ECLI:NL:GHAMS:2026:1246

ECLI:NL:GHAMS:2026:1246

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 12-05-2026
Datum publicatie 07-05-2026
Zaaknummer 200.359.809/01
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

- Rechtsvermoeden art. 7:610a BW aangenomen. Kwalificatie overeenkomst met tennisscheidsrechter vrijwilligersovereenkomst, geen arbeidsovereenkomst. Scheidsrechter was niet in dienst van Tennisbond.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team 1

zaaknummer: 200.359.809/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam: 11574150 \ EA VERZ 25-226

beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 12 mei 2026

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente [X] ,

appellant in principaal hoger beroep,geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. O.J. Praamstra te Zoetermeer,

tegen

KONINKLIJKE NEDERLANDSE LAWN TENNIS BOND,

gevestigd te Amstelveen,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,appellante in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. O. van der Kind te Amsterdam.

Partijen worden hierna [appellant] en de KNLTB genoemd.

1. De zaak in het kort

[appellant] is al geruime tijd actief als scheidsrechter bij (professionele) tenniswedstrijden. Tussen [appellant] en de KNLTB is een geschil ontstaan over de vraag of tussen hen een vrijwilligersovereenkomst of arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen. [appellant] meent dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst, die de KNLTB niet rechtsgeldig heeft opgezegd. [appellant] heeft verzocht om de opzegging van de arbeidsovereenkomst te vernietigen en de arbeidsovereenkomst te herstellen. De KNLTB heeft weersproken dat overeenkomst als arbeidsovereenkomst moet worden gekwalificeerd. Het hof oordeelt dat de overeenkomst kwalificeert als een vrijwilligersovereenkomst en geen arbeidsovereenkomst.

2. Het geding in hoger beroep

[appellant] is met het beroepschrift (met producties), ontvangen bij de griffie van het hof op

2 oktober 2025, in hoger beroep gekomen van de beschikking die de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (locatie Amsterdam) (hierna: de kantonrechter) op 3 juli 2025 onder bovenvermeld zaaknummer heeft gegeven (hierna: de bestreden beschikking).

Op 1 december 2025 is bij de griffie van het hof een verweerschrift in hoger beroep tevens houdende incidenteel hoger beroep en voorwaardelijk verzoek ex artikel 7:671b BW (met producties) van de KNLTB ingekomen.

Op 14 januari 2026 heeft de griffie van het hof het verweerschrift in incidenteel hoger beroep van [appellant] ontvangen. Nadien heeft de KNLTB producties 50 en 51 en [appellant] producties 65 tot en met 79 in het geding gebracht.

Partijen hebben de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 25 februari 2026 laten toelichten, [appellant] door mr. Praamstra en de KNLTB door mr. Van der Kind en door mr. M. Hopman, telkens aan de hand van overgelegde spreekaantekeningen.

Uitspraak is bepaald op heden.

3. Feiten

[appellant] heeft een onbenoemde grief gericht tegen de vaststelling van de feiten in rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.7 van de bestreden beschikking. Het hof zal hierna de feiten opnieuw vaststellen, zodat [appellant] geen belang meer heeft bij verdere behandeling van de grief. Het is aan het hof om uit de aldus vaststaande feiten (alleen) die feiten te selecteren die het voor zijn beoordeling van het geschil en de beslissing van belang acht.

In de periode 2010 tot en met 2024 heeft de KNLTB [appellant] ingezet als scheidsrechter bij (professionele) tenniswedstrijden op basis van een overeenkomst. De overeenkomst is door opzegging door de KNLTB per 4 januari 2025 geëindigd.

In 2017 heeft de KNLTB alle scheidsrechters een overeenkomst genaamd ‘Vrijwilligersovereenkomst arbitrage’ ter ondertekening voorgelegd. Deze overeenkomst heeft [appellant] op 24 april 2017 ondertekend. In de overeenkomst staat [appellant] aangemerkt als vrijwilliger. De overeenkomst bepaalt onder meer het volgende:

‘ Artikel 1 Aard van werkzaamheden 1.1. De vrijwilliger verricht ten behoeve van de KNLTB werkzaamheden op het gebied van arbitrage. (…) De arbitragefunctionarissen zijn alle categorieën lijnrechters, toezichthouders, scheidsrechters en hoofdscheidsrechters. 1.2. De door de vrijwilliger te verrichten activiteiten zullen bestaan uit de uitoefening van arbitragewerkzaamheden tijdens officiële regionale en (inter)nationale wedstrijden, en evenementen. 1.3. Het Tennis Arbitrage Reglement is van toepassing op de KNLTB en de vrijwilligers. Artikel 2 Vergoeding 2.1. Een vrijwilliger heeft geen aanspraak op beloning van de door hem verrichte arbitragewerkzaamheden. 2.2. Een vrijwilliger die arbitragewerkzaamheden uitoefent tijdens wedstrijden heeft recht op een dagvergoeding en een vergoeding van gemaakte reiskosten en andere in het kader van de activiteiten noodzakelijk gemaakte kosten, conform door het Bondsbestuur van de KNLTB vastgestelde en gepubliceerde bepalingen. (…) Artikel 4 Diverse (…) 4.2. Deze overeenkomst is geen arbeidsovereenkomst in de zin van het Burgerlijk Wetboek.’

Voor de scheidsrechters die worden ingezet door de KNLTB gelden het Reglement Arbitrage KNLTB (hierna: het Reglement Arbitrage), de Gedragscode voor Officials (hierna: de gedragscode) en het Reglement Fair Play. Artikel 2 lid 2 van het Reglement Arbitrage bepaalt dat een official op basis van een vrijwilligersovereenkomst functioneert.

[appellant] geeft zijn beschikbaarheid om ingezet te worden op toernooien per e-mail of online aan de KNLTB door. [appellant] heeft voor het optreden als scheidsrechter op de door de KNLTB georganiseerde toernooien van de KNLTB dagvergoedingen ontvangen. Ook zijn door [appellant] gemaakte reis- en onkosten door de KNLTB vergoed.

Daarnaast heeft [appellant] de laatste jaren ook op internationale toernooien als scheidsrechter gefunctioneerd. Voor de internationale toernooien in het buitenland kan de KNLTB [appellant] voordragen. Een voordracht door KNLTB is niet vereist om als scheidsrechter op te treden op internationale toernooien. Na de opzegging van de overeenkomst door de KNLTB heeft [appellant] op 27 januari 2025 en 10 maart 2025 opgetreden als stoelscheidsrechter op twee verschillende toernooien.

Op 17 november 2017 heeft de KNLTB [appellant] een berisping opgelegd vanwege het niet naleven van de gedragsregels door zich onbeleefd en beschuldigend uit te laten tegen de KNLTB. De berisping is in het dossier van [appellant] opgenomen, maar had geen invloed op zijn inzetbaarheid. [appellant] heeft tegen de berisping beroep ingesteld bij de Commissie van Beroep van de KNLTB (hierna: de Commissie van Beroep). De Commissie van Beroep heeft het beroep van [appellant] tegen de berisping ongegrond verklaard.

Op 8 februari 2024 hebben [naam 1] (arbitragemanager) (hierna: [naam 1] ) en [naam 2] (manager toptennis en toppadel) een gesprek met [appellant] gevoerd over zijn houding en gedrag.

[appellant] heeft in een e-mail van 5 juni 2024 in niet mis te verstane bewoordingen zijn onvrede over de KNLTB geuit. Op 19 juni 2024 heeft de KNLTB [appellant] als gevolg hiervan een berisping opgelegd. De Commissie van Beroep heeft geoordeeld dat de toonzetting van de e-mail onacceptabel is en heeft de berisping op 25 oktober 2024 bevestigd.

Op 26 november 2024 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen aan de zijde van de KNLTB [naam 3] (technisch directeur), [naam 1] en [naam 4] (juridische zaken) met [appellant] , die werd vergezeld door een adviseur. De KNLTB heeft in dat gesprek aangegeven te overwegen de vrijwilligersovereenkomst op te zeggen en tot beëindiging van de relatie met [appellant] te willen komen vanwege de laatstgenoemde ontwikkelingen.

Bij brief van 4 december 2024 heeft de KNLTB [appellant] bericht dat de vrijwilligersovereenkomst, met inachtneming van een opzegtermijn van een maand, wordt opgezegd.

Na een verzoek daartoe van de Amjoy Cup op 7 januari 2025 om [appellant] in te zetten voor twee toernooien in 2025, heeft de KNLTB laten weten dat zij [appellant] niet meer als official inzet op door de KNLTB georganiseerde of ondersteunde evenementen. Ook is aan een aantal toernooiorganisaties bevestigd dat als ze [appellant] inzetten, door de KNLTB geen garantiesubsidie meer zal worden verstrekt.

Bij brief van 29 januari 2025 heeft [appellant] de KNLTB bericht dat hij het niet eens is met de opzegging en dat sprake is van een arbeidsovereenkomst. [appellant] heeft verzocht de opzegging in te trekken en hem weer toe te laten tot het verrichten van de werkzaamheden als scheidsrechter.

Bij brief van 4 februari 2025 heeft de KNLTB zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een vrijwilligersovereenkomst, die rechtsgeldig is beëindigd. De KNLTB heeft geen gehoor gegeven aan de verzoeken van [appellant] .

[appellant] heeft op 26 februari 2025 de stichting TTON opgericht, met als activiteiten: ‘Het verzorgen van professionele, gekwalificeerde officials tijdens toernooien, die voldoen aan de hoogste standaarden, bij nationale of internationale wedstrijden.’

[appellant] werkt voor 0,8 fte als docent Duits.

4. Eerste aanleg

[appellant] is een procedure bij de kantonrechter gestart. Hij heeft aangevoerd dat sprake is van een arbeidsovereenkomst en heeft de kantonrechter verzocht om bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad de opzegging van de arbeidsovereenkomst te vernietigen. Daarnaast heeft [appellant] verzocht de KNLTB te veroordelen hem toe te laten tot zijn werkzaamheden voor tenminste 608 uur per jaar, met alle daarbij behorende verantwoordelijkheden en bevoegdheden. Ook heeft [appellant] verzocht de KNLTB te veroordelen [appellant] op de gebruikelijke wijze voor te dragen voor de positie van scheidsrechter bij internationale toernooien. [appellant] heeft deze veroordelingen verzocht op straffe van een dwangsom. Tot slot heeft [appellant] verzocht de KNLTB te veroordelen in de proceskosten.

De KNLTB heeft verweer gevoerd. Daarnaast heeft de KNLTB voorwaardelijk verzocht, voor het geval het verzoek van [appellant] wordt toegewezen, de overeenkomst te ontbinden vanwege een redelijke grond, zoals bedoeld in artikel 7:669 lid 3 onder e, dan wel onder g, althans onder i BW. Daarnaast heeft de KNLTB verzocht te bepalen dat [appellant] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld of nagelaten en geen aanspraak heeft op de transitievergoeding of een deel ervan. De KNLTB heeft het voorgaande verzocht met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

In de bestreden beschikking heeft de kantonrechter de verzoeken van [appellant] afgewezen. De kantonrechter heeft geoordeeld dat geen sprake is van een arbeidsovereenkomst. Aan het voorwaardelijk verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst van de KNLTB is de kantonrechter niet toegekomen. [appellant] is veroordeeld in de proceskosten. Tegen dit oordeel en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellant] in hoger beroep op.

5. Beoordeling

Procedure in hoger beroep 5.1. [appellant] heeft in hoger beroep geconcludeerd tot het vernietigen van de bestreden beschikking en zijn verzoek gewijzigd door primair te verzoeken de arbeidsovereenkomst te herstellen per 1 januari 2025, althans een andere door het hof te bepalen datum, dan wel subsidiair een billijke vergoeding toe te kennen van tenminste € 50.000,-. Voor het overige heeft [appellant] verzocht zijn verzoeken alsnog toe te wijzen, met veroordeling van de KNLTB in de kosten van de procedure in beide instanties, vermeerderd met de wettelijke rente. Tegen de bestreden beschikking heeft [appellant] drie benoemde grieven aangevoerd. [appellant] heeft betoogd dat de kantonrechter ten onrechte het rechtsvermoeden van artikel 7:610a BW niet heeft aangenomen (grief 1). Vervolgens heeft [appellant] betoogd dat de kantonrechter de rechten en plichten niet juist heeft vastgesteld (grief 2) en ten onrechte heeft geoordeeld dat geen sprake is van een gezagsverhouding (grief 3).

De KNLTB heeft verweer gevoerd en heeft in incidenteel hoger beroep twee grieven tegen de bestreden beschikking aangevoerd. De kantonrechter heeft volgens de KNLTB ten onrechte geoordeeld dat de dagvergoeding die [appellant] ontving heeft te gelden als loon in de zin van artikel 7:610 BW (grief I). Daarnaast heeft de kantonrechter ten onrechte overwogen dat [appellant] de verplichting had de arbeid persoonlijk te verrichten (grief II), aldus de KNLTB. De KNLTB heeft bewijs van haar stellingen aangeboden. Daarnaast heeft de KNLTB voorwaardelijk verzocht, voor het geval het verzoek van [appellant] wordt toegewezen, de overeenkomst te ontbinden vanwege een redelijke grond, zoals bedoeld in artikel 7:669 lid 3 onder e, dan wel onder g, althans onder i BW. Daarbij heeft de KNLTB ook verzocht te bepalen dat [appellant] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld of nagelaten en geen aanspraak heeft op de transitievergoeding of een deel ervan.

Vrijwilligersovereenkomst of arbeidsovereenkomst?

De kern van het geschil ziet op de vraag of tussen [appellant] en de KNLTB een vrijwilligersovereenkomst of een arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen. Het hof zal eerst ingaan op de vraag of [appellant] een geslaagd beroep kan doen op het rechtsvermoeden uit artikel 7:610a BW. Vervolgens zal het hof beoordelen welke rechten en verplichtingen partijen zijn overeengekomen en hoe de overeenkomst moet worden gekwalificeerd.

Rechtsvermoeden ex artikel 7:610a BW

Als iemand ten behoeve van een ander tegen beloning door die ander gedurende drie opeenvolgende maanden, wekelijks dan wel gedurende ten minste twintig uren per maand arbeid verricht, dan bestaat het rechtsvermoeden dat op basis van een arbeidsovereenkomst wordt gewerkt (artikel 7:610a BW). Daarbij houdt het rechtsvermoeden de veronderstelling in dat de arbeidsrelatie voldoet aan de vereisten, zoals gesteld in artikel 7:610 BW. Op de ‘werknemer’ rust in beginsel conform de hoofdregel van artikel 150 Rv de stelplicht en, bij gemotiveerde betwisting, de bewijslast dat hij ten behoeve van een ander en tegen beloning door die ander een bepaalde minimum hoeveelheid werk heeft verricht gedurende drie opeenvolgende maanden. Slaagt de ‘werknemer’ daarin, dan treedt het rechtsvermoeden van het bestaan van de arbeidsovereenkomst in werking. De ‘werkgever’ kan op zijn beurt tegenbewijs leveren tegen het aangenomen vermoeden. Het hof ziet geen aanleiding om van de hoofdregel af te wijken dat op [appellant] , die zich op het rechtsvermoeden van artikel 7:610a BW beroept, de stelplicht en bewijslast rusten van zijn stellingen om het rechtsvermoeden aan te nemen.

Bij het beantwoorden van de vraag of [appellant] een geslaagd beroep op het rechtsvermoeden toekomt, wordt gekeken naar de toernooien waarop [appellant] ten behoeve van de KNLTB arbeid heeft verricht en waarvoor [appellant] van de KNLTB een beloning heeft ontvangen. [appellant] heeft ook als scheidsrechter gefunctioneerd op internationale toernooien in Nederland en op internationale toernooien in het buitenland. Het betrof toernooien die door andere partijen dan de KNLTB georganiseerd werden en van die andere partijen ontving [appellant] vervolgens een beloning. De uren van deze toernooien kunnen dus niet meegenomen worden bij het beoordelen van het beroep van [appellant] op het rechtsvermoeden uit artikel 7:610a BW.

Het hof overweegt dat is voldaan aan het urencriterium, zoals opgenomen in artikel 7:610a BW. [appellant] heeft in hoger beroep nadere overzichten overgelegd, waarin hij heeft opgenomen hoeveel uren hij in de jaren 2010 tot en met 2024 als scheidsrechter is opgetreden. Uit de overzichten volgt dat [appellant] in ieder geval in de jaren 2012 tot en met 2014 en de jaren 2017 tot en met 2022 aaneengesloten periodes van drie tot zes maanden ten minste twintig uren per maand arbeid ten behoeve van de KNLTB heeft verricht. De KNLTB heeft dit niet voldoende concreet weersproken, zodat dit is komen vast te staan.

Daarnaast heeft [appellant] een beloning (een dagvergoeding) voor de door hem verrichtte arbeid van de KNLTB ontvangen. De KNLTB heeft in grief I in incidenteel hoger beroep betoogd dat de dagvergoeding geen loon is in de zin van artikel 7:610 BW, maar deze grief gaat niet op. In het document ‘Vrijwilligersovereenkomst arbitrage’ staat in artikel 2.1. dat de vrijwilliger geen aanspraak heeft op beloning van de door hem verrichtte arbitragewerkzaamheden, maar een beloning voor de door hem verrichtte arbeid wordt door [appellant] (in de vorm van een dagvergoeding) wel ontvangen. Niet van belang is hoe partijen deze tegenprestatie noemen. De omstandigheden dat de beloning niet afhankelijk was van hoeveel uren er op een dag door [appellant] werden gemaakt en dat [appellant] de dagvergoeding zelf achteraf moest declareren, leiden niet tot de conclusie dat geen sprake is loon is in de zin van artikel 7:610 BW. Vast staat immers dat de KNLTB de dagvergoeding aan [appellant] verschuldigd was ter zake van de door [appellant] verrichtte arbeid. Ongeacht of de fiscale grens van de vrijwilligersvergoeding wordt overschreden, kan sprake zijn van loon in de zin van artikel 7:610 BW. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat is voldaan de vereisten van artikel 7:610a BW. [appellant] komt met terugwerkende kracht een beroep toe op het rechtsvermoeden van artikel 7:610a BW.

Aan het betoog van de KNLTB dat de referteperiode van drie maanden moet worden verlengd, omdat de periode niet representatief is, wordt voorbijgegaan. De referteperiode speelt uitsluitend een rol bij het rechtsvermoeden uit artikel 7:610b BW en niet ook bij het rechtsvermoeden uit artikel 7:610a BW. Zoals hierna zal blijken heeft dat rechtsvermoeden overigens geen invloed op het (eind)oordeel van het hof.

Juridisch kader: kwalificatie overeenkomst

De vervolgvraag is of de tussen partijen gesloten overeenkomst kwalificeert als een vrijwilligersovereenkomst of als een arbeidsovereenkomst. Volgens rechtspraak van de Hoge Raad valt de vraag hoe een arbeidsovereenkomst moet worden gekwalificeerd uiteen in twee fases.

In de eerste fase moet het hof aan de hand van de Haviltex-maatstaf vaststellen welke rechten en verplichtingen partijen zijn overeengekomen. Deze maatstaf houdt - kort samengevat - in dat bij de beantwoording van de vraag hoe een verhouding van partijen is geregeld niet alleen de taalkundige uitleg van de bepalingen van een contract van belang zijn, maar ook de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en wat zij redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij zijn alle bijzondere omstandigheden van het geval van belang. Ook de gedragingen van partijen na het sluiten van de overeenkomst mag het hof betrekken bij het vaststellen van de overeengekomen rechten en plichten.

In de tweede fase vindt kwalificatie van de overeenkomst plaats. Als de overeengekomen rechten en verplichtingen voldoen aan de wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst, moet de overeenkomst als zodanig worden aangemerkt. Voor deze kwalificatie is niet van belang of partijen de bedoeling hadden de overeenkomst onder de wettelijke regeling van de arbeidsovereenkomst te laten vallen (zie HR 6 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1746).

In het bijzonder overwoog de Hoge Raad in het Deliveroo-arrest van 24 maart 2023 (ECLI:NL:HR:2023:443) dat de vraag of een overeenkomst als arbeidsovereenkomst moet worden aangemerkt afhangt van alle omstandigheden in onderling verband bezien, waarbij onder meer van belang kunnen zijn de volgende gezichtspunten:

i) de aard en duur van de werkzaamheden;

ii) de wijze waarop de werkzaamheden en de werktijden worden bepaald;

iii) de inbedding van het werk en degene die de werkzaamheden verricht in de organisatie en de bedrijfsvoering van degene voor wie de werkzaamheden worden verricht;

iv) het al dan niet bestaan van een verplichting het werk persoonlijk uit te voeren;

v) de wijze waarop de contractuele regeling van de verhouding van partijen tot stand gekomen is;

vi) de wijze waarop de beloning wordt bepaald en waarop deze wordt uitgekeerd;

vii) de hoogte van deze beloningen;

viii) de vraag of degene die de werkzaamheden verricht daarbij commercieel risico loopt;

ix) de vraag of degene die de werkzaamheden verricht zich in het economisch verkeer als ondernemer gedraagt of kan gedragen, bijvoorbeeld bij het verwerven van een reputatie, bij acquisitie, wat betreft fiscale behandeling, en gelet op het aantal opdrachtgevers voor wie hij werkt of heeft gewerkt en de duur waarvoor hij zich doorgaans aan een bepaalde opdrachtgever verbindt.

Het hof betrekt deze gezichtspunten hierna in de beoordeling. In het arrest van 21 februari 2025 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat tussen de genoemde gezichtspunten geen rangorde bestaat (ECLI:NL:HR:2025:319). Het hof zal in een alomvattende (holistische) weging beoordelen of de overeengekomen rechten en verplichtingen voldoen aan de wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst.

Overeengekomen rechten en verplichtingen 5.14. Voor de scheidsrechters die worden ingezet door de KNLTB gelden het Reglement Arbitrage, de gedragscode en het Reglement Fair Play. Partijen zijn overeengekomen dat [appellant] ten behoeve van de KNLTB werkzaamheden op het gebied van arbitrage verricht. Het gaat om het verrichten van arbitragewerkzaamheden tijdens officiële regionale en (inter)nationale wedstrijden en evenementen. Er zijn verschillende categorieën arbiters, namelijk lijnrechters, toezichthouders, scheidsrechters en hoofdscheidsrechters. Uit de documenten ‘Groepensystemen KNLTB hoofdscheidsrechters’ en ‘Groepensysteem KNLTB stoelscheidsrechters’ volgt dat scheidsrechters aan verschillende algemene criteria en specifieke criteria moeten voldoen om op te mogen treden als scheidsrechter op toernooien. De scheidsrechters worden onderverdeeld in groepen 1 tot en met 5. Als een scheidsrechter in een hogere groep wil komen, gelden meer criteria waaraan moet worden voldaan. [appellant] trad op als hoofdscheidsrechter (groep 4) en stoelscheidsrechter (groep 5).

[appellant] gaf zijn beschikbaarheid door aan de KNLTB. De KNLTB maakte aan de hand van deze beschikbaarheid een indeling. Die indeling was een bevestiging van de inzet van [appellant] als scheidsrechter op een toernooi. [appellant] heeft betoogd dat een minimale inzet van vijftien dagen als hoofdscheidsrechter groep 4 en veertig partijen als stoelscheidsrechter groep 5 gold. Volgens [appellant] is hij met de KNLTB een minimale beschikbaarheid overeengekomen. De KNLTB heeft dit weersproken en heeft er ook op gewezen dat de minimale inzet lager is dan [appellant] heeft betoogd. Aan deze criteria behoeft slechts voldaan worden als [appellant] zijn hogere status bij de International Tennis Federation (hierna: ITF), zoals de Bronze Badge en de White Badge, wil behouden, aldus de KNTLB.

Het hof volgt [appellant] niet in zijn betoog dat op hem de verplichting rustte om een minimale beschikbaarheid op te geven. In het document ‘Groepensysteem KNLTB stoelscheidsrechters’ staat dat de scheidsrechter tijdig beschikbaarheid voor steeds een hele wedstrijddag aangeeft via het systeem. [appellant] functioneerde op hoog niveau als scheidsrechter en wilde onder meer zijn behaalde (ITF) status behouden. Voor het behouden van die status was een bepaalde inzet vereist. Dit betreft echter geen tussen partijen overeengekomen verplichting tot het opgeven van een minimale beschikbaarheid. Het stond [appellant] vrij om te kiezen of hij zijn status wilde behouden en zich dus voor een minimaal aantal wedstrijden bij de KNLTB wilde opgeven of om niet aan dat minimumvereiste te voldoen.

Een eenmaal opgegeven beschikbaarheid kon [appellant] bovendien wijzigen of intrekken. Zodra [appellant] was ingedeeld werd op hem gerekend. In het document ‘Groepensysteem KNLTB stoelscheidsrechters’ staat dat een scheidsrechter zich uitsluitend in noodsituaties afmeldt, maar de KNLTB heeft betoogd, hetgeen [appellant] onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken, dat zij soepel met afmeldingen omgaat. Dit blijkt ook uit door de KNLTB overgelegde e-mailcorrespondentie. [appellant] is een aantal keren van een toernooi afgehaald, nadat hij had opgegeven dat hij toch verhinderd was. Er is een afmeldbeleid (zoals weergegeven in de nieuwsbrief van november 2024), maar er zijn voor scheidsrechters geen consequenties wanneer zij hun beschikbaarheid willen wijzigen of intrekken.

Het hof stelt verder vast dat partijen zijn overeengekomen dat [appellant] de werkzaamheden persoonlijk diende te verrichten. Uit de bewoordingen de werknemer ‘heeft zich verbonden’ tot het verrichten van arbeid blijkt dat, als wil men spreken over arbeid in de zin van artikel 7:610 BW, de arbeid persoonlijk moet worden verricht. Artikel 7:659 BW bepaalt dat een werknemer zich alleen kan laten vervangen als de werkgever daarmee instemt. De KNLTB heeft in grief II in incidenteel hoger beroep betoogd, dat op [appellant] geen verplichting rustte om de arbeid persoonlijk te verrichten, maar deze grief slaagt niet. De KNLTB heeft aangevoerd dat [appellant] zich op door de KNLTB georganiseerde toernooien altijd kon laten vervangen door een andere scheidsrechter, mits deze voldeed aan de geldende criteria. [appellant] heeft betoogd, hetgeen door de KNLTB onvoldoende gemotiveerd is weersproken, dat de vervanging van een scheidsrechter altijd door/via de KNLTB geregeld werd. In het verweerschrift in hoger beroep heeft de KNLTB aangegeven dat als [appellant] niet kon, de KNLTB een andere scheidsrechter regelde. De uiteindelijke beslissing wie de scheidsrechter zou vervangen, werd dus door de KNLTB en niet door [appellant] genomen.

Wanneer [appellant] werkzaamheden voor de KNLTB verrichtte, diende hij een declaratie in. De KNLTB betaalde [appellant] vervolgens uit. [appellant] kon een reis- en onkostenvergoeding en een dagvergoeding declareren. De hoogte van deze vergoedingen werd per kalenderjaar vastgelegd in het document ‘Reis- en onkostenvergoedingen arbitrage’. Uit het document van het jaar 2025 volgt dat de dagvergoedingen varieerden tussen € 35,- en € 125,-. De dagvergoeding was niet afhankelijk van het aantal uren of wedstrijden van die dag. Bij de KNLTB Eredivisie gold wel een toelage voor het geval er twee in plaats van drie stoelscheidsrechters waren. Ook dit betrof een vast bedrag (€ 23,- in 2025). De toelage was niet gekoppeld aan extra uren die werden gemaakt of extra wedstrijden waar de scheidsrechter optrad.

Kwalificatie overeenkomst

Nu de rechten en verplichtingen tussen partijen vaststaan, zal het hof de overeenkomst kwalificeren. Artikel 7:610 BW omschrijft de arbeidsovereenkomst als de overeenkomst waarbij de ene partij, de werknemer, zich verbindt in dienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten. Met de term ‘in dienst’ wordt bedoeld dat de werkgever gezag kan uitoefenen over het gedrag van de werknemer. Tussen partijen is niet in geschil dat het optreden van [appellant] als scheidsrechter als arbeid moet worden gekwalificeerd en dat [appellant] deze arbeid gedurende een zekere tijd heeft verricht. Zoals reeds overwogen is de dagvergoeding loon in de zin van artikel 7:610 BW (rechtsoverweging 5.7). Voor ligt dan slechts nog de vraag of [appellant] in dienst van de KNLTB was. Het hof zal de gezichtspunten uit het Deliveroo-arrest (hiervoor aangehaald onder rechtsoverweging 5.12) bespreken. Het hof zal beoordelen wat partijen zijn overeengekomen en in hoeverre dat gezichtspunt voor [appellant] daadwerkelijk betekenis heeft gehad bij de uitvoering door hem van de overeengekomen werkzaamheden.

De aard en de duur van de werkzaamheden 5.21. De aard van de werkzaamheden van [appellant] betrof het optreden als scheidsrechter bij tennistoernooien georganiseerd door de KNLTB. Meest recent trad [appellant] op als hoofdscheidsrechter groep 4 en stoelscheidsrechter groep 5. De overeenkomst is mondeling tot stand gekomen voor onbepaalde tijd. Deze omstandigheden passen zowel bij een arbeidsovereenkomst, als bij een vrijwilligersovereenkomst.

De wijze waarop werkzaamheden en werktijden worden bepaald 5.22. Uit de reglementen en de gedragscode volgt hoe scheidsrechters dienen te handelen tijdens hun optreden op tennistoernooien ten behoeve van de KNLTB. De instructies zijn nodig om de kwaliteit en de eenduidigheid van de arbitrage in het tennis te waarborgen. Het geven van deze instructies past zowel bij het bestaan van een arbeidsovereenkomst als een vrijwilligersovereenkomst, maar zijn in dit geval vooral inherent aan het behoud van de kwaliteit van de arbitrage. De KNLTB heeft aangevoerd, hetgeen door [appellant] onvoldoende is weersproken, dat zij geen inhoudelijke werkinstructies aan [appellant] gaf. Deze laatste omstandigheid past meer bij bestaan van een vrijwilligersovereenkomst, dan bij een arbeidsovereenkomst.

De data en tijdstippen waarop de werkzaamheden door [appellant] werden verricht, werden door de KNLTB bepaald aan de hand van de door [appellant] opgegeven beschikbaarheid. Zoals reeds overwogen had [appellant] een grote vrijheid bij zowel het opgeven als bij het wijzigen of intrekken van zijn beschikbaarheid. Er werd weliswaar een minimale inzet van een hoofscheidsrechter groep 4 en stoelscheidsrechter groep 5 verlangd, maar dit was voor het behouden van een bepaalde status als scheidsrechter. Dit is geen overeengekomen verplichting. [appellant] heeft betoogd dat de KNLTB in de e-mail van 8 maart 2024 scheidsrechters heeft verzocht om een minimale beschikbaarheid voor drie toernooien door te geven. Uit de e-mail blijkt echter, zoals door de KNLTB ook is betoogd, dat ook dit in verband met het behoud van bepaalde kwalificaties was. De grote vrijheid die [appellant] bij het bepalen van zijn beschikbaarheid genoot, duidt op het bestaan van een vrijwilligersovereenkomst en niet op het bestaan van een arbeidsovereenkomst.

[appellant] heeft ook als scheidsrechter opgetreden tijdens internationale toernooien in Nederland die niet door de KNLTB werden georganiseerd en tijdens internationale toernooien in het buitenland. De KNLTB geeft voor die toernooien een lijst met beschikbare (hoofd)scheidsrechters door. Het is aan de organisaties zelf te bepalen welke scheidsrechters worden ingezet. Voor internationale toernooien in Nederland geldt dat de KNLTB een garantiesubsidie verstrekt. Wanneer een toernooi buiten de voordracht om kiest voor een Nederlandse scheidsrechter die door de KNLTB wordt afgekeurd, dan kan de KNLTB haar garantiesubsidie intrekken. Gelet op deze samenwerking tussen de KNLTB en de andere toernooiorganisatoren is het voor [appellant] lastig om zonder deze voordracht als scheidsrechter op internationale toernooien op te treden. Uit de stukken blijkt dat [appellant] buiten de medewerking van de KNLTB om op een aantal internationale toernooien als scheidsrechter heeft kunnen optreden, onder meer in januari en maart 2025. Een voordracht door de KNLTB is niet vereist, maar is wel gebruikelijk. In zoverre is er een bepaalde afhankelijkheid van [appellant] ten opzichte van de KNLTB, echter lag de beslissingsbevoegdheid over het al dan niet plaatsen van [appellant] als scheidsrechter niet bij de KNLTB, maar bij de toernooiorganisatie en werd de beloning door de toernooiorganisatie betaald. Ook deze omstandigheid duidt meer op het bestaan van een vrijwilligersovereenkomst, dan een arbeidsovereenkomst.

De inbedding van het werk en degene die de werkzaamheden verricht in de organisatie en de bedrijfsvoering van degene voor wie de werkzaamheden worden verricht

De KNLTB bestaat uit diverse afdelingen waaronder de afdeling Arbitrage, waar [naam 1] als arbitragemanager werkt. De KNLTB organiseert tennistoernooien en plant op haar toernooien ook zelf scheidsrechters in. Scheidsrechters maken een wezenlijk onderdeel uit van de kernactiviteit (‘bedrijfsvoering’) van de KNLTB, namelijk het volledig organiseren en faciliteren van (professionele) tennistoernooien. In zoverre zijn de werkzaamheden ingebed in de organisatie van de KNLTB. De omstandigheid dat de KNLTB geen scheidsrechters in dienst heeft, betekent niet per definitie dat er geen sprake is van inbedding. Bovendien heeft de KNLTB ook geregeld wat moet gebeuren bij het disfunctioneren van een scheidsrechter en kan zij berispingen opleggen. Het voldoen aan het inbeddingscriterium levert een aanwijzing op voor de aanwezigheid van een arbeidsovereenkomst.

Het al dan niet bestaan van een verplichting het werk persoonlijk uit te voeren

Zoals reeds overwogen (rechtsoverweging 5.18) is komen vast te staan dat [appellant] het werk persoonlijk moest verrichten. Dit duidt eerder op het bestaan van een arbeidsovereenkomst dan een vrijwilligersovereenkomst. Daarbij dient echter de kanttekening geplaatst te worden dat de KNTLB ook heeft betoogd dat zij geen bezwaar had tegen vervanging van [appellant] , mits de vervanger voldoende gekwalificeerd was.

De wijze totstandkoming van contract

In 2010 is tussen partijen mondeling een overeenkomst tot stand gekomen. Hoe deze overeenkomst tot stand is gekomen is en welke afspraken partijen destijds hebben gemaakt, is door [appellant] niet toegelicht. De KNLTB heeft betoogd dat de afspraken, zoals die destijds zijn gemaakt, in de ‘Vrijwilligersovereenkomst arbitrage’ zijn vastgelegd. Door het ontbreken van een nadere toelichting op dit punt heeft [appellant] dit onvoldoende gemotiveerd weersproken. In de overeenkomst wordt de term vrijwilliger gebruikt. Artikel 4.2. van de Vrijwilligersovereenkomst arbitrage bepaalt dat de overeenkomst geen arbeidsovereenkomst is in de zin van het Burgerlijk Wetboek. Vaststaat dat [appellant] deze overeenkomst in juli 2017 heeft ondertekend. In de e-mail van 6 november 2017 schrijft [appellant] verder aan de KNLTB dat arbitrage zijn belangrijkste hobby is, maar zijn betaalde baan (als docent Duits) ook belangrijk is. De voornoemde omstandigheden sluiten meer aan bij het betoog van de KNLTB dat een vrijwilligersovereenkomst tot stand is gekomen, dan dat partijen een arbeidsovereenkomst voor ogen heeft gestaan.

Over de inhoud van de schriftelijke Vrijwilligersovereenkomst arbitrage is tussen partijen niet onderhandeld. Scheidsrechters hebben hierop geen enkele invloed gehad en waren dus afhankelijk van de KNLTB. Deze omstandigheid past bij een arbeidsovereenkomst, maar sluit het bestaan van een vrijwilligersovereenkomst niet uit.

De wijze waarop de beloning wordt bepaald en waarop deze wordt uitgekeerd

Partijen hebben ook niet onderhandeld over de hoogte van de beloningen die [appellant] heeft ontvangen. De beloningen werden ieder kalenderjaar door de KNLTB vastgelegd in het document ‘Reis- en onkostenvergoedingen arbitrage’. Er is geen sprake van een situatie waar door twee gelijkwaardige partijen is onderhandeld over de hoogte van de beloning, zoals dat bij een overeenkomst van opdracht vaak wel het geval is. [appellant] heeft bij de totstandkoming geen invloed gehad op de wijze waarop de dagvergoeding werd bepaald en werd uitgekeerd en was in die zin dus afhankelijk van de KNLTB. Ook deze omstandigheden passen bij een arbeidsovereenkomst, maar sluiten het bestaan van een vrijwilligersovereenkomst niet uit.

De hoogte van deze beloningen en commercieel risico 5.30. De hoogte van de dagvergoeding was afhankelijk van de groep waarin de scheidsrechter optrad. Een hogere groep gaf aanspraak op een hogere dagvergoeding. Zoals reeds is overwogen, varieerde de dagvergoeding in 2025 tussen de € 35,- en € 125,-. Uitgaande van een dag van acht uur zou dit een uurloon betreffen tussen de € 4,38 en € 15,63. De laagste dagvergoeding per uur zit ver onder het minimumuurloon dat in 2025 € 14,06 betrof voor personen van 21 jaar of ouder. Loon onder het minimumloon sluit het bestaan van een arbeidsovereenkomst niet uit, maar in dit geval acht het hof de hoogte van de beloning meer passend bij een vrijwilligersovereenkomst dan een arbeidsovereenkomst. Gelet op de hoogte van deze vergoeding liep [appellant] nagenoeg geen commercieel risico. Het hof merkt daarbij op dat [appellant] in de loop van de jaren meer is gaan optreden als scheidsrechter bij internationale toernooien. [appellant] ontving voor zijn optreden op deze toernooien hogere vergoedingen, maar die vergoedingen ontving hij niet van de KNLTB.

Ondernemerschap

Het gezichtspunt of sprake was van ondernemerschap komt in deze zaak geen waarde toe. [appellant] heeft het bedrijf TTNO opgericht met als doel als scheidsrechter ingezet te kunnen worden. [appellant] heeft TTNO na beëindiging van de overeenkomst door de KNLTB opgericht, dit speelt bij de beantwoording van de vraag hoe de verhouding tussen partijen was voor beëindiging daarom geen rol.

Holistische weging: geen arbeidsovereenkomst 5.32. In het licht van alle feiten en omstandigheden overweegt het hof dat de overeenkomst niet kwalificeert als een arbeidsovereenkomst. In de kern onderscheidt een vrijwilligersovereenkomst zich ten opzichte van een arbeidsovereenkomst in de omstandigheid dat de vrijwilliger niet verplicht kan worden tot het verrichten van de arbeid. Dat is ook hier het geval. Het hof acht van doorslaggevend belang dat op [appellant] geen verplichting rustte om zich beschikbaar te stellen. De KNLTB kon niet afdwingen dat [appellant] als scheidsrechter op toernooien zou optreden, hetgeen niet past bij een oproep/arbeidsovereenkomst. Ook uit het afmeldbeleid van de KNLTB blijkt een grote vrijheid voor de betrokken scheidsrechters. [appellant] kon zonder consequenties zijn beschikbaarheid wijzigen of intrekken. Dat [appellant] instructies ontving die voortvloeien uit de reglementen en gedragscode, maakt niet dat sprake is van een gezagsverhouding en [appellant] dus in dienst van de KNLTB was. [appellant] kon de werkzaamheden op de betreffende toernooien volledig zelfstandig verrichten. Het ontvangen van algemene instructies is in dit geval duidelijk gekoppeld aan het behoud van de kwaliteit van de arbitrage in het algemeen. Ook het op peil houden van vakkennis en het faciliteren van het volgen van opleidingen past binnen het kader van de vrijwilligersovereenkomst. Het behouden van de kennis is inherent aan het optreden als scheidsrechter. De omstandigheid dat de KNLTB scheidsrechters bij internationale toernooien voordraagt, laat een nauwe samenwerking met de toernooiorganisaties zien. De beslissingsbevoegdheid voor de inzet van de scheidsrechters ligt echter bij de toernooiorganisaties die ook de beloningen betalen en niet bij de KNTLB. Deze omstandigheden zijn daarom niet van doorslaggevende betekenis bij de beantwoording van de vraag of de overeenkomst als arbeidsovereenkomst moet worden gekwalificeerd.

Het hof acht verder van belang dat [appellant] slechts een beperkte beloning van de KNLTB voor zijn werkzaamheden als scheidsrechter (op hoog niveau) ontving. De omstandigheden dat het werk van scheidsrechter is ingebed in de organisatie en dat vast is komen te staan dat op [appellant] de verplichting rustte om de arbeid waarvoor hij op eigen opgave was ingeroosterd ook persoonlijk te verrichten wegen niet op tegen de belangrijkste overeengekomen afspraak, namelijk: dat het aan [appellant] was om zich wel, niet of (ondanks inroostering) niet meer als scheidsrechter beschikbaar te stellen. Verder overweegt het hof dat [appellant] heeft nagelaten toe te lichten hoe de overeenkomst in 2010 tot stand is gekomen. Het hof sluit daarom aan bij de stelling van de KNTLB dat de afspraken die zijn gemaakt zijn vastgelegd in de Vrijwilligersovereenkomst arbitrage.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de KNTLB het aangenomen rechtsvermoeden van het bestaan van een arbeidsovereenkomst voldoende heeft weerlegd. [appellant] heeft daartegenover onvoldoende gesteld om een arbeidsovereenkomst aan te nemen. Het hof oordeelt dat tussen partijen een vrijwilligersovereenkomst bestond. Het hof komt dan ook niet toe aan het voorwaardelijk ontbindingsverzoek van de KNLTB.

Conclusie 5.35. De grieven 2 en 3 van [appellant] in principaal hoger beroep treffen geen doel. Grief 1 slaagt, maar leidt niet tot een ander dictum. De grieven I en II in incidenteel hoger beroep falen. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen en het meer of anders gevorderde afwijzen. [appellant] wordt in het principaal hoger beroep (grotendeels) in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten in het principaal hoger beroep. De KNLTB zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in het incidenteel hoger beroep.

6. Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in principaal hoger beroep, tot op heden aan de zijde van de KNLTB vastgesteld op € 827,- aan griffierecht en € 2.580,- (2 punten x appeltarief II) aan salaris advocaat en op € 189,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 98,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van deze beschikking plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na deze beschikking dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;

veroordeelt de KNLTB in de kosten van het geding in incidenteel hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [appellant] vastgesteld op € 645,- aan salaris advocaat (1 punt x 0,5 appeltarief II);

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H.T. van der Meer, I.A. van der Burg en S. Tamboer en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand