Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
23 april 2026.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het hoger beroep.
Op de terechtzitting in hoger beroep van 23 april 2026 is het onderzoek in deze strafzaak gehouden en gesloten.
Ontvankelijkheid van de verdachte in hoger beroep
De dagvaarding voor de zitting in eerste aanleg is niet aan de verdachte in persoon betekend. De verdachte is op 11 december 2024 bij verstek veroordeeld. Het hof constateert dat de mededeling (verstek)uitspraak op 27 september 2025 in persoon aan de verdachte is uitgereikt en stelt vast dat het hoger beroep 17 dagen nadien, op 14 oktober 2025, is ingesteld. Op grond van artikel 408, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) moet het hoger beroep worden ingesteld binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is.
Overschrijding van de termijn voor hoger beroep door de verdachte, zoals in het onderhavige geval, betekent in de regel dat deze niet in dat hoger beroep kan worden ontvangen. Dit gevolg kan daaraan uitsluitend niet worden verbonden, indien sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen, omstandigheden welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn.
Het hof stelt vast dat de verdachte de Nederlandse taal onvoldoende beheerst. Tijdens de politieverhoren is namelijk gebruik gemaakt van tolken in de Oekraïense en Russische taal. Niet is gebleken dat de aan de verdachte uitgereikte mededeling uitspraak, zijnde een mededeling als bedoeld in art. 366, eerste en derde lid, Sv, in één van deze talen of een andere voor de verdachte begrijpelijke taal aan de verdachte is verstrekt.
In het licht van het voorgaande moet ervan worden uitgegaan dat dit in strijd met art. 366, vierde lid, Sv, niet is gebeurd. Evenmin volgt uit de stukken dat de inhoud van de mededeling uitspraak anderszins (mondeling) voor de verdachte is vertaald.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat sprake is van een verontschuldigbare termijnoverschrijding (vgl. HR 8 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1534). De verdachte kan daarom in zijn beroep worden ontvangen.
Het hof zal, nu de zaak niet inhoudelijk is behandeld in hoger beroep, het onderzoek heropenen, schorsen en de hervatting van het onderzoek ter terechtzitting op een nader te bepalen datum gelasten.
Beslissing
Het hof:
Heropent het gesloten onderzoek, schorst dit in het belang ervan en beveelt de hervatting van het onderzoek op een nader te bepalen terechtzitting.
Beveelt de oproeping van verdachte en een tolk Oekraïens, tegen de nog nader te bepalen terechtzitting.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C.P.E.M. Fonteijn-van der Meulen, mr. M.L.M. van der Voet en mr. J.H. van der Werff, in tegenwoordigheid van mr. L.C. de Groot, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 7 mei 2026.
Mr. Van der Werff is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]