ECLI:NL:GHAMS:2026:1274

ECLI:NL:GHAMS:2026:1274

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 07-05-2026
Datum publicatie 07-05-2026
Zaaknummer 23-000302-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Onderzoek Pos. Ontneming. Geen rechtsregel verzet zich ertegen de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel te baseren op zowel het tweede als het derde lid van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. Giften, andere feiten en kasopstelling. Overschrijding van de redelijke termijn leidt tot matiging van de betalingsverplichting.

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000302-24

datum uitspraak: 7 mei 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 26 januari 2024 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 13-729039-15 tegen de betrokkene

[verdachte] ,

geboren te [gemeente] op [geboortedag] 1963,

adres: [adres 1] .

Procesgang

Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 145.760,08. De oorspronkelijke vordering bedroeg

€ 261.255,20.

De betrokkene is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 26 januari 2024 in de onderliggende strafzaak – kort gezegd – veroordeeld ter zake van passieve ambtelijke omkoping en het aanwezig hebben van harddrugs.

De rechtbank Amsterdam heeft bij vonnis van 26 januari 2024 in de ontnemingszaak het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 91.779,46 en de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 87.190,49 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen beide vonnissen.

Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen het ontnemingsvonnis.

Bij arrest van dit hof van 7 mei 2026 is het vonnis van de rechtbank in de strafzaak, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, bevestigd met inachtneming van het in het arrest overwogene.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 10 maart 2026 en 23 april 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de betrokkene en de raadsman naar voren hebben gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank.

Standpunten van partijen

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het wederrechtelijk verkregen voordeel dient te worden geschat op een bedrag van € 166.680,75 (het hof begrijpt: € 166.680,57), bestaande uit:

verminderd met € 15.145,00 aan contante stortingen en de waarde van de Dodge (€ 13.000,00). Deze contante stortingen en de aankoop van de Dodge hebben plaatsgevonden in de periode vóór 1 juli 2011 en vóór die datum was een strafrechtelijk financieel onderzoek (SFO) vereist. Dit onderzoek heeft niet plaatsgevonden zodat de bedragen van € 15.145,00 en € 13.000,00 in mindering moeten worden gebracht. Dat niet is gebleken dat de betrokkene naast de bewezenverklaarde giften ook contante gelden van aannemers heeft aangenomen en evenmin is gebleken van andere incidenten van ambtelijke corruptie, brengt volgens de advocaat-generaal niet met zich dat het bedrag uit de kasopstelling niet kan worden meegenomen, nu bij een dergelijke berekening de koppeling met individuele feiten volledig wordt losgelaten. Bij het uitblijven van een aannemelijke verklaring van de betrokkene voor de aanzienlijke contante uitgaven is het, in samenhang met de bewezenverklaarde strafbare feiten, aannemelijk dat andere feiten ertoe hebben geleid dat de betrokkene die geldbedragen heeft ontvangen.

De raadsman heeft allereerst betoogd dat wat betreft de berekening van voordeel uit bewezenverklaarde feiten, de onderdelen waarvan de betrokkene is vrijgesproken – de Mercedes, de Dodge, de hefmast Landreus en daarnaast de keukenmeubelen, de Samsung televisie en de Ytongblokken en blokkenlijm voor zover deze het btw-bedrag te boven gaan – niet mogen worden meegenomen. De aanhangwagen Humbaur is in de strafzaak impliciet tenlastegelegd onder 1 door het gebruik van de bewoordingen “(onder andere)”. De vrijspraken van de tenlastegelegde Mercedes en Dodge zien daarom impliciet ook op de aanhangwagen, aldus de raadsman.

Wat betreft voordeel uit andere (soortgelijke) strafbare feiten – de hobby caravan, de steekpenningen, de aanhangwagen Humbaur , de transporten, de reparatie van de Mercedes en de LED-strips – bestaan er volgens de raadsman onvoldoende aanwijzingen dat deze door betrokkene zijn begaan.

Ten aanzien van het voordeel uit de kasopstelling is naar voren gebracht dat op grond van de beginselen van een behoorlijke procesorde, en dan met name het vertrouwensbeginsel, de posten die het openbaar ministerie eerst bij requisitoir in hoger beroep heeft meegenomen – de Mercedes, de Dodge en de bedragen exclusief btw voor de Samsung televisie en de Ytongblokken en blokkenlijm – niet in de kasopstelling mogen worden betrokken. Verder is betoogd dat een negatieve uitkomst van een kasopstelling een te beperkte uitleg vormt van een voordeelberekening op grond van artikel 36e, derde lid, Sr. Op de ontnemingsprocedure is artikel 6 van het EVRM van toepassing en dat betekent dat de onschuldpresumptie moet worden gerespecteerd. Het is innerlijk tegenstrijdig om, in het geval er geen aanwijzingen zijn van contante betalingen aan de betrokkene in de zin van het tweede lid van artikel 36e Sr, deze betalingen wel aannemelijk te achten op grond van het derde lid. De kasopstelling is slechts gebaseerd op vermoedens en speculatie en kan volgens de raadsman niet als bewijsmiddel worden gebruikt. Een negatieve uitkomst van de kasopstelling is bovendien verklaarbaar nu de betrokkene altijd heeft bijgeklust. Vanwege het ontbreken van een strafrechtelijk financieel onderzoek dienen verder de contante inkomsten en uitgaven in de periode vóór 1 juli 2011 buiten beschouwing te worden gelaten in de kasopstelling. Dat geldt ook voor de factuur van 7 augustus 2014 betreffende de levering van beton ad € 1.836,48, nu het bedrag op deze factuur is doorgekruist en dit slechts een prijsopgave betreft. Vanwege de onleesbaarheid van een aantal facturen dient verder een bedrag van € 4.550,99 in mindering te worden gebracht en ten slotte moeten een aantal bedragen worden gecorrigeerd.

Grondslag van de vordering

Inleiding

De betrokkene is in de strafzaak bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 26 januari 2024 veroordeeld voor – onder meer – passieve ambtelijke omkoping van diverse goederen in de periode van

1 januari 2011 tot en met 8 maart 2016. De betrokkene is daarbij (partieel) vrijgesproken voor het aannemen van giften in verband met de aanschaf van een auto, Merk Mercedes, de aanschaf van een auto, merk Dodge en een hefmast, merk Landreus en daarnaast voor het aannemen van giften in de vorm van keukenmeubelen, een Samsung TV en Ytongblokken en/of lijm voor zover het gaat om het meerdere dan de btw. Bij arrest van dit hof van 7 mei 2026 is dit strafvonnis, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, bevestigd, met inachtneming van het in het arrest overwogene.

Bij de hierna volgende schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel worden deze (partiële) vrijspraken in acht genomen.

Het hof overweegt dat de aanhangwagen van het merk Humbaur , in tegenstelling tot de andere twee voertuigen (de Mercedes en de Dodge), niet in de tenlastelegging is vermeld. Gelet op het grote aantal goederen waarvoor in het dossier aanwijzingen bestaan dat deze door de betrokkene als giften zijn aangenomen, is bij het opstellen van de tenlastelegging kennelijk een keuze gemaakt en zijn niet alle goederen hierin opgenomen. Enige aanwijzing dat het in de tenlastelegging vermelden van de Mercedes en de Dodge impliceert dat daaronder de aanhangwagen moet worden begrepen, ontbreekt. De stelling van de raadsman dat de vrijspraak ook ziet op de aanhangwagen, is een te ruime interpretatie van de tenlastelegging die niet kan worden gevolgd. Het hof gaat er daarom vanuit dat de betrokkene niet is vrijgesproken van een gift in de vorm van een aanhangwagen Humbaur .

Juridisch kader

Op grond van artikel 36e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) kan op vordering van het openbaar ministerie bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel kan de verplichting worden opgelegd aan de in het eerste lid bedoelde persoon die voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het daar bedoelde feit of andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan.

Ingevolge het derde lid, voor zover hier van belang, kan op vordering van het openbaar ministerie bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een misdrijf dat naar de wettelijke omschrijving wordt bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie, de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, indien aannemelijk is dat of dat misdrijf of andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.

Beoordeling door het hof

Het hof stelt voorop dat geen rechtsregel zich ertegen verzet de schatting van het wederrechtelijke verkregen voordeel te baseren op zowel het tweede als het derde lid van artikel 36e Sr.

Artikel 36e, tweede lid, Sr

Het hof is op basis van het arrest in de strafzaak van oordeel dat de betrokkene voordeel heeft verkregen, als bedoeld in artikel 36e, tweede lid, Sr. Het gaat in dit geval om wederrechtelijk verkregen voordeel uit het aannemen van giften waarvoor de betrokkene is veroordeeld.

Voor andere strafbare feiten zijn naar het oordeel van het hof in het dossier voldoende aanwijzingen om aan te nemen dat deze door de betrokkene zijn begaan en dat hij hieruit voordeel heeft behaald. Het gaat daarbij om de volgende andere strafbare feiten:

1. De aanhangwagen

De aanhangwagen van het merk Humbaur met kenteken [kenteken 1] stond van 29 april 2010 tot en met 4 september 2012 op naam van [bedrijf 1] V.O.F. en vanaf 4 september 2012 tot en met 19 januari 2015 op naam van [persoon 1] , de zwager van de zoon van de betrokkene. [persoon 1] was niet in het bezit van een geldig rijbewijs om een aanhangwagen te mogen trekken.In de financiële administratie van voornoemde onderneming is vermeld dat de aanhangwagen voor € 238,00 is verkocht aan de betrokkene, met mutatiedatum 10 september 2012. De betrokkene betaalde verzekeringspremie voor de aanhangwagen toen deze op naam van [persoon 1] stond, en gebruikte de aanhangwagen gedurende die tijd ook. Vanaf 19 januari 2015 is de aanhangwagen op naam van de betrokkene gezet.

De aanhangwagen is op 8 maart 2016, toen voorzien van een (ander) Frans kenteken, bij de woning van de betrokkene in beslag genomen. Het chassisnummer van de aanhangwagen met het Franse kenteken is identiek aan het chassisnummer van de aanhangwagen met het (oorspronkelijke) Nederlandse kenteken. Op een foto op een usb-stick, aangetroffen in de woning van de betrokkene, is de aanhangwagen met het Nederlandse kenteken te zien bij het huis van de betrokkene in Frankrijk.

Gelet op het voorgaande is voldoende komen vast te staan dat de aanhangwagen niet aan [persoon 1] , maar aan de betrokkene is ‘verkocht’ in september 2012, en dat de betrokkene de aanhangwagen in bezit en gebruik had en daar ook de verzekeringspremie voor betaalde. Voor deze aankoop heeft de betrokkene nimmer betaald, zoals uit het navolgende volgt.

De aanschafwaarde van de aanhangwagen bedroeg € 5.000,00 en op het moment van verkoop op 10 september 2012 was € 2.416,57 afgeschreven. De waarde van de aanhangwagen betrof op 10 september 2012 dus (€ 5.000,00 minus € 2.416,57 =) € 2.583,43. Het verkoopbedrag van € 238,00 is op 15 april 2013 gecrediteerd, waarmee de vordering van [bedrijf 1] V.O.F. op de betrokkene is tenietgedaan. Er heeft blijkens de boekhouding van [bedrijf 1] V.O.F. en de bankmutaties geen girale betaling of contante betaling – na contante opname – door de betrokkene, zijn partner [persoon 2] of [persoon 1] plaatsgevonden die verband houdt met de aanhangwagen.

Uit het voorgaande volgt dat de betrokkene, toezichthouder bij de [gemeente] , de aanhangwagen met een waarde van € 2.583,43, zonder daarvoor te betalen, heeft ontvangen van een onderneming die zich bezighield met wegenbouw en bestratingen in [gemeente] , waarbij hij – kennelijk om zijn eigen betrokkenheid te verhullen – het heeft willen doen voorkomen dat een ander, [persoon 1] , de aanhangwagen had gekocht.

Gezien voornoemde gang van zaken en de met de in het strafarrest van dit hof bewezenverklaarde feiten vergelijkbare modus operandi – het als toezichthouder bij de [gemeente] ontvangen van giften van betrokken aannemers – is naar het oordeel van het hof buiten redelijke twijfel komen vast te staan dat de betrokkene deze aanhangwagen als gift heeft aangenomen.

2. Transporten

In (onder meer) de periode november 2013 – april 2015 hebben diverse transporten plaatsgevonden naar de woning van de betrokkene in Frankrijk, [adres 2]. Voor elk van deze transporten, die door verschillende transportondernemingen werden verricht, zijn geen betalingen aangetroffen die in verband kunnen worden gebracht met de betrokkene of zijn partner. Gelet hierop en gelet op de navolgende overwegingen, acht het hof voldoende aanwijzingen aanwezig, in de zin van artikel 36e, lid 2, Sr, dat de betrokkene als toezichthouder bij de [gemeente] deze transporten als gift heeft aangenomen van [bedrijf 2] en/of [bedrijf 3] / [bedrijf 4] , de opdrachtgevers van deze transporten.

2.1 November 2013

In november 2013 hebben twee transporten naar de woning van de betrokkene in Frankrijk plaatsgevonden, die blijkens de transportopdrachten betrokkenheid van [bedrijf 3] laten zien.

Uit een transportopdracht van [bedrijf 5] volgt dat dit bedrijf aan [bedrijf 6] een transport heeft uitbesteed van 33 pallets met een gewicht van 24.000 kilogram, omschreven als ‘Verhuisgoed’. Deze lading moest van 5 op 9 november 2013 worden vervoerd naar het huis van de betrokkene in Frankrijk (losadres). Als laadadres staat vermeld: ‘ [bedrijf 3] , [adres 1] ’, derhalve de naam van het bedrijf [bedrijf 4] ., maar het woonadres van de betrokkene in Nederland. Op 15 november 2013 heeft [bedrijf 6] de met dit transport verband houdende kosten ad € 2.765,00 (factuur 201355030) in rekening gebracht bij [bedrijf 5] .

Uit een tweede transportopdracht van [bedrijf 5] volgt dat dit bedrijf aan [bedrijf 6] een transport heeft uitbesteed van een beladen container van 40ft. De lading moest van 7 op 9 november 2013 worden vervoerd naar het adres van de betrokkene in [plaats 3] . Als laadadres is vermeld: ‘ [bedrijf 3] , P/A [adres 3] ’. De lading bestond uit ‘bouwmateriaal en verhuisspullen’. De uitvoering van het transport werd gedaan door [bedrijf 7] die hiervoor € 2.480,24 in rekening heeft gebracht bij [bedrijf 6] . Dit bedrag is op 22 januari 2014 vanaf de rekening van [bedrijf 6] bijgeboekt op de rekening van [bedrijf 7] B.V.

Op 25 januari 2018 heeft [persoon 3] , bestuurder en directeur van [bedrijf 3] B.V en [bedrijf 3] B.V. een schriftelijke verklaring aan de Rijksrecherche gezonden, waarin hij onder meer verklaarde:

Het klopt dat ik feitelijk betrokken ben geweest bij het transport op 7 november 2013 van de op de [adres 4] geplaatste zeecontainer naar Frankrijk. De heer [verdachte] had mij verzocht dit transport te coördineren.(…) Het klopt dat ik voor bovenvermeld transport vanuit [gemeente] een opdracht heb gegeven aan [bedrijf 8] uit [plaats 4] . (…) Wat betreft de achtergrond van bovenvermelde betrokkenheid bij deze transporten verwijs ik u naar de hieromtrent reeds op 18 december 2017 afgelegde verklaring.

In die verklaring van 18 december 2017 verklaart [persoon 3] onder meer:

Vraag: Wat kunt u zelf verklaren over de handels-/werkwijze van gemeenteambtenaar [verdachte] bij de toekenning of toewijzing van bestratingswerkzaamheden? Met andere worden: herkent u het door [persoon 4] geschetste beeld van een ambtenaar die aannemers onder druk zet om vervolgens tegen betaling van geld of goederen opdrachten gegund te krijgen?

Antwoord: Ja, dat beeld herken ik..

[bedrijf 5] heeft op 20 november 2013 een factuur gezonden aan [bedrijf 8] voor een totaalbedrag van € 7.260,-, inclusief btw, die ziet op de twee transporten naar Frankrijk.

Het hof acht, gelet op het voorgaande en gezien de met de bewezenverklaarde feiten vergelijkbare modus operandi, voldoende aanwijzingen aanwezig, in de zin van artikel 36e, tweede lid Sr, op grond waarvan buiten redelijke twijfel is dat de betrokkene als toezichthouder bij de [gemeente] giften heeft aangenomen door [bedrijf 3] . transporten te laten verrichten met goederen ten behoeve van zijn huis in Frankrijk.

2.2 Maart 2014

In maart 2014 heeft een transport plaatsgevonden van twee containers met bouwmaterialen vanuit het vestigingsadres van [bedrijf 3] naar het huis van de betrokkene in Frankrijk. Dit transport is uitgevoerd door [bedrijf 9] voor [bedrijf 10] . [bedrijf 9] heeft voor dit transport op 31 maart 2014 € 2.904,- in rekening gebracht bij [bedrijf 10] . [bedrijf 10] heeft op dezelfde dag voor het transport € 3.327,50 in rekening gebracht bij [bedrijf 3] B.V. Op 28 april 2014 is dit bedrag vanaf de rekening van [bedrijf 4] . bijgeschreven op de rekening van [bedrijf 10] .

Op 18 december 2017 heeft [persoon 3] in zijn verhoor als verdachte over het transport van bouwmaterialen in maart 2014 het volgende verklaard:

Ik kan mij dit transport herinneren. In maart 2014 waren we in onderhandeling over de werkzaamheden, waarbij [verdachte] te kennen gaf dat hij mij zou benadelen bij de te voeren werkzaamheden indien ik niet de factuur van dit transport zou betalen.

Het hof is, gelet op het voorgaande en gezien de met de bewezenverklaarde feiten vergelijkbare modus operandi, ook ten aanzien van dit transport van oordeel dat het dossier voldoende aanwijzingen in de zin van artikel 36e, lid 2, Sr bevat, op grond waarvan buiten redelijke twijfel is dat de betrokkene de kosten van dit transport als gift van [bedrijf 3] / [bedrijf 4] heeft aangenomen.

2.3 Juli 2014

Ook in juli 2014 heeft een transport ten behoeve van de betrokkene plaatsgevonden. Op grond van de bij [bedrijf 10] . verkregen vrachtbrief, factuur en bewijs van aflevering, kan worden vastgesteld dat op 30 juni 2014 twee containers door [bedrijf 10] zijn afgeleverd op het woonadres van de betrokkene te Almere , onder vermelding van de naam ‘ [betrokkene] ’, waarna de beladen containers op 8 juli 2014 door [bedrijf 10] zijn afgeleverd bij het huis van de betrokkene in Frankrijk onder vermelding van de naam ‘ [persoon 2] ’. De op dit transport betrekking hebbende factuur van € 3.820,58 van 13 juli 2014 van [bedrijf 10] is gericht aan [bedrijf 3] ter attentie van [persoon 3] , onder vermelding van de omschrijving ‘[kenteken 2] voor u vervoerd: Week [nummer 2] div Transporten [gemeente]’.

Op 29 augustus 2014 is een bedrag van € 3.820,30 overgeboekt vanaf de rekening van [bedrijf 4] . naar de rekening van [bedrijf 10] .

Op 18 december 2017 heeft [persoon 3] in zijn verhoor als verdachte ten aanzien van het transport in juli 2014 verklaard dat hij gedwongen werd om deze factuur te betalen om te bespoedigen dat openstaande rekeningen door de [gemeente] werden betaald.

Ook ten aanzien van dit transport is het hof van oordeel dat, gelet op het voorgaande en gezien de met de bewezenverklaarde feiten vergelijkbare modus operandi, het dossier voldoende aanwijzingen in de zin van artikel 36e, lid 2, Sr bevat, op grond waarvan buiten redelijke twijfel is dat de betrokkene de kosten van dit transport als gift van [bedrijf 3] ./ [bedrijf 4] . heeft aangenomen.

2.4 April 2015

Op een bij [bedrijf 2] inbeslaggenomen computer werden twee e-mails van 17 en 23 april 2015 aangetroffen. In de e-mail van 17 april 2015 schrijft [persoon 4] van [bedrijf 2] aan [persoon 5] dat vanaf [gemeente] 60m3 isolatie naar [adres 2] moet, ‘Als het kan week 18’. In de e-mail van 23 april 2015 schrijft [persoon 4] aan [persoon 6] van [persoon 7] dat moet worden geladen op de [plaats 5] en ‘op de factuur moet transport geregeld voor [gemeente] komen geen Frankrijk’. De factuur moet worden gezonden naar het adres van [bedrijf 2] Kennelijk diende dit transport naar [plaats 6] te worden verhuld.

Uit een door [bedrijf 11] . verstrekte vrachtbrief blijkt dat er een transport van 130 pakken steenwol van het merk Rockwool met een gewicht van 2.000 kg vanaf [plaats 5] naar [adres 2] heeft plaatsgevonden met ontvangstdatum 28 april 2015, dit betreft week 18. Op de door [bedrijf 11] . verstrekte factuur van 4 mei 2015 staat vermeld dat het een transport van 2000 kg betreft binnen de [gemeente] en dat de kosten € 2.238,50, inclusief btw, bedragen. Dit bedrag is op 5 juni 2015 door [bedrijf 2] overgemaakt naar de rekening van [bedrijf 11] B.V.

Ook ten aanzien van dit transport is het hof van oordeel dat gelet op het voorgaande en gezien de met de bewezenverklaarde feiten vergelijkbare modus operandi, het dossier voldoende aanwijzingen in de zin van artikel 36e, lid 2, Sr bevat, op grond waarvan buiten redelijke twijfel is dat de betrokkene de kosten van dit transport als gift van [bedrijf 2] heeft aangenomen.

3. Reparatie Mercedes met kenteken [kenteken 3]

In de woning van de betrokkene is een werkplaatsfactuur d.d. 10 januari 2013 aangetroffen met nummer [nummer 3] ter hoogte van € 2.846,40 van autobedrijf [bedrijf 12] . De adressering op de factuur is verwijderd. De factuur ziet op een Mercedes met kenteken [kenteken 4] . Een auto met dit kenteken stond evenwel niet op naam van de betrokkene, maar op naam van aannemingsbedrijf [bedrijf 13] ..

Uit het door autobedrijf [bedrijf 12] verstrekte exemplaar van de factuur van 10 januari 2013 met voornoemd nummer blijkt dat deze was gericht aan aannemingsbedrijf [bedrijf 13] met klantnummer [nummer 4] . [bedrijf 12] beschikte daarnaast over een blanco factuur van die datum met nummer [nummer 5] , die ziet op een Mercedes met kenteken [kenteken 3] en als naam ‘Passant Algemeen’ vermeldt. Een auto met dat kenteken stond wel op naam van de betrokkene en wel vanaf 31 mei 2012 tot en met 2 oktober 2014.

Op de werkorder betreffende laatstgenoemde Mercedes is het klantnummer 30000 doorgestreept en gewijzigd naar [nummer 4] , ofwel het klantnummer van [bedrijf 13] . De op deze werkorder vermelde werkzaamheden (betreffende de Mercedes met kenteken [kenteken 3] ) komen evenwel overeen met de werkzaamheden die op de factuur van de Mercedes met kenteken [kenteken 4] staan vermeld. Kennelijk is beoogd te verhullen voor wie de werkzaamheden zijn verricht.

Het hof concludeert op basis van deze feiten en omstandigheden dat de werkzaamheden hebben plaatsgevonden aan de Mercedes van de betrokkene, maar de kosten in rekening zijn gebracht bij aannemingsbedrijf [bedrijf 13] . Het hof acht, gelet op het voorgaande en gezien de met de bewezenverklaarde feiten vergelijkbare modus operandi, voldoende aanwijzingen in de zin van artikel 36e, lid 2, Sr aanwezig, op grond waarvan buiten redelijke twijfel is dat de betrokkene de kosten voor deze reparatie als gift van het aannemingsbedrijf heeft aangenomen.

4. LED strips

In de woning van de betrokkene in Frankrijk is een factuur van 29 augustus 2015 van [website] aangetroffen, gericht aan [bedrijf 2] en met vermelding van het e-mailadres van [persoon 4] . Het afleveradres betreft de woning van de betrokkene in Almere . De factuur ziet op de levering van LED verlichting en installatiemateriaal voor een bedrag van € 757,61.

Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting is niet gebleken dat de order is geannuleerd.

Het hof is, gelet op het voorgaande en gezien de met de bewezenverklaarde feiten vergelijkbare modus operandi, van oordeel dat er voldoende aanwijzingen zijn in de zin van artikel 36e, lid 2, Sr, op grond waarvan buiten redelijke twijfel is dat de betrokkene de LED strips als gift van aannemingsbedrijf [bedrijf 2] heeft aangenomen.

Overige posten (hobby caravan en steekpenningen)

Het hof ziet met de advocaat-generaal en de raadsman geen aanwijzingen dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit de caravan en het aannemen van steekpenningen en zal deze daarom niet meenemen in de schatting van het totale voordeel.

Conclusie ten aanzien van andere strafbare feiten

Uit het voorgaande volgt dat er voldoende aanwijzingen bestaan in de zin van artikel 36e, lid 2, Sr dat de betrokkene andere dan de bewezenverklaarde feiten heeft begaan. Het gaat om het als ambtenaar aannemen van giften die betrekking hebben op een aanhangwagen, de transporten, de reparatie van de Mercedes en de LED strips.

Artikel 36e, derde lid, Sr

De betrokkene is in de strafzaak (partieel) vrijgesproken van een aantal giften. Anders dan de raadsman stelt, verhinderen die vrijspraken niet dat wederrechtelijk verkregen voordeel op basis van een kasopstelling in aanmerking kan worden genomen. Bij toepassing van een kasopstelling wordt immers geen relatie gelegd met strafbare feiten. De verschillende posten waaruit een kasopstelling is opgebouwd betreffen contante uitgaven die de betrokkene in de onderzochte periode heeft gedaan, afgezet tegen de contante legale ontvangsten. De posten brengen het saldo ervan (het surplus, het meerdere boven de contante legale ontvangsten) niet rechtstreeks in verband met specifieke delicten. Het resultaat van de kasopstelling in het ontnemingsrapport kan niet in een rechtstreeks verband worden gebracht met het aannemen van giften in de vorm van contante geldbedragen of andere giften waarvoor de betrokkene is vrijgesproken. Met de ontneming op basis van de kasopstelling wordt daarom niet alsnog de schuld van de betrokkene aangenomen aan een strafbaar feit waarvoor hij is vrijgesproken.

Ten behoeve van de kasopstelling is onderzoek gedaan naar de omvang van de contante gelden waar de betrokkene de beschikking over heeft gehad, naar zijn bankopnamen en uitgaven. Onder deze uitgaven vallen ook die voor de Mercedes, de Dodge, de Samsung tv (excl. btw) en de Ytong blokken/lijm (excl. btw). Dat de betrokkene er op mocht vertrouwen dat deze bedragen niet tot zijn uitgaven zouden worden gerekend is onvoldoende onderbouwd. Dat deze uitgaven in het requisitoir in hoger beroep voor het eerst zijn opgenomen, is daarvoor onvoldoende. Het openbaar ministerie is vrij, ook in hoger beroep, om het ontnemingsbedrag aan te passen. De raadsman heeft ook voldoende gelegenheid gehad daarop te reageren. Van strijd met het vertrouwensbeginsel of enig ander beginsel van een behoorlijke procesorde is dan ook niet gebleken.

Als een kasopstelling tot een negatief bedrag leidt, betekent dit dat sprake is van een (andere) onbekende inkomensbron. Gelet op het onderzoek dat naar de financiën van de betrokkene is gedaan, is er geen grond voor de stelling van de raadsman dat de kasopstelling slechts is gebaseerd op vermoedens en speculatie. Er is geen reden om de kasopstelling niet als bewijsmiddel te gebruiken.

Gelet op het voorgaande wordt het verweer van de raadsman, dat artikel 36e, derde lid, Sr in de zaak van de betrokkene niet als grondslag voor de ontneming van het wederrechtelijk verkregen vermogen kan worden gebruikt, dan ook verworpen.

Het misdrijf passieve ambtelijke omkoping, waarvoor de betrokkene is veroordeeld, is een misdrijf waarop een geldboete van de vijfde categorie is gesteld. Het hof acht, gelet op de onverklaarbare contante uitgaven die de betrokkene heeft gedaan, aannemelijk dat andere feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat de betrokkene hieruit wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Aan de eisen van het derde lid van artikel 36e Sr is derhalve voldaan.

Het hof baseert de ontnemingsvordering, gelet op het voorgaande, op het tweede en het derde lid van artikel 36e Sr.

Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is gebaseerd op de bevindingen uit het ‘Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict’ van 21 mei 2019 met bijlagen (het ontnemingsrapport), met de daarop in dit arrest gegeven correcties, het arrest van dit hof van 7 mei 2016 in de strafzaak en het onderliggende procesdossier, zoals daarnaar wordt verwezen in de voetnoten in dit arrest.

I. Bewezenverklaarde aangenomen giften

In de strafzaak heeft het hof wat betreft de Samsung televisie, keukenmeubelen en de Ytongblokken en blokkenlijm geoordeeld dat de betrokkene een btw-voordeel van 21% heeft genoten. Wat betreft de overige goederen heeft het hof de door de verdediging gestelde btw-constructie verworpen en geoordeeld dat de betrokkene deze (volledig) als giften heeft ontvangen. Voor zover de raadsman heeft betoogd dat enkel sprake was van een btw-voordeel ten aanzien van alle in de strafzaak bewezenverklaarde goederen, schuift het hof dit alternatieve scenario terzijde op de gronden zoals opgenomen in het strafarrest en het daarbij bevestigde strafvonnis.

In de strafzaak is bewezenverklaard dat de betrokkene de volgende giften heeft aangenomen:

vlonderplanken en onderbalken ter waarde van € 5.445,00;

twee schuifpuien ter waarde van € 5.384,50;

een deurkozijn ter waarde van € 5.958,04;

een garagedeurkozijn ter waarde van € 1.784,75;

een btw-voordeel van 21% ter hoogte van € 1.324,39, berekend over de aankoop van keukenmeubelen;

keukenapparatuur ter waarde van € 5.300,00 en € 950,00;

een houtkachel ter waarde van € 3.677,50;

26 tuinpalen en 32m2 vlonderplanken ter waarde van € 2.172,90;

een btw-voordeel van 21% ter hoogte van € 728,75, berekend over de aankoop van een Samsung televisie;

dakspanten ter waarde van € 20.290,00;

het transport van Ytong -blokken en bouwmaterialen ter waarde van € 3.509,00;

een ladderlift ter waarde van € 4.277,35;

isolatiemateriaal ter waarde van € 6.094,69;

een technische 3D-tekening ter waarde van € 605,00;

een Festool mixer ter waarde van € 439,95; en

een btw-voordeel van 21% ter hoogte van € 1.003,62, berekend over de aankoop van Ytong -blokken en blokkenlijm.

Het hof schat het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene uit aangenomen giften op het totaalbedrag van de giften, zijnde € 68.945,44.

II. Andere strafbare feiten

Het hof acht, anders dan de raadsman, buiten redelijke twijfel dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit andere strafbare feiten ter hoogte van € 22.834,02, bestaande uit:

Aanhangwagen Humbaur € 2.583,43

Transporten € 16.646,58

November 2013 € 7.260,00

Maart 2014 € 3.327,50

Juli 2014 € 3.820,58

April 2015 € 2.238,50

Reparatie Mercedes € 2.846,40

LED strips € 757,61

Het hof bespreekt de waarde van deze posten hieronder afzonderlijk, met verwijzing naar hetgeen hiervoor, onder ‘Grondslag van de vordering’ ten aanzien van de verschillende posten is overwogen.

Aanhangwagen Humbaur

Gebleken is dat de aanschafwaarde van de aanhangwagen € 5.000,00 bedroeg en dat op het moment van verkoop € 2.416,57 was afgeschreven. De waarde van de aanhangwagen op 10 september 2012 wordt daarom door het hof geschat op € 2.583,43 (€ 5.000,00 minus € 2.416,57).

Transporten

November 2013

Het gaat om twee transporten die door [persoon 3] van [bedrijf 3] en [bedrijf 4] (met tussenkomst van [bedrijf 8] ) door [bedrijf 5] zijn uitgevoerd. [bedrijf 5] heeft op 20 november 2013 een factuur gezonden aan [bedrijf 8] voor een totaalbedrag van € 7.260,-, inclusief btw, die ziet op de twee transporten naar Frankrijk.

Het hof acht aannemelijk dat de betrokkene in totaal € 7.260,00 aan wederrechtelijk voordeel heeft verkregen in verband met de twee door [bedrijf 3] B.V. betaalde transporten in november 2013.

Maart 2014

Voor dit transport, dat is uitgevoerd door [bedrijf 9] (met tussenkomst van [bedrijf 10] ) is op 31 maart 2014 € 2.904,- in rekening gebracht bij [bedrijf 10] . [bedrijf 10] heeft op dezelfde dag voor het transport € 3.327,50 in rekening gebracht bij [bedrijf 3] B.V. Op 28 april 2014 is dit bedrag vanaf de rekening van [bedrijf 4] bijgeschreven op de rekening van [bedrijf 10] .

Het hof acht aannemelijk dat de betrokkene € 3.327,50 aan wederrechtelijk voordeel heeft verkregen in verband met het door [bedrijf 3] B.V. betaalde transport in maart 2014.

Juli 2014

De op dit transport betrekking hebbende factuur van € 3.820,58 van 13 juli 2014 van [bedrijf 10] is gericht aan [bedrijf 3] B.V. ter attentie van [persoon 3] . Op 29 augustus 2014 is een bedrag van € 3.820,30 overgeboekt vanaf de rekening van [bedrijf 4] naar de rekening van [bedrijf 10] .

Het hof acht aannemelijk dat de betrokkene in totaal € 3.820,58 aan wederrechtelijk voordeel heeft verkregen in verband met het door [bedrijf 3] B.V. betaalde transport in juli 2014.

April 2015

Op de door [bedrijf 11] . verstrekte factuur van 4 mei 2015 staat vermeld dat de kosten € 2.238,50, inclusief btw, bedragen. Dit bedrag is op 5 juni 2015 door [bedrijf 2] overgemaakt naar de rekening van [bedrijf 11]

Het hof acht aannemelijk dat de betrokkene in totaal € 2.238,50 aan wederrechtelijk voordeel heeft verkregen in verband met het door [bedrijf 2] betaalde transport in april 2015.

Reparatie Mercedes

Voor de reparatie van de Mercedes van de betrokkene is een werkplaatsfactuur (nummer [nummer 3] ) ter hoogte van € 2.846,40 van autobedrijf [bedrijf 12] aangetroffen. Uit het door [bedrijf 12] verstrekte exemplaar van de factuur blijkt dat deze was gericht aan het aannemingsbedrijf [bedrijf 13] .

Het hof schat het wederrechtelijk voordeel dat de betrokkene heeft verkregen doordat [bedrijf 13] . de kosten voor de reparatie heeft betaald op € 2.846,40.

LED strips

In de woning van de betrokkene in Frankrijk is een factuur van 29 augustus 2015 van [website] aangetroffen, gericht aan [bedrijf 2] en met vermelding van het e-mailadres van [persoon 4] . De factuur ziet op de levering van LED verlichting en installatiemateriaal voor een bedrag van € 757,61.

Het hof schat het wederrechtelijk voordeel dat de betrokkene heeft verkregen op een bedrag van € 757,61.

Kasopstelling

Bij de berekening neemt het hof het ontnemingsrapport in combinatie met het proces-verbaal van bevindingen kasopstelling van 17 april 2019als uitgangspunt, met de hierna in dit arrest opgenomen correcties.

Beginsaldo

Anders dan in het proces-verbaal van bevindingen kasopstelling vermeld, gaat het hof uit van een beginsaldo van € 10.000,00. Gelet op hetgeen door de verdediging is aangevoerd over de ontvangen contante betalingen voor kluswerkzaamheden van de betrokkene, acht het hof aannemelijk dat de betrokkene de beschikking kan hebben gehad over dit bedrag als beginsaldo. Een hoger bedrag is door de verdediging niet aannemelijk gemaakt.

Contante inkomsten

Het hof gaat ervan uit dat de betrokkene, naast voornoemd beginsaldo van € 10.000,00, in de periode van 1 januari 2011 tot en met 8 maart 2016 een saldo van € 107.840,00 beschikbaar had voor het doen van contante uitgaven, bestaande uit contante geldopnames in Nederland van betrokkene en zijn partner

(€ 105.370,00) en contante bankopnames in Frankrijk (€ 2.470,00), overeenkomstig het proces-verbaal van bevindingen kasopstelling.

Contante uitgaven

Het hof betrekt de volgende posten bij de berekening van de totale contante uitgaven:

de bankstortingen op de rekeningen van de betrokkene en zijn partner en in Frankrijk;

de huishoudelijke uitgaven op basis van het Nibud ;

de werkelijke contante uitgaven aan de hand van paragraaf 2.5.2 van het proces-verbaal kasopstelling; en

de keukenmeubelen, de Samsung televisie, de Ytong -blokken en blokkenlijm, evenals de Mercedes.

Het hof neemt, conform het ontnemingsrapport, het beton als ‘contante uitgave Frankrijk’ niet mee in de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Niet is komen vast te staan dat het beton daadwerkelijk aan of ten behoeve van de betrokkene is geleverd.

De verdediging heeft verweren gevoerd ten aanzien van iii. en iv. Het hof overweegt ten aanzien hiervan het volgende.

Ad iii.(contante uitgaven aan de hand van paragraaf 2.5.2 proces-verbaal kasopstelling)

De raadsman heeft allereerst verzocht specifieke contante uitgaven van in totaal € 4.550,99 in mindering te brengen op het totaalbedrag, omdat de schriftelijke bescheiden met betrekking tot deze uitgaven onleesbaar zouden zijn en daarom niet als wettig bewijsmiddel kunnen dienen. Het hof overweegt dienaangaande dat de uitgaven zijn opgenomen in het overzicht onder 2.5.2 van het proces-verbaal van bevindingen kasopstelling van 17 april 2019. De brondocumenten zoals kassabonnen en een aankoopbevestiging zijn telkens als bijlage bij dit proces-verbaal gevoegd. Dat deze bescheiden verminderd of zelfs onleesbaar in het (kopie)dossier zijn opgenomen, is niet van zodanig belang dat de daaruit verkregen informatie onbruikbaar is geworden. De informatie zoals aankoopdata, omschrijvingen en geldbedragen die zijn opgenomen in het proces-verbaal, is gegrond op de onderliggende bescheiden. Dit proces-verbaal is op ambtsbelofte opgemaakt en niet is gebleken dat de daarin vermelde gegevens onjuist of onbetrouwbaar zouden zijn. Het hof zal daarom uitgaan van de bedragen zoals weergegeven onder 2.5.2 van het proces-verbaal.

De raadsman heeft verder bepleit dat de contante uitgaven voor de Mercedes Benz (factuur 18 april 2013), [bedrijf 14] (kassabon 14 november 2015) en [naam] (kassabon 10 december 2015) gecorrigeerd dienen te worden door deze te verminderen met een totaalbedrag van € 203,19. Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

De artikelen voor de Mercedes Benz zijn aangekocht voor £ 195,23 Britse pond. Het hof is van oordeel dat het Britse pond naar de euro moet worden omgerekend volgens de wisselkoers zoals deze gold op de aankoopdatum, zoals door de raadsman bepleit. Op 18 april 2013 stond £ 195,23 gelijk aan € 228,37. Het hof zal dit bedrag bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel hanteren, wat neerkomt op een correctie van € 13,75 ten opzichte van het aankoopbedrag ad € 242,12 onder paragraaf 2.5.2 van het proces-verbaal van bevindingen kasopstelling.

Het hof stelt vast dat op de kassabon van [bedrijf 14] staat vermeld dat € 150,00 contant is betaald, op grond waarvan dit bedrag wordt meegenomen in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het bedrag van € 160,00 dat met een pinpas zou zijn betaald, wordt niet meegenomen in de berekening. Dit leidt tot een correctie van € 160,00.

Uit het dossier volgt verder dat (enkel) een contante betaling van € 500,00 aan [naam] heeft plaatsgevonden. Een (giraal betaald) bedrag van € 175,00 (€ 675,00 minus € 500,00) zal daarom buiten beschouwing worden gelaten.

Het hof zal gelet op het voorgaande een bedrag van € 348,75 (€ 13,75 + € 160,00 + € 175,00) in mindering brengen op het totaal van de contante uitgaven, vermeld in 2.5.2 van het proces-verbaal van bevindingen, zodat ten aanzien van deze categorie contante uitgaven een bedrag resteert van € 23.017,77 (23.366,52 – 348,75).

Ad iv. (keukenmeubelen, Samsung-televisie, Ytongblokken en blokkenlijm en Mercedes)

Het hof acht voldoende aannemelijk dat de betrokkene contante uitgaven heeft gedaan voor de keukenmeubelen ad € 6.306,61 (€ 7.631,00 - 21% btw), een Samsung televisie ad € 3.470,25

(€ 4.199,00 – 21% btw) en Ytong -blokken en blokkenlijm ad € 4.779,17 (5.782,79 – 21% btw).

Het hof heeft immers in de strafzaak ten aanzien van deze goederen bewezen verklaard dat de betrokkene enkel een gift in de vorm van btw-voordeel heeft ontvangen; het restant is door de betrokkene zelf betaald. Nu uit het dossier niet is gebleken van girale betalingen voor deze goederen, dient te worden uitgegaan van contante betalingen. Het hof zal de bedragen ad € 6.306,61 + € 3.470,25 +€ 4.779,17 meenemen in de contante uitgaven.

Het hof acht verder aannemelijk dat de betrokkene de opbrengst van de Dodge ter hoogte van € 16.000,00 heeft gebruikt voor de betaling van de Mercedes en gaat daarom, in tegenstelling tot de advocaat-generaal, uit van een uitgave van € 10.000,00 in plaats van € 26.000,00. Het hof zal ook dit bedrag van € 10.000 meenemen in de uitgaven. De Dodge zelf wordt niet in de berekening meegenomen, nu de aankoop daarvan vóór 1 juli 2011 heeft plaatsgevonden, terwijl geen (vóór die datum vereist) SFO is verricht.

Kassaldo

Het negatieve kassaldo betreft de som van de volgende posten.

Beschikbaar voor contante uitgaven € 117.840,00

Bestaande uit - Beginsaldo betrokkene € 10.000,00

- Contante opnames € 105.370,00

- Bankopnames Frankrijk € 2.470,00

minus

(i)

Bankstortingen € 126.015,00

Bestaande uit - stortingen door betrokkene € 103.265,00

- stortingen door partner € 22.650,00

- storting Frankrijk € 100,00

(ii)

Uitgaven Nibud € 12.439,10

(iii)

Contante uitgaven par. 2.5.2 na correctie € 23.017,77

(iv)

Keukenmeubelen € 6.306,61

Samsung televisie € 3.470,25

Ytong -blokken en blokkenlijm € 4.779,17

Mercedes € 10.000,00

(Voorlopig) negatieve kassaldo € 68.187,90

Strafrechtelijk financieel onderzoek vereist vóór 1 juli 2011

Vóór 1 juli 2011 was een SFO naar het misdrijf waarvoor de betrokkene (uiteindelijk) is veroordeeld vereist in het geval van ontneming op grond van artikel 36e, derde lid, Sr. Het hof stelt, overeenkomstig de standpunten van de advocaat-generaal en de raadsman, vast dat dit onderzoek niet heeft plaatsgevonden, op grond waarvan het wederrechtelijk verkregen voordeel gedurende de periode 1 januari 2011 tot 1 juli 2011 niet kan worden ontnomen. Het hof zal alle posten, zoals opgenomen in de kasopstelling in het ontnemingsrapport, vóór 1 juli 2011 buiten beschouwing laten.

Voor zover het de contante stortingen en bankopnamen betreft van voor 1 juli 2011, bedragen de contante stortingen € 18.770,69 (de uitgave voor de factuur voor de [bedrijf 15] van € 245,69 van 23 april 2011 meegerekend) en de contante opnamen € 3.160. Het bedrag van € 420 (Franse bankrekening) wordt in aanmerking genomen. Dat betekent dat een bedrag van € 15.190,69 (€ 18.770,69 - € 3.160,00 - € 420,00) niet in de berekening van het negatieve kassaldo wordt meegenomen.

Voor de kosten voor levensonderhoud in 2011 is in totaal giraal een bedrag uitgegeven van € 1.910,26. Volgens de Nibud norm zou een bedrag van € 4.668,00 voor levensonderhoud moeten zijn uitgegeven. Het hof gaat voor de bedragen die zijn gedaan voor 1 juli 2011 uit van de helft van de twee hiervoor genoemde bedragen. Dat betekent dat voor de contante uitgaven voor levensonderhoud een bedrag van € 1.378,87 niet in aanmerking wordt genomen. Het negatieve kassaldo bedraagt aldus € 68.187,90 minus (€ 15.190,69 + € 1.378,87) = € 51.618,34.

Wederrechtelijk verkregen voordeel

Het totaal aan wederrechtelijk verkregen voordeel wordt gevormd door de som van het totaalbedrag aan giften, andere strafbare feiten en de kasopstelling.

Giften € 68.945,44

Andere strafbare feiten € 22.834,02

Kasopstelling € 51.618,34

Wederrechtelijk verkregen voordeel € 143.397,80

Verplichting tot betaling aan de Staat

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van € 166.680,75 (het hof begrijpt: € 166.680,57) ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 van het EVRM is reeds gecompenseerd in de strafzaak.

De raadsman heeft verzocht de betalingsverplichting te matigen als compensatie voor de overschrijding van de redelijke termijn.

Het hof overweegt als volgt.

Als uitgangspunt geldt dat op een ontnemingsvordering binnen twee jaar na aanvang van de redelijke termijn moet zijn beslist, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Het hof constateert dat de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep is overschreden. Als aanvangsdatum van de redelijke termijn in eerste aanleg wordt uitgegaan van 8 maart 2016, de dag waarop conservatoir beslag is gelegd op een goed van de betrokkene en waarbij is aangekruist dat het beslag is gelegd ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Het ontnemingsvonnis is gewezen op 26 januari 2024. Dat betekent dat de redelijke termijn in eerste aanleg met ongeveer vijf jaren en tien maanden is overschreden. De ontnemingszaak is in eerste aanleg niet gelijktijdig met de strafzaak tegen de betrokkene behandeld. De overschrijding van de procedure in hoger beroep bedraagt ruim twee maanden. Het hof zal gelet op de totale overschrijding een matiging van de betalingsverplichting toepassen van € 5.000,00.

Aan de betrokkene dient, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 138.397,80.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 36e (oud) en 36e van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van (afgerond) € 143.397,00 (honderddrieënveertigduizend driehonderd zevenennegentig euro).

Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van (afgerond) € 138.397,00 (honderd achtendertigduizend driehonderd zevenennegentig euro).

Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 1.080 dagen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.P.M. van Rijn, mr. M.F.J.M. de Werd en mr. M. Senden en in tegenwoordigheid van mr. S. den Hartog, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 7 mei 2026.

mr. M.F.J.M. de Werd is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Waar in de voetnoten wordt verwezen naar het procesdossier, is bedoeld het dossier dat is opgemaakt door de Rijksrecherche in het onderzoek Pos in de zaak tegen de verdachte [verdachte] met proces-verbaalnummer 2015006. Waar verwezen wordt naar een proces-verbaal, betreft dit een in de wettige vorm opgemaakt proces-verbaal van (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Zaaksdossier 1 (verwijt van ambtelijke corruptie) start met de doornummering 100001 . Het ontnemingsdossier start met het ontnemingsrapport van 69 pagina’s, gevolgd door de bijlagen. Deze bijlagen zijn voorzien van een doornummering, die aanvangt met ONT.RMI.0001. Een geschrift, te weten een RDW-raadpleging van 19 maart 2015, doorgenummerde pagina’s 100143 en 100144. Een proces-verbaal van verhoor verdachte [persoon 1] van 6 juni 2016, doorgenummerde pagina’s 101452 tot en met 101457, zie pagina 101453. Een proces-verbaal van bevindingen van 18 april 2017, doorgenummerde pagina’s 101343 tot en met 101362, zie pagina 101357-101358. Een proces-verbaal van bevindingen van 9 augustus 2016, doorgenummerde pagina’s 101392 tot en met 101400, zie pagina 101397. Een proces-verbaal van verhoor verdachte [persoon 1] van 6 juni 2016, doorgenummerde pagina’s 101452 tot en met 101457, zie pagina’s 101455 en 101456. Een geschrift, te weten een RDW-raadpleging van 19 maart 2015, doorgenummerde pagina’s 100143 en 100144. Een kennisgeving van inbeslagneming artikel 94 Wetboek van Strafvordering [vervolgbeslissing] van 17 maart 2016, inclusief bijlagen, doorgenummerde pagina’s 101088 tot en met 101092. Een proces-verbaal van bevindingen van 29 maart 2016, doorgenummerde pagina’s 101216 en 101217. Een proces-verbaal van bevindingen van 9 augustus 2016, doorgenummerde pagina’s 101392 tot en met 101400, zie vanaf pagina 101396. Een proces-verbaal aanhangwagen [kenteken 1] van 16 juli 2015, doorgenummerde pagina’s 100262 tot en met 100263; en een proces-verbaal van bevindingen van 19 oktober 2015, doorgenummerde pagina’s Pv RR ONT.+bijl map 1 van 2, RMI.0042 en ONT.RMI.0043. Een proces-verbaal van bevindingen m.b.t. onderzoek USB stick en bekostiging transporten van 23 november 2017, doorgenummerde pagina’s ONT.RMI.0360-0377, m.n. pagina’s 360 en 362] Een proces-verbaal van bevindingen m.b.t. onderzoek USB stick en bekostiging transporten van 23 november 2017, doorgenummerde pagina’s ONT.RMI.0360-0377, m.n. pagina’s 367 (2013), 371 + 373 (2014) en 374 (2015). Een geschrift, te weten een transportopdracht van [bedrijf 5] , doorgenummerde pagina ONT.RMI.0391. Een geschrift, te weten een factuur van [bedrijf 6] aan [bedrijf 5] van 15 november 2013, doorgenummerde pagina ONT.RMI.0388. Een geschrift, te weten een transportopdracht van [bedrijf 5] , doorgenummerde pagina ONT.RMI.0348. Een geschrift, te weten een vrachtbrief, doorgenummerde pagina ONT.RMI.0349. Een proces-verbaal van bevindingen m.b.t. onderzoek USB stick en bekostiging transporten van 23 november 2017, doorgenummerde pagina’s ONT.RMI.0360 tot en met 0377, m.n. pagina 367; en een geschrift, te weten een factuur van 18 november 2013, doorgenummerde pagina ONT.RMI.0350. Een geschrift, te weten een rekeningafschrift van 22 januari 2014, doorgenummerde pagina ONT.RMI.0335. Een proces-verbaal van verhoor verdachte [persoon 3] van 18 december 2017, doorgenummerde pagina ONT.RMI.435. Een geschrift, te weten een verklaring van 25 januari 2018, doorgenummerde pagina ONT.RMI. 0516. Een proces-verbaal van verhoor verdachte [persoon 3] van 18 december 2017, doorgenummerde pagina ONT.RMI.437. Een geschrift, te weten een factuur van 20 november 2013, doorgenummerde pagina ONT.RMI.0514. Een proces-verbaal van bevindingen m.b.t. onderzoek USB stick en bekostiging transporten van 23 november 2017, doorgenummerde pagina’s ONT.RMI.0360 tot en met 0377, m.n. pagina’s 0368 tot en met 0371. Een geschrift, te weten een factuur van 31 maart 2024, doorgenummerde pagina ONT.RMI.0379. Een geschrift, te weten een factuur van 31 maart 2024, doorgenummerde pagina ONT.RMI.0378. Een geschrift, te weten een rekeningafschrift van 8 mei 2014, doorgenummerde pagina ONT.RMI.0380. Een proces-verbaal van verhoor verdachte [persoon 3] van 18 december 2017, doorgenummerde pagina’s ONT.RMI.0434 tot en met ONT.RMI.0442, m.n. pagina’s 439 en 440. Een proces-verbaal van bevindingen m.b.t. onderzoek USB stick en bekostiging transporten van 23 november 2017, doorgenummerde pagina’s ONT.RMI.0360-0377, m.n. pagina’s 0371 tot en met 373. Een geschrift, te weten een vrachtbrief, doorgenummerde pagina ONT.RMI.0300. Een geschrift, te weten een factuur van 13 juli 2014, doorgenummerde pagina ONT.RMI.0299. Een geschrift, te weten een bewijs van aflevering van 30 juni 2014, doorgenummerde pagina ONT.RMI.0301. Een proces-verbaal van bevindingen m.b.t. onderzoek USB stick en bekostiging transporten van 23 november 2017, doorgenummerde pagina’s ONT.RMI.0360-0377, m.n. pagina 0372. Een proces-verbaal van bevindingen m.b.t. onderzoek USB stick en bekostiging transporten van 23 november 2017, doorgenummerde pagina’s ONT.RMI.0360 tot en met ONT.RMI.0377, m.n. pagina 0373. Een proces-verbaal van verhoor verdachte [persoon 3] van 18 december 2017, doorgenummerde pagina ONT.RMI.0440. Een proces-verbaal van bevindingen m.b.t. onderzoek USB stick en bekostiging transporten van 23 november 2017, doorgenummerde pagina’s ONT.RMI.0360-0377, m.n. pagina 0374. Een geschrift, te weten een e-mailbericht van 17 april 2015, doorgenummerde pagina ONT.RM1.0265. Een geschrift, te weten een e-mailbericht van 23 april 2015, doorgenummerde pagina ONT.RMI.0267. Een geschrift, te weten een vrachtbrief van april 2015. doorgenummerde pagina ONT.RMI.0288. Een geschrift, te weten een kopie factuur van 4 mei 2015, doorgenummerde pagina ONT.RMI.0287. Een geschrift, te weten een overzicht debiteurenontvangsten van 8 juni 2015, doorgenummerde pagina ONT.RMI.0292. Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict ex art 36e Wetboek van Strafrecht van 21 mei 2019, inclusief bijlagen, p. 65 (Ontnemingsdossier); en een geschrift, te weten een werkplaatsfactuur van 10 januari 2013, doorgenummerde pagina ONT.RMI.0729. Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict ex art 36e Wetboek van Strafrecht van 21 mei 2019, inclusief bijlagen, p. 65 (Ontnemingsdossier); en een geschrift, te weten een werkplaatsfactuur van 10 januari 2013, doorgenummerde pagina ONT.RMI.0270. Een geschrift, te weten een kopie werkplaatsfactuur van 10 januari 2013, doorgenummerde pagina ONT.RMI.1004. Een geschrift, te weten een RDW-raadpleging van 13 maart 2015, doorgenummerde pagina’s 100122 en 100123. Een geschrift, te weten een werkorder van 17 december 2012, doorgenummerde pagina’s ONT.RMI.1005 en ONT.RMI.1006. Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict ex art 36e Wetboek van Strafrecht van 21 mei 2019, inclusief bijlagen, p. 65 (Ontnemingsdossier); en een geschrift, te weten een factuur van 29 augustus 2015, doorgenummerde pagina ONT.RMI.1039. Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict ex art 36e Wetboek van Strafrecht van 21 mei 2019, inclusief bijlagen (Ontnemingsdossier). Arrest van dit hof van 7 mei 2026 in de strafzaak tegen de betrokkene, pagina’s 5 en 6. Arrest van dit hof van 7 mei 2026 in de strafzaak tegen de betrokkene, in samenhang gelezen met het vonnis van de rechtbank van 10 januari 2022 in de strafzaak tegen de betrokkene, pagina’s 42 tot en met 44. Een proces-verbaal van bevindingen van 9 augustus 2016, doorgenummerde pagina 101398. Een geschrift, te weten een factuur van 20 november 2013, doorgenummerde pagina ONT.RMI.0514. Een geschrift, te weten een factuur van 31 maart 2024, doorgenummerde pagina ONT.RMI.0379. Een geschrift, te weten een factuur van 31 maart 2024, doorgenummerde pagina ONT.RMI.0378. Een geschrift, te weten een rekeningafschrift van 8 mei 2014, doorgenummerde pagina ONT.RMI.0380. Een proces-verbaal van bevindingen m.b.t. onderzoek USB stick en bekostiging transporten van 23 november 2017, doorgenummerde pagina’s ONT.RMI.0360 tot en met ONT.RMI.0377, m.n. pagina 0373. Een geschrift, te weten een kopie factuur van 4 mei 2015, doorgenummerde pagina ONT.RMI.0287. Een geschrift, te weten een overzicht debiteurenontvangsten van 8 juni 2015, doorgenummerde pagina ONT.RMI.0292. Een geschrift, te weten een werkplaatsfactuur van 10 januari 2013, doorgenummerde pagina ONT.RMI.0729. Een geschrift, te weten een werkplaatsfactuur van 10 januari 2013, doorgenummerde pagina ONT.RMI.0270. Een geschrift, te weten een factuur van 29 augustus 2015, doorgenummerde pagina ONT.RMI.1039. Een proces-verbaal van bevindingen kasopstelling ex art 36e Sr met nummer [nummer 7] van 17 april 2019, inclusief bijlagen, doorgenummerde pagina’s ONT.RMI.0517 tot en met ONT.RMI.527. Een geschrift, te weten een factuur van 18 april 2013, doorgenummerde pagina ONT.RMI.0716. Een geschrift, te weten een kassabon van 14 november 2015, doorgenummerde pagina ONT.RMI.0706. Een geschrift, te weten een kassabon van 10 december 2015, doorgenummerde pagina ONT.RMI.0717. Een proces-verbaal van verhoor verdachte van 2 mei 2016, doorgenummerde pagina’s 101322 tot en met 101331, m.n. pagina 101329; en een proces-verbaal van verhoor verdachte van 14 april 2016, doorgenummerde pagina’s 101332 tot en met 101336, m.n. pagina 101334. ONT.RMI.0528 en ONT.RMI.0529. ONT.RMI.0525.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand