Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
23 april 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.zij, op of omstreeks 7 juli 2017 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres 2] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 144, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2.zij, op of omstreeks 7 juli 2017 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, een hoeveelheid elektriciteit, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan Liander, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat weg te nemen goed onder haar bereik heeft gebracht door middel van braak.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.
Bewijsoverweging
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten. Zij heeft hiertoe – kort gezegd – aangevoerd dat het binnentreden in de woning door de politie rechtmatig was. Binnen wordt een hennepkwekerij aangetroffen; de verdachte bekent daar verantwoordelijk voor te zijn. Ook voor de diefstal van de stroom is de verdachte verantwoordelijk. De advocaat-generaal heeft het hof verzocht om de verdachte partieel vrij te spreken voor ‘braak’ zoals tenlastegelegd onder 2.
De raadsman heeft aangevoerd dat de verbalisanten aanvankelijk zonder machtiging in de woning van de verdachte zijn binnengetreden. Volgens de raadsman was geen sprake van een directe noodsituatie, waardoor de politie niet had mogen binnentreden. Dit levert een vormverzuim op dat tot strafvermindering moet leiden.
Het hof overweegt als volgt.
Uit het dossier leidt het hof af dat in de woning van de verdachte vermoedelijk een waterleiding was gesprongen, wat heeft geleid tot wateroverlast bij de twee winkels onder de woning. Ter plaatse zagen verbalisanten dat het water onder de achterdeur van de woning van de verdachte vandaan kwam. Hierop hebben de verbalisanten aan de verdachte aangegeven dat zij de woning wilden betreden om te zoeken naar de oorzaak van de overlast en om de overlast te doen stoppen. De verdachte heeft hiervoor geen toestemming gegeven, maar heeft wel spontaan verklaard dat zich in de woning een hennepkwekerij bevond. De verbalisanten zijn daarop de woning binnengetreden en hebben daar inderdaad een hennepkwekerij aangetroffen.
Gelet op de geconstateerde ernstige wateroverlast was sprake van een noodsituatie, waardoor de politie op grond van artikel 3 in verband met artikel 7 van de Politiewet de bevoegdheid had om binnen te treden in de woning. In zoverre is geen sprake van een vormverzuim en wordt het verweer van de raadsman verworpen.
Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat de verdachte partieel vrijgesproken dient te worden van de ‘braak’ zoals tenlastegelegd onder 2. Hoewel de verdachte zowel het bezitten van de hennepkwekerij als de diefstal van elektriciteit heeft bekend, heeft de verdachte tijdens het politieverhoor verklaard dat een ander dan zijzelf de elektrische installatie heeft aangelegd en zij geen weet heeft gehad van de manier waarop dat is gebeurd. Om die reden oordeelt het hof dat de verdachte zich weliswaar schuldig heeft gemaakt aan diefstal van elektriciteit, maar dat een gekwalificeerde diefstal door middel van braak niet kan worden bewezen.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.zij op 7 juli 2017 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk heeft geteeld (in een pand aan de [adres 2] ) een hoeveelheid van 144 hennepplanten;
2.zij op 7 juli 2017 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, een hoeveelheid elektriciteit, toebehorende aan Liander, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
diefstal.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van tachtig uren te vervangen door veertig dagen hechtenis.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van dertig uren te vervangen door vijftien dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.
De raadsman heeft het hof verzocht dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke taakstraf.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het telen van 144 hennepplanten in haar woning. De verdachte heeft bij de politie verklaard dat zij dit deed om haar schulden te kunnen betalen. Daaruit maakt het hof op dat de hennep voor verdere verspreiding bedoeld was. Het gebruik van hennep kan schadelijke gevolgen meebrengen voor de gezondheid van gebruikers. Het is een feit van algemene bekendheid dat met deze handel aanzienlijke financiële belangen gemoeid zijn en dat deze niet zelden gepaard gaan met andere vormen van criminaliteit. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan de diefstal van elektriciteit ten behoeve van de hennepkwekerij, waardoor het energiebedrijf financiële schade heeft geleden. Ook leidt het kweken van hennep, mede vanwege het illegaal aftappen van elektriciteit, tot brandgevaar.
Ten voordele van de verdachte houdt het hof ermee rekening dat zij blijkens haar strafblad niet eerder en ook niet na deze feiten is veroordeeld voor enig strafbaar feit.
In beginsel acht het hof een taakstraf voor de duur van vijftig uren passend.
Het hof heeft gelet op de omstandigheid dat de redelijke termijn voor berechting als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) is overschreden. De verdachte is op
7 juli 2017 in verzekering gesteld, waardoor de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn op die datum is aangevangen. De politierechter heeft bij verstek uitspraak gedaan op 19 januari 2021, waardoor de redelijke termijn in eerste aanleg met ongeveer 18 maanden is overschreden. In de hoger beroep fase is ondanks het aanzienlijke tijdsverloop sinds de berechting in eerste aanleg de redelijke termijn niet overschreden aangezien de verdachte pas op 12 augustus 2025, na kennis te hebben gekregen van het verstekvonnis, hoger beroep heeft ingesteld. Vanwege de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg ziet het hof aanleiding om in plaats van de genoemde taakstraf een voorwaardelijke taakstraf op te leggen.
Het hof acht, alles afwegende, een voorwaardelijke taakstraf van vijftig uren passend en geboden. Vanwege het tijdsverloop sinds de feiten zal het hof hieraan een korte proeftijd, te weten van één jaar, verbinden.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 50 (vijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen hechtenis.
Bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 1 (één) jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.L.M. van der Voet, mr. C.P.E.M. Fonteijn-van der Meulen en mr. J.H. van der Werff, in tegenwoordigheid van mr. S.B. Zoet, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 7 mei 2026.
mr. J.H. van der Werff is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.