beschikking
___________________________________________________________________
GERECHTSHOF AMSTERDAM
ONDERNEMINGSKAMER
zaaknummer: 200.354.340/01 OK
beschikking van de Ondernemingskamer van 6 mei 2026
inzake
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
NMS BEHEER B.V.,
gevestigd te Hilversum,
VERZOEKSTER,
advocaat: mr. M.G. Jansen, kantoorhoudende te Haarlem,
t e g e n
[aandeelhouder 1] ,
wonende te [plaats] ,
VERWEERDER,
advocaten: mr. M.L. Dingemans kantoorhoudende te Amsterdam en mr. C.M. van der Veer, kantoorhoudende te Enschede,
e n t e g e n
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[vennootschap] ,
gevestigd te [plaats] ,
BELANGHEBBENDE,
advocaat: mr. M.G. Jansen voornoemd,
e n t e g e n
2. de kerkelijke rechtspersoon
de HERVORMDE GEMEENTE TE WATERINGEN,
gevestigd te Wateringen,
3. [pandhouder 2] ,
wonende te [plaats] ,
BELANGHEBBENDEN,
advocaten: mr. I.R. Köhne, kantoorhoudende te Voorburg, en mr. M.H.J. van Rest, kantoorhoudende te Amsterdam.
Hierna zullen partijen en andere (rechts)personen (ook) als volgt worden aangeduid:
1. Het verloop van het geding in beide zaken
Voor het verloop van het geding verwijst de Ondernemingskamer naar haar beschikkingen van 16 september 2025, 23 september 2025 en 10 november 2025.
Bij die beschikkingen heeft de Ondernemingskamer – voor zover thans van belang – een onderzoek bevolen naar de waarde van de door [aandeelhouder 1] gehouden aandelen in [vennootschap] , en drs. G. Rooijackers RC RV (hierna: de deskundige) benoemd teneinde het onderzoek te verrichten. De Ondernemingskamer heeft het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten vastgesteld op € 40.000 (inclusief btw).
Bij brief van 15 april 2026 heeft de deskundige gemotiveerd verzocht de maximale kosten voor het onderzoek te verhogen tot een bedrag van € 55.000 (inclusief btw).
Bij e-mail van dezelfde dag heeft de secretaris van de Ondernemingskamer partijen in de gelegenheid gesteld zich over dit verzoek uit te laten.
Bij e-mail van 22 april 2026 heeft mr. Van der Veer ten aanzien van het verzochte aanvullende voorschot opgemerkt dat dit wel eens aan de lage kant zou kunnen zijn, nu alles uit de kast wordt gehaald om het traject zo intensief mogelijk te laten verlopen.
Bij e-mail van eveneens 22 april 2026 heeft mr. Jansen medegedeeld dat NMS en [vennootschap] geen opmerkingen hebben ten aanzien van de verhoging van het voorschot voor de waarderingsdeskundige.
2. De gronden van de beslissing
Aan zijn verzoek tot verhoging van het onderzoeksbudget heeft de deskundige, samengevat, ten grondslag gelegd dat de tijdsbesteding intensiever is geweest dan op voorhand begroot. Dit houdt verband met de intensieve besprekingen die met drie partijen zijn gevoerd en de daarvan opgestelde verslagen, de ontvangen informatie, alsmede met een aantal bijzondere aandachtspunten t.b.v. het onderzoek (managementfees en beweerdelijke overtreding provisieverbod, debat tussen partijen omtrent waarderingsmethode) alsmede de tijdens het onderzoek ontvangen uitspraak van de accountantskamer inzake een klacht tegen de accountant van de vennootschap.
De Ondernemingskamer oordeelt als volgt. Nu er geen bezwaren zijn aangevoerd tegen het aanvullende voorschot en het verzoek de Ondernemingskamer niet onredelijk voorkomt, zal de Ondernemingskamer het verzoek van de deskundige toewijzen, in die zijn dat de hoogte van het aanvullende voorschot voor het onderzoek zal worden bepaald op € 15.000, waarmee het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten/het totale voorschot komt op € 55.000 (inclusief btw).
3. De beslissing
De Ondernemingskamer:
bepaalt dat de hoogte van het aanvullende voorschot voor het door drs. G. Rooijackers RC RV te verrichten onderzoek € 15.000 bedraagt, de verschuldigde omzet daarin begrepen;
bepaalt dat [vennootschap] dit aanvullend voorschot dient te voldoen;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
Deze beschikking is gegeven door mr. J.M. de Jongh, voorzitter, mr. C.C. Meijer en mr. E. Loesberg, raadsheren, en drs. M.A. Scheltema en mr. drs. F. Marring RA, raden, in tegenwoordigheid van mr. N.E.M. Keereweer, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2026.