van zijn fysieke overwicht en hield hij haar polsen vast en sloeg hij haar met zijn vuist in haar buik, waardoor aangeefster werd gedwongen om de seksuele handelingen door de verdachte te ondergaan. Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van het hof onmiskenbaar dat de seksuele handelingen plaatsvonden tegen de wil van de aangeefster, en ook dat het ontbreken van instemming met die handelingen voor de verdachte glashelder moet zijn geweest.

Conclusie

Gelet op het voorgaande en hetgeen overigens in de bewijsmiddelen is vervat acht het hof het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hierna opgenomen. Het verweer van de verdediging wordt in al zijn onderdelen verworpen.

Voorwaardelijk verzoek

Het hof begrijpt het verzoek van de raadsman aldus, dat hij vraagt om het NFI onderzoek te laten doen naar de waarschijnlijkheid dat de op (en in) het lichaam van aangeefster aangetroffen DNA sporen van de verdachte zijn ontstaan door het door de verdachte geopperde scenario dat aangeefster zijn blote geslachtsdeel met haar hand heeft aangeraakt en doordat hij zijn geslachtsdeel tegen de slip van aangeefster heeft gehouden. Voorwaarde bij dit verzoek is dat het hof tot een bewezenverklaring komt dat sprake is geweest van dwang. Nu aan de gestelde voorwaarde is voldaan, zal het hof het verzoek beoordelen.

Het verzoek, dat getoetst wordt aan het noodzakelijkheidscriterium, wordt afgewezen reeds nu het hof, zoals hiervoor gemotiveerd overwogen, bij de bewezenverklaring uitgaat van het scenario van de aangeefster en het scenario van de verdachte als onbetrouwbaar terzijde schuift.

Bewijsmiddelen

Proces-verbaal aangifte van 4 oktober 2021, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , doorgenummerde pagina’s 12-30.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 4 oktober 2021 tegenover verbalisanten afgelegde verklaringen van aangeefster:

Feit : Verkrachting

Plaats delict : [adres 2]

Pleegdatum : 19 augustus 2021

V: Tegen wie kom je aangifte doen?

A: Ik weet zijn naam niet precies, maar hij deed zich voor als [persoon 1] (het hof begrijpt: de verdachte).

A: Hij begon me daar te kussen. Opmerking verbalisanten: Wij zien dat de aangeefster in de richting van haar borsten wijst.

A: Hij ging bovenop mij liggen ik zei dat ik geen seks wilde. Hij zei dat hij "hem" er niet in zou doen. Hij deed dat wel, dat deed hij steeds stap voor stap. Hij deed zijn geslachtsdeel in mijn vagina en dan ging hij steeds verder naar beneden en dan deed hij hem erin.

A: Hij raakte geïrriteerd toen hij boven op mij zat, omdat ik hem iedere keer probeerde tegen te houden als hij bij mij naar binnen wilde.Hij zei dat ik niet zo moeilijk moest doen. Als ik hem afhield dan sloeg hij op mijn buik. Dan werd hij boos en dan schold hij me uit voor kankerhoer.Hij pakte mijn handen bij mijn polsen vast, zodat ik hem niet zou wegduwen. Hij zei ook op een gegeven moment tegen mij "vind je het fijn" of "vind je het lekker". Ik zei dat ik dat niet vond en dat het pijn deed. Volgens mij was dat toen hij bij mij naar binnen ging of toen hij het met zijn handen deed. Al die tijd toen ik daar lag, dacht ik "hoe ga ik hier weg komen". Maar op dat moment was ik gewoon bang en ik voelde me machteloos.

V: Hoe zat hij aan jouw vagina? A: Binnenin. Hij heeft mij dus eigenlijk gewoon gevingerd. Hij legde eerst zijn hand op mijn vagina en dan ging hij steeds een stapje verder. Eerst zijn vinger erin en daarna op mijn clitoris. Toen duwde ik zijn hand weg. Hij bleef gewoon steeds doorgaan.

V: Op welke plaats is hij nog meer aan je lichaam gekomen?A: Aan mijn borsten. Hij raakte me aan met zijn handen en hij had me natuurlijk ook al gekust bij mijn borsten.

A: Als ik hem weg duwde sloeg hij mij op mijn buik en hij schold mij uit. Hij sloeg mij op mijn buik bij mijn baarmoeder.V: Hoe sloeg hij je op je buik?A: Het was wel iets harder dan een tik. Het was wel met kracht. Het deed wel pijn, het was niet fijn. Hij sloeg mij met zijn vuist.

V: Wat voel je dan in je vagina?A: Zijn geslachtsdeel.V: In wat voor staat was zijn geslachtsdeel?A: Die was stijf.V: Wat doet zijn geslachtsdeel in jouw vagina?A: Hij probeerde echt verder naar binnen te gaan, steeds dieper te gaan. Ik zei dat hij het niet mocht doen. Hij probeerde steeds dieper te gaan met zijn geslachtsdeel in mijn vagina. Hij ging steeds een stapje verder. Ik bleef hem telkens weg duwen met mijn handen bij zijn buik en heupen.

V: Wat was zijn accountnaam op Instagram?

A: Ik heb het wel op mijn telefoon staan, want ik ken het niet uit mijn hoofd. Mag ik even kijken.

Opmerking verbalisanten:

Wij zien dat de aangeefster in haar telefoon kijkt en wij horen dat zij zegt " [naam 1] ".

V: Wat was zijn accountnaam op Snapchat?

A: Dan moet ik ook even kijken.

Opmerking verbalisanten:

Wij zien dat de aangeefster in haar telefoon kijkt en wij horen dat zij zegt " [naam 2] ".

Proces-verbaal van verhoor verdachte van 23 december 2022, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , doorgenummerde pagina’s 121-125.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 23 december 2022 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van de verdachte:

V: Zowel met [naam 1] als met [naam 2] is contact tussen jou en haar (het hof begrijpt: aangeefster) geweest?

A: Ja.

Een schriftelijk bescheid, te weten een NFI-rapport van 11 maart 2022, opgesteld door [persoon 2] , NRGD-geregistreerd forensisch DNA-deskundige, voor zover inhoudende:

Onderzoek naar biologische sporen

Onderzoeksset zedendelicten [onderzoek]

Onderstaande bemonsteringen uit de onderzoeksset zedendelicten van slachtoffer [slachtoffer] zijn onderzocht op de aanwezigheid van biologische sporen. De resultaten van het sporenonderzoek en het SIN waaronder de bemonsteringen zijn veiliggesteld voor DNA-onderzoek zijn weergegeven in Tabel 1.

Tabel 1 Resultaten van het sporenonderzoek

Een schriftelijk bescheid, te weten een NFI-rapport van 14 november 2022, opgesteld door [persoon 3] , NRGD-geregistreerd forensisch DNA-deskundige, voor zover inhoudende:

Resultaten, interpretatie en conclusie van het vergelijkend autosomaal DNA-onderzoek

Van het referentiemateriaal van verdachte [verdachte] is een DNA-profiel verkregen dat is vergeleken met de DNA-mengprofielen van het DNA in bemonsteringen [onderzoek] #01, #02 en #03 (borst (thorax) midden nat, tepel links nat en tepel rechts nat).

Tabel 2 Resultaten, interpretatie en conclusie van het vergelijkend autosomaal DNA-onderzoek

Bewijskracht van het vergelijkend autosomaal DNA-onderzoek

Bemonsteringen [onderzoek] #01. #02 en #03 (borst (thorax) midden nat, tepel links nat

en tepel rechts nat)

DNA-mengprofielen [onderzoek] #01, #02 en #03 zijn elk meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer de bemonsteringen DNA bevatten van slachtoffer [slachtoffer] en verdachte [verdachte] , dan wanneer de bemonsteringen DNA bevatten van slachtoffer [slachtoffer] en één willekeurige onbekende persoon.

Resultaten, interpretatie en conclusie van het vergelijkend Y-chromosomaal DNA-onderzoek

Van het referentiemateriaal van verdachte [verdachte] en van het mannelijk DNA in bemonsteringen [onderzoek] #04 (buitenste schaamlippen nat) en #06 (binnenste schaamlippen) zijn Y-chromosomale DNA-profielen verkregen die met elkaar zijn vergeleken.

Tabel 3 Resultaten, interpretatie en conclusie van het vergelijkend Y-chromosomaal DNA-

onderzoek

Bewijskracht van het vergelijkend Y-chromosomaal DNA-onderzoek

Voor het vaststellen van de bewijskracht van de aangetroffen Y-chromosomale matches met de verdachte [verdachte] is het van belang om te weten hoe zeldzaam de matchende Y-chromosomale DNA-profielen zijn. Hoe zeldzamer het matchende Y-chromosomale DNA-profiel hoe groter de bewijskracht van de bevindingen van het Y-chromosomale DNA-onderzoek. Hiertoe is het in deze zaak verkregen meest informatieve Y-chromosomale DNA-profiel ( [onderzoek] #06) op 3 november 2022 vergeleken met Y-chromosomale DNA-profielen in de YHRD (zie kader'Y-chromosomaal DNA-onderzoek').

Om de bewijskracht van de bevindingen van het vergelijkend Y-chromosomale DNA-onderzoek met betrekking tot bemonstering [onderzoek] #06 (binnenste schaamlippen) te kunnen formuleren in verbale termen van waarschijnlijkheid is het volgende hypothesepaar beschouwd:

Hypothese I:

Het mannelijk DNA in de bemonstering [onderzoek] #06 (binnenste schaamlippen) is afkomstig van de verdachte [verdachte] , of van een in de mannelijke lijn aan de verdachte [verdachte] verwante man.

Hypothese II:

Het mannelijk DNA in de bemonstering [onderzoek] #06 (binnenste schaamlippen) is niet afkomstig van de verdachte [verdachte] , maar van een willekeurig gekozen, niet in de mannelijke lijn aan de verdachte [verdachte] verwante man.

De onderzoeksresultaten van het Y-chromosomale DNA-onderzoek aan bemonstering [onderzoek] #06 zijn zeer veel waarschijnlijker als hypothese I waar is, dan als hypothese II waar is.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 19 augustus 2021 te Heemskerk door geweld en een andere feitelijkheid [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer] te weten

- zijn, verdachtes, vinger(s) en penis in de vagina van [slachtoffer] gebracht en

- de borst(en) van die [slachtoffer] betast en gekust;

en bestaande dat geweld en die andere feitelijkheid uit het

- stompen in de buik van die [slachtoffer] en

- uitschelden van die [slachtoffer] met de term ‘kankerhoer’ en

- vastpakken van de polsen van die [slachtoffer]

en aldus voor die [slachtoffer] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan waarin zij zich niet kon onttrekken aan die handelingen.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

verkrachting.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf

De rechtbank heeft de verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde vrijgesproken.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

De raadsman heeft verzocht in geval van strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de straf te matigen in verband met het tijdsverloop sinds het bewezenverklaarde.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de verkrachting van een jonge, kwetsbare vrouw in zijn woning. De verdachte heeft haar bij haar polsen vastgehouden, uitgescholden en in haar buik gestompt terwijl zij hem probeerde tegen te houden. De verdachte heeft haar zodoende gedwongen om meerdere seksuele handelingen te ondergaan. De verdachte heeft hiermee een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer dat niet was opgewassen tegen zijn fysieke overwicht. De verdachte heeft de grenzen van het slachtoffer niet gerespecteerd en enkel oog gehad voor zijn eigen lustgevoelens. De verdachte heeft op geen enkel moment van het strafproces de verantwoordelijkheid voor zijn handelen genomen. Daarmee wekt hij de indruk de ernst van het feit niet in te zien. Deze proceshouding zal voor het slachtoffer niet bepaald bijdragen aan verwerking van het gebeurde.

Verkrachting en het daarmee gepaarde geweld is een zeer ernstig feit, dat bij slachtoffers naast pijn en angst ook ernstige en langdurige psychische problemen kan veroorzaken. Hoe ingrijpend de gevolgen van de verkrachting voor aangeefster zijn geweest en dat zij hiervan nog dagelijks de gevolgen ondervindt, blijkt uit de namens haar ter terechtzitting voorgedragen slachtofferverklaring. Uit de door het slachtoffer aangeleverde stukken is verder gebleken dat zij door de verkrachting onder meer psychische klachten, in de vorm van PTSS, heeft opgelopen.

Vanwege de aard van de bewezenverklaarde feiten kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met de oplegging van een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Uit de destijds ook al geldende oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht volgt voor ‘verkrachting met geweld of met een daarmee vergelijkbare mate van dwang’ als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 36 maanden. Anders dan de advocaat-generaal en in hetgeen over de persoonlijke omstandigheden van de verdachte ter terechtzitting naar voren is gebracht ziet het hof geen aanleiding om de straf te matigen, dan wel een gedeelte van de straf voorwaardelijk op te leggen. De houding van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, waarbij hij het slachtoffer als leugenares probeerde weg te zetten, geeft naar het oordeel van het hof blijk van een totaal gebrek aan zelfinzicht. De strafoplegging is gelet op dit alles hoger dan door de advocaat-generaal gevorderd.

Het hof acht, alles afwegende, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden passend en geboden.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 29.109,30. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 17.084,30, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de pleegdatum, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel en met niet-ontvankelijkverklaring voor het overige.

De advocaat van de benadeelde partij heeft verzocht de gehele vordering toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsman van de verdachte heeft in verband met de bepleite vrijspraak primair verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om het gevorderde bedrag aan immateriële schade te matigen tot een bedrag van € 5.000,00 en het gevorderde bedrag aan materiële schade in het kader van studievertraging niet-ontvankelijk te verklaren, omdat onvoldoende aannemelijk is geworden dat de studievertraging is opgelopen door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte.

Het hof overweegt met betrekking tot de vordering tot schadevergoeding als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden.

Materiële schade

Het hof overweegt dat het – gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de evident grote en langdurige negatieve gevolgen daarvan voor de benadeelde partij – op zichzelf al voor de hand ligt dat de door de verdachte gepleegde feiten tot gevolg hebben dat de benadeelde partij studievertraging oploopt. Bij de vordering van de benadeelde partij zijn voorts stukken aangeleverd waaruit blijkt dat de benadeelde partij reeds vóór 19 augustus 2021, namelijk sinds 5 juli 2021, stond ingeschreven voor de opleiding HBO Health & Social Work en ook al kennis had gemaakt met haar stagebegeleider. Verder blijkt uit de stukken dat zij zich vlak na 19 augustus 2021, namelijk op 14 september 2021, voor die opleiding heeft uitgeschreven. Uit de correspondentie met haar docent en coördinator studieloopbaanbegeleiding van 28 september 2021 blijkt dat de benadeelde partij zich heeft uitgeschreven omdat zij ‘kort geleden iets vervelends heeft meegemaakt in haar privé situatie, waardoor zij zich moeilijk kon focussen op school’. Tot slot is ter terechtzitting in hoger beroep namens de benadeelde partij aangevoerd en met medische stukken onderbouwd dat als gevolg van de bewezenverklaarde feiten bij de benadeelde partij PTTS is gediagnostiseerd en dat zij daardoor drie jaar studievertraging heeft opgelopen, terwijl slechts één jaar aan studievertraging is gevorderd.

Anders dan de verdediging is het hof, op basis van het voorgaande, van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat de benadeelde partij ten minste één jaar aan studievertraging heeft opgelopen als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde. Het hof zoekt voor de bepaling van de hoogte van het daarvoor te vergoeden bedrag aansluiting bij de Letselschaderichtlijn Studievertraging van de Letselschaderaad, die door de benadeelde partij bij de vordering is gevoegd, waarin het door de benadeelde partij gevorderde bedrag wordt genoemd als een bedrag dat geldt voor één jaar studievertraging. Ook de overige posten aan materiële schade acht het hof voldoende onderbouwd en onvoldoende weersproken, en niet onrechtmatig of ongegrond. Daarom zal het hof het gehele gevorderde bedrag aan materiële schade integraal toewijzen tot een bedrag van € 22.109,30.

Immateriële schade

Ook is uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte in haar persoon is aangetast. Op grond van artikel 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van immateriële schade. Het hof neemt bij het vaststellen van de omvang van de immateriële schade de Rotterdamse Schaal tot uitgangspunt. In hoofdstuk 15 ‘Verkrachting’ wordt onder categorie (c) – waarbij het doorgaans om een eenmalige verkrachting gaat, vaak situaties waarin de benadeelde en de dader een date hadden – een bandbreedte van € 2.500,00 tot € 7.500,00 genoemd. Voorts heeft het hof bij de bepaling van de omvang van de immateriële schade gelet op de aard, de ernst en de verwijtbaarheid van het onrechtmatige handelen van de verdachte, alsmede de ernst van de inbreuk die daarmee op de lichamelijke integriteit van de benadeelde partij is gemaakt en de nadelige gevolgen die het handelen van de verdachte heeft gehad op het dagelijkse leven van de benadeelde partij.

Alles afwegend stelt het hof de omvang van de immateriële schade daarom vast op de gevorderde

€ 7.000,00.

De wettelijke rente over het toegewezen bedrag zal het hof toewijzen vanaf 19 augustus 2021, zijnde de pleegdatum, tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof zal de verdachte tevens veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de benadeelde partij. Voorts zal de verdachte worden veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging van dit arrest door de benadeelde partij nog te maken kosten. Deze proceskosten zijn tot op heden begroot op nihil.

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f en 242 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) maanden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 29.109,30 (negenentwintigduizend honderdnegen euro en dertig cent) bestaande uit € 22.109,30 (tweeëntwintigduizend honderdnegen euro en dertig cent) materiële schade en € 7.000,00 (zevenduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 29.109,30 (negenentwintigduizend honderdnegen euro en dertig cent) bestaande uit € 22.109,30 (tweeëntwintigduizend honderdnegen euro en dertig cent) materiële schade en € 7.000,00 (zevenduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 155 (honderdvijfenvijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 19 augustus 2021.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. S.M.M. Bordenga, mr. D.A.C. Koster en mr. A. Dantuma-Hieronymus, in tegenwoordigheid van mr. R.J.C. Wegerif, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 4 mei 2026.

Mr. A. Dantuma-Hieronymus is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

[…]

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. R.J.C. Wegerif

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand