ECLI:NL:GHAMS:2026:1271

ECLI:NL:GHAMS:2026:1271

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 28-04-2026
Datum publicatie 07-05-2026
Zaaknummer 200.352.605
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Opzegging bankrelatie van beheerder Libische staatsfondsen

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

team I (handel)

zaaknummer : 200.352.605/01

zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/761224/ KG ZA 24-1014 EAM/M

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 28 april 2026

in de zaak van

1. [appellant 1] ,

gevestigd te [plaats] ,

2. [appellant 2],

gevestigd te [plaats] ,

3. [appellant 3] ,

wonende te ’s-Hertogenbosch,

appellanten,

advocaat: mr. J.Th.A. de Keijzer te Amsterdam,

tegen

ABN AMRO BANK N.V,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

advocaat: mr. B.W. Wijnstekers te Amsterdam.

Partijen worden hierna [appellant 1] , [appellant 2] , [appellant 3] (tezamen: [appellanten] ) en de Bank genoemd.

1. De zaak in het kort

De Bank heeft de bankrelatie met [appellanten] opgezegd. [appellanten] zijn betrokken bij het beheer van drie fondsen waarin door het [naam 1] -regime Libische publieke gelden zijn belegd. De fondsen vallen onder het sanctieregime van de VN dat ertoe strekt dat de gelden bewaard moeten blijven voor het Libische volk. Het hof oordeelt dat de bank de relatie niet mocht opzeggen.

2. Het geding in hoger beroep

[appellanten] zijn bij dagvaarding van 12 maart 2025 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 13 februari 2025 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellanten] als eisers en de Bank als gedaagde (hierna: het bestreden vonnis).

Partijen hebben de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties 27 tot en met 31;

- memorie van antwoord.

Op 6 maart 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Voorafgaand aan deze zitting hebben [appellanten] nog nadere producties in het geding gebracht. Naar aanleiding van het bezwaar dat de Bank daartegen heeft gemaakt, heeft het hof op 3 maart 2026 beslist dat productie 32 wordt geweigerd en dat de producties 33 tot en met 41 worden toegestaan.

De advocaten hebben tijdens de mondelinge behandeling de zaak toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen die zij hebben overgelegd.

Tot slot is arrest gevraagd.

3. De vaststaande feiten

[appellant 3] kwam op zijn 18e naar Nederland om in Nijenrode te studeren en is sinds 1988 klant bij de Bank.

[appellant 2] is een vennootschap die behoort tot een door de vader van [appellant 3] (hierna: [appellant 3] sr.) opgerichte groep van ondernemingen. Via een vennootschap op Curaçao is [appellant 3] sr. de ultimate beneficial owner (hierna: ubo) van [appellant 2] . [appellant 2] is sinds 2004 klant bij de Bank. [appellant 2] verleent managementdiensten aan [appellant 1] tegen een managementvergoeding. Het managementwerk bij [appellant 1] wordt feitelijk uitgevoerd door [appellant 3] , die bij [appellant 2] in dienst is tegen een salaris.

[appellant 1] is opgericht in 2006 en maakt ook deel uit van de hiervoor bedoelde groep van ondernemingen. [appellant 3] sr. is via een vennootschap in de Verenigde Arabische Emiraten de ubo van [appellant 1] . [appellant 3] is de bestuurder van [appellant 1] .

Rond 2007 hebben drie Libische staatsinvesteringsmaatschappijen in drie fondsen (thans geheten de Upperbrookfondsen, gevestigd op de Kaaimaneilanden) circa 700 miljoen US$ geïnvesteerd, afkomstig uit publieke middelen. [appellant 1] werd aangesteld als de beheerder van de drie Upperbrookfondsen, aanvankelijk tegen een overeengekomen jaarlijkse fee van 2,5% over het belegde vermogen. [appellant 1] werd feitelijk geleid door [appellant 3] , die de schoonzoon is van een indertijd vooraanstaand Libisch politicus.

[appellant 1] is sinds 2009 klant bij de Bank.

In 2011 is het regime van [naam 1] ten val gebracht. Sindsdien is de machtssituatie in Libië onduidelijk. Er zijn sancties afgekondigd door de VN. Ook de Upperbrookfondsen vallen daaronder. De sancties houden voor de Upperbrookfondsen in dat de daarin belegde gelegde gelden bewaard moeten blijven voor het Libische volk zolang de machtssituatie in Libië onduidelijk is.

Na 2011 is over de zeggenschap in de Upperbrookfondsen veel geprocedeerd in diverse landen.

Het beheer door [appellant 1] van de Upperbrookfondsen vindt plaats via rekeningen bij onder andere Deutsche Bank die als een van de custodian banks fungeert. In verband met de VN-sancties hanteert Deutsche Bank beperkingen in de bankrelatie. Het beheer verloopt feitelijk via een stichting met een onafhankelijk bestuur, de in Nederland gevestigde stichting Palint.

Inmiddels vertegenwoordigen de Upperbrookfondsen in totaal een waarde van meer dan 1 miljard US$.

Vanaf augustus 2011 is de Bank vragen gaan stellen aan haar klant [appellant 1] . In 2012 is het Nederlands Openbaar Ministerie een strafrechtelijk onderzoek naar [appellant 1] gestart. Dat heeft uiteindelijk niet geleid tot strafvervolging.

Nadat de Bank een aantal keren had aangezegd de bankrelatie te gaan beëindigen, heeft zij op 12 mei 2022 beperkende voorwaarden opgelegd aan [appellant 1] en [appellant 2] . Die hielden onder andere in dat maar met bepaalde entiteiten betalingsverkeer mocht plaatsvinden en dat het betalingsverkeer over de beide rekeningen van [appellant 1] per jaar maximaal US$ 3 miljoen inkomend en uitgaand mocht bedragen, terwijl voor [appellant 2] een maximum ging gelden van € 250.000,00. Dit is enkele keren misgegaan: er kwam meer geld binnen bij [appellant 1] en er vond betalingsverkeer plaats met andere entiteiten.

Bij brieven van 28 oktober 2024 heeft de Bank de relatie met [appellant 1] , [appellant 2] en [appellant 3] opgezegd, onder aanvoering van in het bijzonder de volgende gronden:

- niet althans onvoldoende meewerken aan het klantonderzoek;

- een integriteitsrisico, vooral vanwege het niet naleven van de op 12 mei 2022 gestelde voorwaarden;

- een sanctierisico omdat niet duidelijk is welke werkzaamheden voor de Upperbrookfondsen worden verricht;

- een reputatierisico onder meer omdat de bron van het vermogen niet duidelijk is en er mogelijk sprake is van strafrechtelijk handelen en zelfverrijking.

Tevens heeft de Bank in de brieven meegedeeld dat de gegevens van [appellanten] worden opgenomen in haar zogenoemde CAAML-lijst.

4. De procedure bij de rechtbank

[appellanten] hebben bij de voorzieningenrechter van de rechtbank gevorderd om bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad:

i. de Bank te gebieden haar dienstverlening in het kader van haar bancaire relatie met [appellanten] voort te zetten;

ii. de Bank te gebieden de beperkende voorwaarden zoals op 12 mei 2022 opgelegd aan [appellant 1] en [appellant 2] op te heffen; en

iii. de Bank te verbieden om de gegevens van [appellanten] vast te leggen op de CAAML-Lijst,

met veroordeling van de Bank in de kosten.

De voorzieningenrechter heeft de gevraagde voorzieningen geweigerd en [appellanten] veroordeeld in de kosten, uitvoerbaar bij voorraad.

5. De vordering in hoger beroep

[appellanten] vordert onder aanvoering van tien grieven vernietiging van het bestreden vonnis en alsnog – uitvoerbaar bij voorraad – toewijzing van haar vorderingen, met veroordeling van de Bank in de kosten.

De Bank concludeert tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van [appellanten] in de kosten.

6. Beoordeling

Het gaat hier om de beëindiging van eenvoudige bankrelaties, die bestaan uit het ter beschikking stellen van betaalrekeningen. Vertrekpunt is dat op banken, op grond van hun maatschappelijke positie, ook ten aanzien van niet-consumenten de verplichting kan rusten een betaalrekening aan te bieden. Zonder een betaalrekening is het immer vrijwel onmogelijk om deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer en om een bedrijf te exploiteren. Tegelijkertijd heeft te gelden dat een bank een gerechtvaardigd belang kan hebben om vanwege toezichtrechtelijke eisen of integriteitsrisico’s een cliënt te weigeren (vgl. Hoge Raad 5 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1652 ([naam 2])). Een bestaande bankrelatie kan op grond van artikel 35 van de Algemene Bankvoorwaarden (hierna: ABV) in beginsel worden beëindigd, maar het belang van de cliënt bij behoud van een betaalrekening, afgewogen tegenover het belang van de bank bij beëindiging, kan, in het licht van de omstandigheden, aan dat recht op beëindiging in de weg staan omdat beëindiging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

De grieven lenen zich voor gezamenlijke bespreking. Zij komen op tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat de Bank de relaties met [appellanten] mocht beëindigen.

Ten aanzien van [appellant 1]

De Bank heeft kort gezegd twijfels over de herkomst van het vermogen in de Upperbrookfondsen dat door [appellant 1] wordt beheerd. Niet is in geschil dat in 2007 in de fondsen Libisch publiek geld is ingelegd. Er zijn zonder meer veel kanttekeningen te plaatsen bij het toenmalige Libische regime, maar vooralsnog kan het ervoor worden gehouden dat het merendeel van het geld afkomstig was uit olie-inkomsten. Tegelijkertijd kan op voorhand bepaald niet worden uitgesloten dat door de voormalige Libische machthebbers mogelijk ook vermogen is vergaard op illegale wijze en/of dat daarbij mensenrechten zijn geschonden. Dat laat echter onverlet dat het hier uiteindelijk gaat om publiek Libisch geld dat te gelegener tijd terug moet naar het Libische volk. Volgens de VN-sancties is het Libische volk immers de rechthebbende op de gelden in de Upperbrookfondsen. Zolang de politieke situatie in Libië onduidelijk is en er geen regering is waarvan kan worden aangenomen dat zij het Libische volk vertegenwoordigt, zal dit geld bewaard moeten blijven. Dat is althans de strekking van de VN-sancties. De door de Bank geuite twijfels over de herkomst van het in de Upperbrookfondsen ondergebrachte vermogen, leggen bij de hier te maken afweging dan ook geen gewicht in de schaal. Daarbij kan niet uit het oog worden verloren dat de Bank er kennelijk geen bezwaar tegen had [appellant 1] als klant aan te nemen op het moment dat zij al enige jaren met het beheer van dit vermogen was belast en het [naam 1] -regime nog onverkort aan de macht was in Libië.

Verder stelt de Bank dat er niet voldoende medewerking is verleend aan het door haar ingestelde klantonderzoek. Daarbij gaat het hier niet om een onderzoek naar de zogenoemde onboarding van [appellant 1] als klant eertijds, maar om onderzoek naar een bestaande klant waarover bij de Bank vragen zijn gerezen. Anders dan [appellanten] betogen, is dit laatste op zichzelf toelaatbaar. Dat er na de val van het [naam 1] -regime en de ontwikkelingen nadien vragen zijn gerezen zijn bij de Bank over de huidige gang van zaken met betrekking tot de rekening, is begrijpelijk. Op vragen van de Bank dienden [appellant 1] dan ook te reageren.

Uit de stukken blijkt dat er door de Bank veel vragen zijn gesteld en dat door [appellant 1] daarop ook betrekkelijk uitgebreid is geantwoord. Ter zitting is desgevraagd een en ander nogmaals toegelicht. Onweersproken is dat [appellant 3] sr. de ubo is van [appellant 1] via een vennootschap in de Verenigde Arabische Emiraten. Appellant [appellant 3] (hierna omwille van de duidelijkheid ook aangeduid met de toevoeging “jr.”) is de uitvoerend bestuurder van [appellant 1] . [appellant 1] heeft een managementovereenkomst met [appellant 2] , waarvan [appellant 3] sr. via een Curaçaose vennootschap ook de ubo is. [appellant 1] betaalt [appellant 2] bijna € 400.000,00 per jaar, namelijk € 96.000,00 per kwartaal. [appellant 3] jr. verricht feitelijk het door [appellant 2] aan [appellant 1] geleverde managementwerk. [appellant 3] jr. is daarvoor in dienst bij [appellant 2] en hij ontvangt van [appellant 2] een salaris van € 10.000,00 netto per maand.

[appellant 1] heeft circa 12 werknemers, die zich vooral bezighouden met het verder ontwikkelen van het door [appellant 3] jr. voor [appellant 1] bedachte beleggingsmodel. Naast de drie Upperbrookfondsen heeft [appellant 1] thans nog drie andere klanten. Voorheen waren dat er meer.

[appellant 1] exploiteert een hedgefund. De onder 3.4 genoemde fee van 2,5%, zoals overeengekomen bij aanvang van [appellant 1] ’s werkzaamheden, is achterhaald. Momenteel heeft zij voor haar werkzaamheden voor de Upperbrookfondsen aanspraak op een vergoeding van circa 1,8% over het belegde vermogen. Zij ontvangt geen premie over de behaalde resultaten. Volgens [appellant 1] is er sprake van een marktconforme vergoeding voor haar werkzaamheden, hetgeen de bank niet concreet onderbouwd heeft tegengesproken.

De groep waarvan [appellant 1] en [appellant 2] deel uitmaken en [appellant 3] sr. de ubo is, heeft een internationale structuur, die voor Nederland niet ongebruikelijk is. Gevoeglijk kan verder ervan worden uitgegaan dat de familie [appellant 3] in het Libische zakenleven ten tijde van [naam 1] een prominente rol speelde. Er zijn echter geen concrete aanwijzingen dat zij zodanige banden had met dat regime, dat de familie concreet valt te verwijten dat zij met hulp of steun van dit regime op strafbare wijze haar vermogen heeft vergaard. Op de stelling van [appellanten] dat de familie van [naam 3] een ondernemersfamilie is en op de toelichting die is gegeven over hoe het huidige familievermogen vanaf de jaren ’60 vanuit een pluimveebedrijf mede via contacten in de Nederlandse veevoederindustrie is opgebouwd, heeft de Bank inhoudelijk niet afgedaan. Het feit dat het strafrechtelijk onderzoek niet heeft geleid tot een vervolging, wijst ook in die richting. Aan de omstandigheid dat [appellant 3] jr. de schoonzoon is van een vooraanstaand voormalig Libisch politicus, kan bij gebreke aan verdere gegevens dan ook niet de conclusie worden verbonden dat deswege aan de door [appellant 1] op verzoek van de Bank verstrekte gegevens getwijfeld moet worden. Temeer nu een en ander ook niet beargumenteerd is betwist door de Bank, is in het licht van het voorgaande vooralsnog onduidelijk op welke punten de Bank door [appellant 1] (nog steeds) niet volledig is geïnformeerd of nog in het duister tast. De stelling van de Bank dat door [appellant 1] niet of onvoldoende wordt meegewerkt aan het door haar ingestelde klantonderzoek, is dan ook voorshands niet aannemelijk.

Wat betreft het door de Bank geschetste integriteitsrisico, waarbij zij in het bijzonder heeft gewezen op schending van de voorwaarden die zij op 12 mei 2022 aan [appellant 1] en [appellant 2] heeft bekendgemaakt, heeft het volgende te gelden. [appellant 1] betwist de stelling van de Bank dat deze nadere voorwaarden met haar zijn overeengekomen. Zij stelt dat de voorwaarden eenzijdig zijn opgelegd door de Bank. Uitgangspunt is dat contractvoorwaarden alleen dan eenzijdig aangepast kunnen worden als de overeenkomst daarin expliciet voorziet. Dit kan bij een commerciële wederpartij als [appellant 1] ook het geval zijn als de daarvoor geldende regels zijn opgenomen in algemene voorwaarden. De ABV kennen echter niet een eenzijdige wijzigingsbevoegdheid voor de Bank, op grond waarvan zij beperkende regels zoals hier aan de orde aan [appellant 1] als klant kan opleggen. Vooralsnog is ook niet gebleken dat partijen anderszins een dergelijke eenzijdige wijzigingsbevoegdheid zijn overeengekomen. Van expliciete instemming van [appellanten] met de gewijzigde voorwaarden is evenmin gebleken. De door de bank gestelde nadere voorwaarden binden [appellant 1] daarom niet, zodat zij deze ook niet kan hebben overtreden. Zolang er verder geen concrete aanwijzingen zijn dat er op de betreffende bankrekening sprake is van onregelmatigheden, kan een bank ook niet in algemene zin binnenkomende betalingen weigeren of ter zake beperkingen stellen, zoals hier is gebeurd. De wettelijke regels, zoals vastgelegd in titel 7B van boek 7 BW (betalingstransactie), geven haar daartoe niet het recht. Ook in dit opzicht lijkt het derhalve erop dat de verwijten die [appellant 1] worden gemaakt, geen doel treffen.

Dan de stelling van de Bank dat zij een reputatierisico loopt. Haar betoog ziet vooral op het in de Upperbrookfondsen ondergebrachte vermogen. Daarbij gaat het om Libisch publiek geld dat bewaard moet blijven. [appellant 1] vervult daarbij een rol als beheerder. Dat de fondsen ten tijde van het [naam 1] -regime met publiek geld zijn opgebouwd, maakt dit niet anders. Vooralsnog is onvoldoende duidelijk geworden waarom hieraan voor de Bank een risico zou kleven, temeer omdat niet is gebleken dat [appellant 1] haar rol als beheerder niet correct zou vervullen. Zoals hiervoor vermeld, vindt het beheer van de Upperbrookfondsen door [appellant 1] plaats via rekeningen bij onder andere Deutsche Bank die als een van de custodian banks fungeert. In verband met de VN-sancties hanteert Deutsche Bank beperkingen in de bankrelatie. Het beheer verloopt feitelijk via een Nederlandse stichting met een onafhankelijk bestuur. Hooguit zou het feit dat [appellant 1] een behoorlijke vergoeding voor haar werkzaamheden is overeengekomen, de vraag kunnen oproepen of de fondsen niet onder het oog van de Bank worden leeggehaald. Het feit dat [appellant 3] jr. de schoonzoon is van iemand de op het moment dat het geld in 2007 werd gestort, een vooraanstaand politicus was, maakt deze vraag des te pregnanter. Echter, onbetwist is desgevraagd ter zitting verklaard dat de vergoeding die wordt betaald, voor een hedgefund-beheerder (zoals [appellant 1] ) gebruikelijk is. Daar komt bij dat [appellant 1] in haar rol van beheerder kennelijk ook niet aan VN-sancties is onderworpen. Onbetwist is immers dat de overeengekomen beheersvergoedingen aan haar betaald mogen worden. Bij die stand van zaken houdt ook het verwijt dat er mogelijk sprake is van zelfverrijking geen stand. Het betoog van de Bank dat er voor haar sprake is van een reputatierisico kan daarom niet worden aanvaard.

In het licht van het voorgaande valt vooralsnog ook niet in te zien waarom er voor de Bank een concreet gevaar zou bestaan dat er sancties tegen haar worden genomen.

Tot slot is door de Bank ter zitting nog aangevoerd dat er mogelijk sprake is van witwassen. Waar evenwel ervan moet worden uitgegaan dat er sprake is van publiek geld dat wordt beheerd en dat vooralsnog bewaard moet blijven, valt niet in te zien hoe aan het feit dat door de fondsen beheersvergoedingen worden betaald en dit ook is toegestaan, althans niet is gesanctioneerd, de conclusie zou kunnen worden verbonden dat er langs deze weg mogelijk gelden worden witgewassen. De stellingen van de Bank bieden dan ook onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat er van witwassen sprake kan zijn.

Daar staat dan tegenover het belang van [appellant 1] bij behoud van de rekening. [appellant 1] heeft gesteld dat als de Bank vanwege de door haar aangevoerde redenen de relatie mag opzeggen, [appellant 1] bij geen andere bank een bankrekening zal kunnen openen, met rampzalige gevolgen voor haar bedrijfsvoering. Het komt aannemelijk voor dat als een bank - na een rechterlijke toets - de relatie met een cliënt heeft mogen beëindigen wegens gestelde integriteits-, sanctie- en reputatierisico’s waarbij witwassen en het schenden van mensenrechten zijn aangevoerd, het zeer moeilijk zo niet onmogelijk voor de cliënt wordt om een andere bank te vinden die zich daar dan nog mee wil inlaten. De Bank heeft deze aanname niet overtuigend kunnen wegnemen.

De slotsom is dat naar voorlopig oordeel de door de Bank gegeven gronden voor opzegging van de bankrelatie met [appellant 1] , in het licht van het belang van [appellant 1] , onvoldoende steekhoudend zijn. Onvoldoende is gebleken dat de Bank op grond van de Wwft vanwege onvoldoende medewerking van [appellant 1] aan het klantonderzoek gehouden was de relatie te beëindigen of dat daarvoor anderszins voldoende steekhoudende gronden zijn. Bij deze stand van zaken moet voorshands geoordeeld worden dat, in het licht van het onder 6.1 uiteengezette toetsingskader, het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de Bank is overgegaan tot opzegging van de bankrelatie met [appellant 1] .

Ten aanzien van [appellant 2] en [appellant 3]

In het licht van het hiervoor overwogene houden ook de opzeggingen van de relaties met [appellant 2] en [appellant 3] jr. geen stand. Ook ten aanzien van hen is, om dezelfde redenen, niet gebleken dat hen zodanige verwijten zijn te maken dat de Bank de relatie met hen zou kunnen stopzetten, terwijl ook ten aanzien van hen geldt dat het vinden van een andere bank nagenoeg onmogelijk zou zijn.

Slotsom en kosten

Het hoger beroep heeft succes. De grieven slagen en het bestreden vonnis zal worden vernietigd. De vordering van [appellanten] om de Bank te veroordelen haar dienstverlening in het kader van haar bancaire relatie met [appellanten] voort te zetten zal worden toegewezen. Ook zal de Bank op grond van het in rov. 6.7 overwogene worden veroordeeld de beperkende voorwaarden zoals op 12 mei 2022 opgelegd aan [appellant 1] en [appellant 2] op te heffen omdat daarvoor geen wettelijke of contractuele bevoegdheid bestaat. Uit een en ander volgt dat er ook geen grond is om de gegevens van [appellanten] vast te leggen op de CAAML-Lijst. Ook dit zal overeenkomstig de daartoe strekkende vordering worden verboden.

De Bank wordt in hoger beroep alsnog in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten van beide instanties. Het hof stelt de proceskosten van [appellanten] als volgt vast:

eerste aanleg

- explootkosten nihil (geen betekeningsstukken overgelegd)

- griffierecht € 714,00

- salaris advocaat € 1.177,00

Totaal € 1.891,00

hoger beroep

- explootkosten € 119,40

- griffierecht € 827,00

- salaris advocaat € 2.580,00twee punten tarief II)

Totaal € 3.526,40

De daarover gevorderde wettelijke rente wordt toegewezen op na te melden wijze.

Ook zal de Bank overeenkomstig de daartoe strekkende vordering van [appellanten] worden veroordeeld tot terugbetaling van hetgeen [appellanten] aan haar hebben betaald uit hoofde van het vonnis in eerste aanleg, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf zeven dagen na dit arrest.

7. Beslissing

Het hof:

vernietigt het bestreden vonnis;

en doet opnieuw recht:

gebiedt de Bank haar dienstverlening in het kader van haar bancaire relatie met [appellanten] voort te zetten;

gebiedt de Bank de beperkende voorwaarden zoals op 12 mei 2022 opgelegd aan [appellant 1] en [appellant 2] op te heffen;

verbiedt de Bank om de gegevens van [appellanten] vast te leggen op de CAAML-Lijst;

veroordeelt de Bank in de proceskosten in beide instanties, tot nu aan de zijde van [appellanten] vastgesteld op € 1.891,00 voor de eerste aanleg en op € 3.526,00 voor het hoger beroep, te vermeerderen met de wettelijke rente over beide bedragen vanaf veertien dagen na dit arrest;

veroordeelt de Bank tot terugbetaling aan [appellanten] van hetgeen zij aan de Bank hebben betaald uit hoofde van de proceskostenveroordeling in eerste aanleg, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf zeven dagen na dit arrest;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.A.M. Vaessen, R.E. Weening en D. Oranje en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 28 april 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand