ECLI:NL:GHAMS:2026:1273

ECLI:NL:GHAMS:2026:1273

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 07-05-2026
Datum publicatie 07-05-2026
Zaaknummer 23-000172-22
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBAMS:2022:51

Samenvatting

Onderzoek Pos. Passieve ambtelijke omkoping (aannemen giften) en bezit van MDMA. Bevestiging vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen met inachtneming van het in het arrest overwogene. LOVS-oriëntatiepunten als uitgangspunt voor de strafoplegging, maar afwijking in het voordeel van de verdachte wegens tijdsverloop. Overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM.

Uitspraak

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 10 maart 2026 en 23 april 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

Omvang van het hoger beroep

De verdachte heeft blijkens de ‘akte instellen hoger beroep’ beperkt hoger beroep ingesteld, in die zin dat het hoger beroep niet is gericht tegen de (deel)vrijspraken in feit 1, te weten de vrijspraak van passieve omkoping met betrekking tot de Mercedes, de Dodge en de Ytongblokken en blokkenlijm, evenals de (deel)vrijspraken in feit 2, te weten de vrijspraak van passieve omkoping met betrekking tot de hefmast Landreus.

Nu het openbaar ministerie geen hoger beroep heeft ingesteld, zijn bovenstaande (deel)vrijspraken in hoger beroep niet meer aan de orde.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en zal dit derhalve bevestigen, met dien verstande dat het hof:

o de verdachte zich ten aanzien van de tenlastegelegde giften op zijn zwijgrecht heeft beroepen,

o de verdachte niet zelf naar voren heeft gebracht dat hij ten aanzien van die giften enkel een btw-voordeel zou hebben gekregen en

o de rechtbank hem daarover niet heeft kunnen bevragen;

o voetnoot 2 op pagina 6 wordt aangevuld met ‘en 101930’,

o de passages ‘[naam 1] is sinds 10 november 2009 directeur en gevolmachtigde van [bedrijf 1] B.V.’ en ‘[naam 1] is sinds 10 november 2009 directeur en gevolmachtigde van [bedrijf 2] B.V.’ op pagina 7 worden gewijzigd in ‘[naam 1] is sinds 10 november 2009 directeur en sinds 1 april 2014 gevolmachtigde van [bedrijf 1] B.V.’ respectievelijk ‘[naam 1] is sinds 10 november 2009 directeur en sinds 1 april 2014 gevolmachtigde van [bedrijf 2] B.V.’,

o voetnoot 14 op pagina 8 wordt gewijzigd in ‘1503111446.DOC, blz. 100106 e.v.’,

o voetnoten 19 en 20 op pagina 9 worden omgewisseld,

o de naam ‘ [naam 2] ’ in de passage ‘In een onder [naam 2] inbeslaggenomen opbergmap (…)’ op pagina 9 wordt gewijzigd in de naam ‘[bedrijf 3] BV’,

o voetnoot 31 op pagina 11 wordt aangevuld met ‘Uit pagina 100072 blijkt dat beller ‘NN’ [naam 3] betreft.’ en

o voetnoten 59 en 79 op pagina’s 20 respectievelijk 25 worden aangevuld met ‘e.v.’.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsman heeft verzocht het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging. In dat verband is naar voren gebracht dat de verdachte door een combinatie van structureel onvolledig en ondeugdelijk onderzoek naar cruciale elementen, de weigering van redelijke onderzoekswensen en het tijdsverloop van 10 jaar dusdanig in zijn verdedigingsrechten is geschaad dat een eerlijk proces niet meer mogelijk is. De raadsman heeft in dat verband naar voren gebracht dat slechts twee gemeenteambtenaren ( [naam 4] en [naam 5] ) zijn gehoord over de vermeende bevoegdheden van de verdachte, waardoor een onvolledig beeld daarover is ontstaan, er geen deugdelijk onderzoek is verricht naar het door de verdachte gestelde alternatieve scenario betreffende de btw-constructie en het daarbij door de aannemers genoten voordeel, dat het scenario van de valse anonieme melding als basis van de vervolging niet is onderzocht, dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn en dat door het tijdsverloop zowel de verdachte als getuigen zich niet meer alles kunnen herinneren. Het voorgaande vormt een ernstige schending van het belang van waarheidsvinding, de verdedigingsrechten van de verdachte en het beginsel van equality of arms en dient tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie te leiden.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging.

Het hof overweegt als volgt.

Aanleiding onderzoek

Bij het Team Criminele Inlichtingen (TCI) zijn in de periode 2014-2015 meerdere anonieme meldingen binnengekomen waarin de verdachte in verband is gebracht met ambtelijke corruptie. De informatie uit deze meldingen is als betrouwbaar aangemerkt. Naar aanleiding van deze meldingen is nader onderzoek gedaan door de Rijksrecherche. In dat kader zijn (bijzondere) opsporingsmiddelen ingezet, waaronder het afluisteren van telefoongesprekken, en is op 8 maart 2016 een doorzoeking verricht in de woning van de verdachte. Ook is in de maanden maart en september 2016 gezocht in de kantoren van diverse aannemers. Verder zijn de verdachte, (mede)verdachten en getuigen al in een vroeg stadium gehoord (2016 en 2017). De Rijksrecherche heeft in de resultaten van dit onderzoek bevestiging gevonden voor de betrouwbaarheid van de informatie uit de anonieme meldingen. Dit heeft uiteindelijk geleid tot de dagvaarding van de verdachte in onderhavige strafzaak.

Valse anonieme meldingen

Dat sprake zou zijn geweest van valse anonieme meldingen is niet meer dan een blote stelling van de verdediging, die bovendien zijn weerlegging vindt in na te noemen resultaten van het onderzoek. Deze (betrouwbare) anonieme meldingen vormen geen bewijs, maar aanleiding voor nader onderzoek. Het openbaar ministerie was, gelet op het voorgaande, niet gehouden onderzoek te (laten) verrichten naar deze stelling van de verdediging.

Mogelijkheid onderzoekswensen en tijdsverloop

De verdediging heeft de gelegenheid gehad onderzoekswensen in te dienen. Van die mogelijkheid is ook gebruik gemaakt. Zo heeft de rechter-commissaris op verzoek en in het bijzijn van de verdediging ex artikel 182 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) in de periode maart-mei 2019 twee collega’s van de verdachte bij de gemeente Amsterdam gehoord, [naam 6] en [naam 7] , evenals aannemer [naam 8] . In hoger beroep heeft het hof een viertal getuigen toegewezen: [naam 4] , destijds adviseur beheer openbare ruimte bij de gemeente Amsterdam, en de aannemers [naam 9] , [naam 11] en [naam 1] . Deze getuigen zijn in de periode 2023-2025 in het bijzijn van de raadsman van de verdachte bij de Rijksrecherche gehoord. De verdediging heeft al deze getuigen kunnen bevragen over de positie van de verdachte en de gestelde btw-constructie. Dat het voor getuigen minder gemakkelijk kan zijn om over de tenlastegelegde feiten te verklaren naarmate de tijd verstrijkt, kan de verdediging worden nagegeven. Dat neemt echter niet weg dat de getuigen in deze zaak verklaringen hebben kunnen afleggen. Het hof overweegt in aanvulling hierop dat het in deze strafzaak voorliggende bewijs niet enkel uit in hoger beroep afgelegde getuigenverklaringen bestaat. Het dossier bevat ook verklaringen van getuigen en verdachten die, zoals hiervoor reeds vermeld, in een vroeg(er) stadium zijn gehoord en daarnaast (andere) objectieve gegevens, zoals onder meer facturen, emailberichten en (telefoon)gesprekken met de verdachte. Dat bepaalde getuigen door de rechter niet zijn toegewezen, omdat deze naar het oordeel van de rechter niet genoegzaam zijn onderbouwd dan wel niet van belang werden geacht voor enige in de artikelen 348 en 350 Sv te nemen beslissingen kan bovendien het openbaar ministerie niet worden verweten.

Tijdsverloop en redelijke termijn

De tenlastegelegde feiten zien op de periode 1 januari 2011 tot en met 8 maart 2016. Het hof wijst arrest op 7 mei 2026, wat neerkomt op een tijdsverloop van ruim tien jaar na het eerste verhoor van de verdachte op 14 april 2016. Dit tijdsverloop leidt, gelet op vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, niet tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Ook een beroep op artikel 6, eerste lid, van het EVRM leidt niet tot niet-ontvankelijkheid. Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd als de redelijke termijn niet zou zijn overschreden.

Conclusie

De stelling van de verdediging dat de verdachte dusdanig in zijn verdedigingsrechten is geschaad dat van een eerlijk proces geen sprake meer is, kan in het licht van het vorenoverwogene niet worden gevolgd. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is het hof (ook overigens) niet gebleken van een schending van het belang van waarheidsvinding, de verdedigingsrechten van de verdachte en het beginsel van equality of arms. Het openbaar ministerie is ontvankelijk in de vervolging.

Aanvullende overwegingen ten aanzien van de in hoger beroep gevoerde bewijsverweren

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten bij gebrek aan wettig en overtuigend bewijs.

In dat verband is aangevoerd dat de verdachte niet in de positie verkeerde om werk te gunnen of een voorkeursbehandeling te geven en geen feitelijke bevoegdheid daartoe had. Getuigenverklaringen die na het vonnis zijn afgelegd en de inhoud van telefoongesprekken met de zakelijke relaties [naam 1] , [naam 3] , [naam 11] en [naam 12] bevestigen deze stelling, aldus de raadsman. Bovendien heeft de verdachte geen tegenprestaties geleverd, waardoor geen sprake kan zijn van passieve omkoping.

Daarbij komt dat sprake is van een alternatieve verklaring in de vorm van de btw-constructie: de verdachte heeft de aannemers een btw-voordeel gegund en de goederen contant, inclusief btw, aan hen betaald. In ruil voor het belastingvoordeel voor de aannemers, ontving de verdachte af en toe een kado. Dit alternatieve scenario vindt steun in het dossier en in de getuigenverklaringen zoals die na het vonnis zijn afgelegd. De verdachte beschikte ook over ruim voldoende contante middelen om de materialen en diensten contant aan te schaffen, omdat hij met het verrichten van extra klusjes als stratenmaker in de weekenden jarenlang aanzienlijke contante bedragen verdiende naast zijn salaris. Daarmee is sprake van een contra-indicatie voor passieve ambtelijke omkoping. Het gaat slechts om een vriendendienst die in de weg staat aan een bewezenverklaring.

Indien het hof wel tot een bewezenverklaring komt, is volgens de raadsman sprake van een beperkt voordeel, gezien de btw-constructie.

De advocaat-generaal heeft tot bewezenverklaring gerekwireerd.

Het hof overweegt als volgt.

Verklaringen aannemers [naam 1] en [naam 11]

De raadsman heeft geen eenduidige stelling ingenomen wat betreft de bruikbaarheid van de verklaringen van de aannemers [naam 1] ( [bedrijf 4] / [bedrijf 2] BV) en [naam 11] ( [bedrijf 5] BV). Enerzijds stelt hij dat deze niet voor het bewijs mogen worden gebezigd omdat zij medeverdachten waren in onderzoek Pos en een eigen belang hadden om valselijk/belastend over de verdachte te verklaren, anderzijds verwijst hij naar deze verklaringen ter ondersteuning van zijn betoog. Het hof stelt met de rechtbank vast dat de verklaringen van beide aannemers ook zeer belastend zijn voor henzelf, nu zij daarin hebben toegegeven dat zij of aan hen gelieerde bedrijven, giften aan de verdachte hebben gedaan in de hoop daarmee hun werkzaamheden voor de gemeente Amsterdam te kunnen voortzetten of nieuwe opdrachten te kunnen verkrijgen. In dat licht is de stelling van de raadsman, dat zij een eigen belang hadden om valselijk of belastend over de verdachte te verklaren onbegrijpelijk. Het hof acht deze verklaringen, die ten aanzien van het aan de verdachte gemaakte verwijt ook bevestiging vinden in de overige bewijsmiddelen in het dossier, zoals die in het vonnis van de rechtbank zijn weergegeven, dan ook bruikbaar voor het bewijs.

In staat een voorkeursbehandeling te geven

Het hof stelt voorop dat doorslaggevend is of de verdachte de (feitelijke) gelegenheid had aannemers een voorkeursbehandeling te geven, bijvoorbeeld in de vorm van het gunnen van contracten of werk. In dit verband wordt, in aanvulling op de overwegingen van de rechtbank, het volgende overwogen.

De verdachte kon in zijn functie van toezichthouder bij de gemeente Amsterdam zaken goed- of afkeuren en hij fungeerde voor diverse aannemers als contactpersoon binnen de gemeente. Het hof wijst in dit verband ook op de verklaringen van de getuige [naam 11] , waaruit naar voren komt dat de verdachte invloed had op het gunnen van werk aan specifieke partijen, bijvoorbeeld in de vorm van het verlengen van contracten, in ruil waarvoor de verdachte onder andere ‘wat hout en spulletjes’ ontving. Ook de getuige [naam 1] heeft verklaard dat de verdachte als aanspreekpunt van de gemeente fungeerde en dat alle contacten via de verdachte gingen. De verdachte was in feite de voorman die het allemaal controleerde, hij was het aanspreekpunt voor het opnemen van werk, het afrekenen en het goedkeuren van betalingen. Deze verklaringen stroken met overige stukken in het dossier, waaruit blijkt dat de verdachte bemoeienis had met onder andere offertes en overleg pleegde met personen over het opnemen van prijzen in offertes. Uit het dossier volgt ook dat de verdachte aannemers kon tegenwerken en de zaken sneller werden afgewikkeld wanneer werd betaald.

Uit het voorgaande volgt dat de verdachte, gelet op de feitelijke bewegingsruimte binnen zijn functie, in staat was om een specifieke aannemer voor te dragen als contractspartij van de gemeente Amsterdam waardoor deze werkzaamheden voor de gemeente mocht uitoefenen. Ook had hij onder meer invloed op de beslissing of een bestaand contract werd verlengd door zich uit te laten over de kwaliteit van de aannemer en de verrichte werkzaamheden. Hij ontving tegenprestaties van aannemers om zich hiervoor in te spannen. Op grond van het voorgaande concludeert het hof dat de verdachte in staat was een voorkeursbehandeling te verlenen en dat aan de bestanddelen van artikel 363 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) is voldaan. Het verweer van de verdediging, dat de verdachte feitelijk niet bevoegd was om werk te gunnen of een voorkeursbehandeling te geven, wordt daarom verworpen.

Waarde van de giften

Het hof acht, met de rechtbank, aannemelijk dat de verdachte ten aanzien van de tenlastegelegde Samsung televisie, keukenmeubelen, Ytong-blokken en blokkenlijm telkens een btw-voordeel van 21% heeft genoten. De verdachte heeft ten aanzien van de keukenmeubelen spontaan en direct, in zijn eerste verhoor als verdachte in april 2016, verklaard dat hij het btw-bedrag niet hoefde te voldoen. Ten aanzien van de Samsung televisie vindt de verklaring van de verdachte dienaangaande bevestiging in de verklaring van aannemer [naam 11] . Wat betreft de Ytong-blokken en blokkenlijm volgt het hof eveneens de overwegingen van de rechtbank dienaangaande. Het totale btw-voordeel dat de verdachte heeft genoten vertegenwoordigt een waarde van € 3.056,76.

Ten aanzien van de overige tenlastegelegde goederen acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte deze (volledig) als giften heeft ontvangen. Wat hierover in hoger beroep is aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Anders dan in eerste aanleg, is de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep verschenen en heeft hij hierover zelf een verklaring afgelegd. Tegenover de enkele verklaring van de verdachte staan echter de verklaringen van de diverse aannemers die, onafhankelijk van elkaar, hebben verklaard dat zij geen betaling hebben ontvangen van de verdachte, terwijl zij wel goederen hebben geleverd of laten leveren dan wel de goederen voor de verdachte hebben betaald als steekpenning.

Verder heeft de rechtbank in haar vonnis verwijzingen opgenomen naar stukken in het dossier waaruit volgt dat de voor de verdachte bestelde goederen zijn verwerkt in de boekhouding van het betreffende bedrijf en dat er geen aanwijzingen zijn dat de verdachte hiervoor heeft betaald.

Gelet op het voorgaande volgt uit verklaringen van aannemers en uit onderzoek naar de bankrekeningen van de verdachte niet dat door hem bedragen zijn betaald of contant zijn opgenomen om aannemers te betalen voor de gekochte goederen. De enkele stelling van de verdachte dat hij uit nevenwerkzaamheden kon beschikken over een grote som geld in contanten leidt in het licht van het voorgaande niet tot een ander oordeel. Bewijs van contante betalingen aan de aannemers voor de goederen volgt immers niet uit de stukken.

Het door de verdediging geschetste scenario, dat de verdachte (als vriendendienst) voor de overige ten laste gelegde goederen het volledige bedrag, inclusief de BTW, aan de aannemers heeft betaald is dan ook niet aannemelijk geworden.

Motivering van de straf

De rechtbank heeft de verdachte voor de onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 200 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, met een proeftijd van twee jaren.

De raadsman heeft verzocht toepassing te geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht en geen straf op te leggen dan wel een geheel voorwaardelijke (taak)straf. Daarbij is gewezen op de overschrijding van de redelijke termijn, het gegeven dat de verdachte door onderhavige strafzaak zijn reputatie en baan is kwijtgeraakt, dat de verdachte hooguit voordeel heeft genoten uit de gestelde btw-constructie en de zaken tegen verschillende medeverdachten zijn afgedaan met een (beleids)sepot, in welk verband wordt verzocht rekening te houden met het gelijkheidsbeginsel.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

De verdachte heeft zich gedurende een lange periode schuldig gemaakt aan passieve ambtelijke omkoping. Daarmee heeft hij niet alleen het vertrouwen in de integriteit van het ambtelijk apparaat geschaad, maar zich ook schaamteloos verrijkt. De samenleving moet erop kunnen vertrouwen dat ambtenaren niet corrupt zijn.

Zoals de rechtbank in paragraaf 6.1.4 van het vonnis heeft overwogen, bedraagt de totale omvang van de giften die de verdachte heeft aangenomen € 68.945,44.

Daarnaast heeft de verdachte bijna 460 gram harddrugs (MDMA) in zijn bezit gehad. Dat hij deze drugs als onderpand voor het terugbetalen van geld onder zich had, maakt het bezit niet minder strafbaar.

Het hof rekent de verdachte voornoemde feiten ernstig aan.

De omvang van de aan de verdachte verweten en bewezen verklaarde gedragingen en zijn positie als ambtenaar, maken dat deze zaak niet vergelijkbaar is met de positie van aannemer [naam 1] , zodat het gelijkheidsbeginsel niet opgaat. Ook overigens is niet gebleken van gelijke gevallen.

Het hof heeft bij de strafoplegging acht geslagen op de straffen die in soortgelijke gevallen plegen te worden opgelegd en die hun weerslag hebben gevonden in de Oriëntatiepunten voor Straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Daarin wordt voor een strafbaar feit met een benadelingsbedrag van € 10.000,00 tot € 70.000,00 een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee tot vijf maanden genoemd of een onvoorwaardelijke taakstraf. Het oriëntatiepunt voor het aanwezig hebben van 200 tot 500 gram harddrugs is gesteld op twee maanden gevangenisstraf. Op grond hiervan kan als uitgangspunt een gevangenisstraf van in totaal zeven maanden worden genomen.

Het hof is op grond van de omvang en ernst van de feiten van oordeel dat in casu niet kan worden volstaan met een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Voor de door de raadsman bepleite toepassing van artikel 9a Sr dan wel een taakstraf acht het hof dan ook geen grond aanwezig.

Het hof ziet in het lange tijdsverloop sinds het bewezenverklaarde wel aanleiding om in het voordeel van de verdachte van voornoemd uitgangspunt van zeven maanden (op basis van de LOVS-oriëntatiepunten) af te wijken en acht in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden passend en geboden.

Het hof dient rekening te houden met het recht op berechting binnen een redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. Deze termijn is in eerste aanleg aangevangen met het eerste verhoor van de verdachte op 14 april 2016. De rechtbank heeft op 10 januari 2022 vonnis gewezen. Tegen dit vonnis is namens de verdachte op 25 januari 2022 appel ingesteld, waarna het hof op 7 mei 2026 arrest wijst. Naar het oordeel van het hof is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg met drie jaar en negen maanden en in hoger beroep met twee jaren en (bijna) vier maanden, terwijl die overschrijding niet (geheel) aan de verdachte kan worden toegerekend. Om die reden zal het hof de op te leggen gevangenisstraf matigen tot de duur van vijf maanden.

BESLISSING

Het hof bevestigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.P.M. van Rijn, mr. M. Senden en mr. M.F.J.M. de Werd, in tegenwoordigheid van mr. S. den Hartog, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 7 mei 2026.

mr. M.F.J.M. de Werd is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand