GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.366.149/01
insolventienummer rechtbank : C/13/24/69-R
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 28 april 2026
in de zaak van
[appellant] ,
wonende te [plaats] ,
appellant,
advocaat: mr. J.M. van der Linden te Leiden.
1. Het geding in hoger beroep
Appellant wordt hierna [appellant] genoemd.
[appellant] bij per e-mail op 12 maart 2026 ter griffie van het hof ingekomen beroepschrift in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 4 maart 2026 waarbij de rechtbank de duur van de op [appellant] van toepassing verklaarde wettelijke schuldsaneringsregeling met zeven maanden heeft verlengd.
Het hoger beroep is behandeld ter zitting van 21 april 2026. Bij die behandeling [appellant] verschenen, bijgestaan door voornoemd, die het beroepschrift heeft toegelicht. Voorts is de bewindvoerder in de schuldsaneringsregeling, F.H. Entjes, verschenen.
Het hof heeft kennisgenomen van het beroepschrift met bijlage (productie 1), het dossier van de rechtbank waaronder het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg, de verslagen (1 tot en met 6) betreffende de periode van 23 september 2024 tot 17 december 2025 van de bewindvoerder en de namens [appellant] ter zitting in hoger beroep overgelegde brief van het OLVG van 17 april 2025. [appellant] en de bewindvoerder hebben desgevraagd verklaard te beschikken over de genoemde stukken.
2. Beoordeling
[appellant] , op wie met ingang van 13 augustus 2024 de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing is verklaard, in het beroepschrift - onder aanvoering van twee grieven - verzocht het vonnis waarvan beroep te vernietigen en de schuldsaneringsregeling te beëindigen met toekenning van de zogenoemde schone lei, althans een zodanige beslissing te nemen die het hof in goede justitie passend acht. Daartoe heeft [appellant] - samengevat en voor zover voor de beslissing van belang - het volgende aangevoerd. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat [appellant] gedurende de eerste zeven maanden van de schuldsaneringsregeling de sollicitatieverplichting niet is nagekomen. Uit de verslagen van de bewindvoerder blijkt immers dat [appellant] van december 2024 tot en met juni 2025 niet aan de sollicitatieverplichting heeft voldaan. [appellant] stelt dat hij in de genoemde periode vanwege medische klachten aan zijn schouders niet in staat was arbeid in loondienst te verrichten en daarom niet aan de sollicitatieverplichting heeft voldaan. In dat kader heeft hij aan de bewindvoerder een brief van het OLVG van 17 april 2025 overgelegd, waarin zijn medische klachten worden beschreven. De bewindvoerder heeft vervolgens de rechter-commissaris verzocht een medische keuring te laten uitvoeren. Een medische keuring heeft echter nooit plaatsgevonden. Dat [appellant] vanaf juli 2025 de sollicitatieverplichting is nagekomen heeft ermee te maken dat hij op 14 juli 2025 injecties in beide schouders toegediend heeft gekregen waardoor de medische klachten minder werden. [appellant] meent dat niet kan worden geoordeeld dat hij in de periode van december 2024 tot en met juni 2025 toerekenbaar is tekortgeschoten in de sollicitatieverplichting (grief 1). Daarnaast begrijpt [appellant] niet waarom de rechtbank de schuldsaneringsregeling met een periode van zeven maanden heeft verlengd aangezien hij vanaf 2 januari 2026 fulltime werkzaam is. Van een situatie waarin hij dient te solliciteren naar betaald werk, is geen sprake meer. Voor het geval het voorgaande niet opgaat, meent [appellant] dat een verlenging van drie maanden redelijk is, zoals de bewindvoerder ter zitting in eerste aanleg heeft geadviseerd (grief 2).
De bewindvoerder heeft in hoger beroep het volgende naar voren gebracht. Tijdens het huisbezoek op 20 augustus 2024 heeft de bewindvoerder [appellant] geadviseerd te blijven solliciteren ondanks de schouderklachten, omdat het onwaarschijnlijk is dat de schouderklachten zouden leiden tot volledige arbeidsongeschiktheid. Een medische keuring zou om die reden dan ook weinig opleveren. Ondanks dit advies heeft [appellant] in de periode van december 2024 tot en met juni 2025 niet aan de sollicitatieverplichting voldaan. De bewindvoerder heeft [appellant] door middel van tussentijdse verslagen erop gewezen dat hij zijn sollicitatieverplichting niet nakwam. Tijdens het verhoor op 4 augustus 2025 bij de rechter-commissaris is de medische situatie van [appellant] besproken. [appellant] achtte zich in staat op korte termijn weer te gaan werken, omdat zijn schouderklachten waren verminderd. Kort daarna heeft [appellant] werk gevonden. De bewindvoerder meent dat aan de hand van een medische keuring niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat de klachten in het verleden ernstig genoeg waren om te concluderen dat [appellant] in de periode van december 2024 tot en met juni 2025 arbeidsongeschikt was en om die reden de sollicitatieverplichting niet van toepassing zou zijn. De bewindvoerder sluit zich aan bij het oordeel van de rechtbank en adviseert het hof het bestreden vonnis te bekrachtigen.
Het hof stelt bij zijn beoordeling voorop dat - zoals in het bijzonder blijkt uit artikel 350, derde lid, Faillissementswet (Fw) - uit de wettelijke schuldsaneringsregeling voor de schuldenaar verplichtingen voortvloeien, die hun grond vinden in de doelstelling van die wet. Deze doelstelling komt erop neer dat natuurlijke personen die in een uitzichtloze financiële positie zijn gekomen de kans moet worden geboden weer met een schone lei verder te gaan. Daar staat echter tegenover dat van de schuldenaar een actieve medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling wordt gevergd. Van het ontbreken van de vereiste medewerking kan, onder meer, sprake zijn indien de schuldenaar zijn sollicitatieverplichting niet nakomt.
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is gebleken dat, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, [appellant] in de periode van aanvang schuldsaneringsregeling tot december 2024 de sollicitatieverplichting is nagekomen. Blijkens de eerste twee verslagen van de bewindvoerder heeft [appellant] in voornoemde periode sollicitatiebewijzen aangeleverd en daarmee aan de inspanningsverplichting voldaan.
Met betrekking tot de periode december 2024 tot en met juni 2025 is gebleken dat [appellant] niet heeft voldaan aan de sollicitatieverplichting. Het onderhavige hoger beroep spitst zich toe op de vraag of deze tekortkoming [appellant] kan worden toegerekend, en zo ja, of de looptijd van de schuldsaneringsregeling moet worden verlengd en wat de omvang van die verlenging moet zijn. Het hof overweegt daaromtrent als volgt. Vast staat dat [appellant] door de bewindvoerder meermalen is gewezen op de sollicitatieverplichting. Zo is hem bij gelegenheid van het huisbezoek uitgelegd wat de verplichtingen in de schuldsaneringsregeling inhouden en is [appellant] in elk geval door middel van de verslagen van de bewindvoerder die de periode tot 17 december 2025 bestrijken, meermalen op de sollicitatieverplichting geattendeerd. [appellant] heeft zich erop beroepen dat hij gedurende de periode december 2024 tot en met juni 2025 niet in staat was te werken vanwege schouderklachten. Dit laatste dient, zoals artikel 3.5 sub g van de Recofa-richtlijnen voor schuldsaneringsregelingen voorschrijven, te blijken uit medische informatie, althans aannemelijk te zijn op basis van medische omstandigheden. Van [appellant] mocht daarom worden verwacht dat hij de bewindvoerder zou voorzien van dergelijke informatie. [appellant] heeft ter zitting in hoger beroep desgevraagd verklaard dat hij eerst eind maart 2025 de bewindvoerder erover heeft geïnformeerd dat hij vanwege klachten aan zijn schouders niet in staat was arbeid te verrichten en dat hij vervolgens de brief van het OLVG van 17 april 2025 aan de bewindvoerder heeft verstrekt. Dat betekent dat [appellant] gedurende de periode van december 2024 tot en met maart 2025 niet heeft gehandeld overeenkomstig het hiervoor bedoelde voorschrift uit de Recofa-richtlijnen. Dat [appellant] bij gelegenheid van het huisbezoek melding had gemaakt van zijn schouderklachten, doet hieraan niet af. Gelet op de omstandigheid dat [appellant] tot december 2024 - kennelijk ondanks deze klachten - nog wel in staat was te solliciteren naar arbeid en hij ter zitting in hoger beroep desgevraagd heeft verklaard dat dat in de periode daarna niet meer lukte omdat de klachten waren verergerd, lag het op de weg van [appellant] de bewindvoerder (nogmaals) te informeren over de schouderklachten en te voorzien van medische informatie als hiervoor bedoeld. Door de bewindvoerder eerst eind maart 2025 te informeren en eerst na 17 april 2025 medische informatie te overleggen, heeft [appellant] de bewindvoerder de mogelijkheid ontnomen de klachten te laten onderzoeken - bijvoorbeeld door middel van een medische keuring - teneinde te bepalen of een ontheffing van de inspanningsverplichting moest volgen. Deze gang van zaken is aan [appellant] te verwijten en daarom is de tekortkoming in de periode van december 2024 tot en met maart 2025 aan hem toe te rekenen. Voor de periode van april 2025 tot en met juni 2025 ligt dat evenwel anders. Vast staat dat [appellant] de brief van het OLVG van 17 april 2025 aan de bewindvoerder heeft overgelegd en dat uit die brief volgt dat [appellant] - vanaf januari 2025 - serieuze klachten ondervond aan zijn schouders. Eerst nadat bij hem injecties waren toegediend, is [appellant] - vanaf juli 2025 - de inspanningsverplichting weer nagekomen. Inmiddels is gebleken dat [appellant] sinds januari 2026 fulltime werkzaam is als monteur bij [bedrijf] in Amsterdam en afdrachten aan de boedel verricht. Deze omstandigheden maken dat [appellant] zich actief inzet om aan de verplichtingen van de schuldsaneringsregeling te voldoen. De rechtbank heeft dan ook op goede gronden beslist dat [appellant] de kans moet worden geboden de tekortkoming in de nakoming van de inspanningsverplichting te herstellen door middel van een verlenging van de looptijd om de schuldsaneringsregeling alsnog tot een goed einde te brengen. Op grond van het hiervoor overwogene zal het hof de duur van die verlenging bepalen op vier maanden. Na afloop van de verlengde termijn zal bekeken moeten worden of [appellant] daadwerkelijk alle verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling is nagekomen en of aan hem de schone lei kan worden verleend.
Het voorgaande betekent dat het hof het vonnis van de rechtbank zal vernietigen, maar uitsluitend voor zover daarbij de duur van de schuldsaneringsregeling is verlengd met zeven maanden, en in zoverre opnieuw recht zal doen door de duur te verlengen met in totaal vier maanden, een ander op de wijze als hierna vermeld. De grieven slagen gedeeltelijk. Na eerder de rechtbank wijst het hof [appellant] er nogmaals op dat gedurende de termijn van de verlenging alle uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen voor hem onverkort van kracht blijven.
3. Beslissing
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep, doch uitsluitend voor zover daarbij de duur van de van de schuldsaneringsregeling is verlengd met zeven maanden;
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
verlengt de termijn van de schuldsaneringsregeling met in totaal vier maanden, zodat de termijn gedurende welke de schuldsaneringsregeling van kracht is, eindigt op 13 juni 2026;
verstaat dat de rechtbank te zijner tijd bij gelegenheid van de beëindiging van de schuldsaneringsregeling zal bepalen of aan [appellant] de zogenoemde schone lei toekomt;
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor het overige;
wijst af het meer of anders verzochte.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.L.D. Akkaya, L.Th.L.G. Pellis en D.L.M.T. Dankers-Hagenaars en in het openbaar uitgesproken op 28 april 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.
Van dit arrest kan gedurende acht dagen na de dag van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld door middel van een verzoekschrift in te dienen ter griffie van de Hoge Raad.